S&V: na de ontmaskering, tijd voor de grote bezemzwiep
Een onderzoeksreportage en 40 minuten, zoveel was er nodig om het gehypte extreem-rechtse studentengroepje Schild & Vrienden (S&V) in het nauw te drijven. Dit is het uitgelezen moment om er een schepje bovenop te doen en extreem-rechts van de campussen te verjagen. Verkondig je anti-racisme luid en duidelijk. Strijd luid en duidelijk voor een socialistische samenleving, die de voedingsbodem van deze verwerpelijke groeperingen naar de vuilbak van de geschiedenis kan verwijzen.
Lees verder
De economische theorie van Marx en de toekomst van de marxistische economie
Lees verder
Hoe strijden tegen alle vormen van onderdrukking?
Racisme, homofobie, islamofobie, vrouwendiscriminatie, zijn allen vormen van onderdrukking die ondanks alle ‘vooruitgang’ blijven bestaan in onze maatschappij. Wat er ook was gewonnen aan rechten op deze vlakken, en het was dan nog ruimschoots onvoldoende, komt vandaag op de helling te staan. De laatste jaren is er op deze terreinen een tegenreactie op gang gekomen.
Lees verder
Klimaatchaos, het kapitalisme treft schuld
De temperaturen blijven stijgen en de kapitalisten kunnen enkel machteloos toekijken. In laatste instantie is hun systeem verantwoordelijk voor deze vernietigende chaos.
Lees verder
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • S&V: na de ontmaskering, tijd voor de grote bezemzwiep
  • De economische theorie van Marx en de toekomst van de marxistische economie
  • Hoe strijden tegen alle vormen van onderdrukking?
  • Klimaatchaos, het kapitalisme treft schuld

Een cijfer om met de deur in huis te vallen. Het derde kwartaal van 2006 zag een stijging van 7,65 procent in het aantal sociale conflicten op het continent in vergelijking met het eerste kwartaal van hetzelfde jaar. Het Observatorio Social de America Latina besluit hieruit dat vandaag in de 19 landen van het continent het hoogste aantal sociale conflicten is bereikt sinds het jaar 2000 (1). Verwacht hier echter geen landenoverzicht met saai statistisch materiaal. Wat we in de volgende pagina’s wel aan bod willen laten komen, zijn de meest toonaangevende trends die de opgang van ‘los de abajo’ sinds de eeuwwisseling kenmerken.

Heropstanding

Voor alle duidelijkheid, ‘los de abajo’ dat zijn niet de vormeloze menigte of ‘multitude’ om een modewoord te gebruiken. ‘los de abajo’ dat zijn sociale klassen in hun levend wordingsproces via actie en ervaring (2). In de eerste plaats de klasse van loontrekkenden – de arbeidersklasse (werkend of werkloos), de kleine al dan niet landloze boeren en de armen uit de steden die overleven in wat beleefd de ‘informele sector’ wordt genoemd. Andere groepen zoals de studenten hebben ook hun intrede gedaan op het sociale toneel. In hun overgrote meerderheid zijn het kinderen van arbeiders, boeren en van de lagere middenklasse. Het recentste voorbeeld daarvan was de beweging van de 800.000 ‘pinguinos’ (‘pinguïns’ genoemd naar het uniform van de Chileense scholieren) verleden jaar. En dan zijn er de inheemse volkeren die, zonder hun specifieke onderdrukking te willen minimaliseren, zich niet buiten bovenstaande sociale groepen en klassen situeren.

De sociologie van de inheemse volkeren leert ons dat ze in grote mate behoren tot de agrarische sector, het zijn met name kleine verarmde boeren. De Peruaanse denker José Carlos Mariategui had het bij het rechte eind wanneer hij stelde dat de “inheemse kwestie in de eerste plaats een kwestie is van de eigendom van het land”(3). Andere elementen uit de inheemse volkeren zijn verstedelijkt en gaan op in de klassen die hier overheersen: ze worden arbeiders, arme middenklasse of zijn actief in de informele sector. Ondanks hun culturele en taalkenmerken maakt hun opstand integraal deel uit van de meer algemene opgang van de boerenbeweging en de arbeidersbeweging. Tijdens de ‘rode oktober 2003’ in Bolivia, een opstand tegen de uitverkoop van de gasrijkdom, bevond het epicentrum van de strijd zich in El Alto, een voorstad van La Paz. Sommigen zagen hierin slechts een ‘opstand van Aymara’s’ (een grote inheemse bevolkingsgroep). Nochtans telt El Alto het hoogste percentage arbeiders van alle Boliviaanse steden (namelijk 43 procent) en speelden de vakbonden een zeer prominente rol in het verzet.

Meer in het algemeen kunnen we zeggen dat de strijd van de inheemse volkeren deel uitmaakt van de vernieuwde klassenstrijd die zich uitstrekt van de Rio Grande in het noorden van Mexico tot Tierra del Fuego in het uiterste zuiden van het continent. De deiningen hiervan hebben zich verleden jaar ook laten voelen in de nieuwe, massale Latinobeweging van migranten en mensen zonder papieren in de Verenigde Staten. Daar betoogden honderdduizenden mensen in april 2006 (een half miljoen in Chicago, meer dan een miljoen in L.A., 25.000 in Seattle enz.). Op 1 mei 2006 riepen ze zelfs een staking van de Latinoarbeiders uit.

Het zijn ‘los de abajo’ die het continent dooreenschudden met indrukwekkende stakingen, betogingen, bezettingen van bedrijven, land en openbare gebouwen, blokkades van wegen en kruispunten, spontane of zeer goed georganiseerde opstanden. Het zijn deze ‘hemelbestormers’ die in Ecuador met een volksopstand het nieuwe millennium inhuldigen. Nu eens strikt syndicaal of louter defensief (actie voor loonsverhogingen of tegen afdankingen), dan openlijk politiek (strijd tegen de electorale fraude in Mexico in 2006), anti-imperialistisch, antikapitalistisch en zelfs revolutionair in zijn doelstellingen en actiemiddelen (Ecuador 2000, Bolivia 2002 en 2003, Peru 2002), slaagt deze vernieuwde golf van strijd erin haar stempel te drukken op de evolutie van het continent. Hiermee knoopt ze aan bij de rijke traditie van strijd en revolutie. Het gaat hier nochtans niet om een gewone herhaling van het verleden.

Het valt bijvoorbeeld op hoe de klassieke guerrillastrijd, waarmee het continent als het ware vereenzelvigd werd, bijna is verdwenen. Dit is opmerkelijk en staat in schril contrast tot de jaren ’60, ’70 en zelfs de jaren ’80. Enkele belangrijke uitzonderingen zijn de FARC en het ELN in Colombia, de Zapatisten in Chiapas en zeer kleine haarden in andere landen zoals in Peru met de MRTA of de kinderen van het Lichtend Pad. Deze verschrompeling is niet alleen het resultaat van de staatsrepressie maar ook van de politieke impasse van deze bewegingen aan het einde van jaren ’80 en het openlijke verraad van sommige leiders, die nu raadgevers zijn van rechtse partijen, van het staatsapparaat dat ze hebben bestreden of van het imperialisme.

Desastreuze ervaring met het neoliberalisme

De verhoging van de klassenstrijd in Latijns-Amerika ligt aan de basis van de talrijke electorale overwinningen van links in al zijn diverse vormen en gedaanten. Op hun beurt hebben deze overwinningen nieuwe sociale protesten aangewakkerd (bv. in Ecuador en Brazilië) of een vernieuwde impuls gegeven aan de zelforganisatie van boeren, arbeiders en de volksbeweging (bv. Venezuela).

Waarom gebeurt dit nu? De hoofdreden voor deze radicalisering ligt in de ervaring met twintig jaar neoliberale recepten. De materiële achtergrond ziet er als volgt uit. In twee decennia is de concentratie aan rijkdom in de handen van een zeer kleine minderheid gestegen tot de hoogste van de planeet. De Ginicoëfficiënt die de ongelijkheid meet, is gestegen van 0,55 naar 0,57 in Latijns-Amerika. In Europa bedraagt deze graadmeter van de sociale ongelijkheid 0,29 en in de Verenigde Staten 0,34. In 1980 waren de inkomsten van de 10 procent rijksten 24 keer groter dan de 10 procent armsten. Vandaag zijn ze 31 keer groter. In 2003 leefden 225 miljoen Latino’s onder de armoedegrens en 100 miljoen hiervan worden als behoeftige beschouwd. UNICEF bestempelt 60 procent van de kinderen als arm.

Op het ‘verloren decennium’ van de jaren ’80 volgde het ‘verkwanselde decennium’ van de jaren ’90. De maatregelen opgelegd door het IMF, de Wereldbank en andere banken zorgden voor grote sociale schade die niet gecompenseerd werd door het intomen van de hyperinflatie. In het hele continent opende een nieuwe periode. De vorige periode was gekenmerkt door de val van de militaire junta’s in Bolivia 1982, Argentinië 1983, Uruguay 1984, Brazilië 1985, Paraguay 1989 en Chili 1990. De overgang van militaire dictaturen naar burgerlijke democratieën was evenwel ontgoochelend want het veranderde niets aan de armoede en uitbuiting. Dan volgde de belangrijke politieke nederlaag in Nicaragua na een lange en slopende oorlog en veel fouten van de sandinistische leiding, die de revolutie gevangen hield binnen een ‘gemengde economie’. Even demoraliserend was de overgave van guerrillabewegingen (zoals in El Salvador) en de algemene reconversie van de linkerzijde tot het sociale liberalisme, gekoppeld aan de talrijke deserties van linkse intellectuelen. Het ideologische offensief van de rechterzijde na de val van de Muur van Berlijn heeft toen voor grote ravages gezorgd in het linkse kamp.

De neoliberale recepten sloegen eveneens diepe wonden in het fysieke weefsel van de economie (gedeeltelijke desindustrialisering) en in de cohesie van de sociale klassen (werkloosheid, onderaannemingen, algemene precarisering, informele economie, nieuwe technologieën). Dit dreef sommigen tot verregaande en pessimistische besluiten. Niet alleen intellectuelen maar ook de leiders van de linkerzijde hebben het over de ‘ontbinding van de arbeidersklasse’, het verdwijnen van het ‘revolutionair subject’, het ‘verwateren van het bewustzijn’ enzovoort. In andere woorden, “we beschikken niet meer over een grote sociale kracht voor verzet, laat staan voor een socialistische maatschappelijke verandering.” Dikwijls gaat het hier echter over een rationalisering (op basis van een oppervlakkige sociologie) van hun eigen desertie naar het liberale en pro-kapitalistische kamp.

Welke sociale configuratie?

Het ‘revolutionaire subject’, waarvan menig socioloog of voormalige linkse intellectueel het overlijden had aangekondigd, komt vandaag weer op de voorgrond. Het is echter nooit verdwenen.

Argentinië is een goed voorbeeld. Dit land is sinds 1976 het slachtoffer van een brutale desindustrialisering, ingezet door de dictatuur van de generaals. Het neoliberale project werd verdergezet door alle ‘democratische’ regeringen die volgden. Ondanks dit proces is het aantal actieve loontrekkenden in 2003 volgens cijfers van het ministerie van Arbeid 8.765.000, de niet-loontrekkenden 3.426.000 en de werklozen 2.202.000. Als we enkel de actieven optellen (loontrekkenden en niet-loontrekkenden) dan komen we aan een groep van 12.191.000 mensen. De loontrekkenden staan in voor 71,9 procent van het geheel. Indien we de niet-actieve loontrekkenden hierbij optellen dan komen we aan een percentage van 76,2. Bovendien geeft het cijfer van de niet-loontrekkenden een vervormd beeld. Hieronder worden niet alleen de ondernemers gerekend maar ook de kleine zelfstandigen. Deze laatste zijn de overgrote meerderheid van deze groep. Veel van deze zelfstandigen zijn echter verdoken loontrekkenden die, als gevolg van de ‘precarisering’ van de arbeidsmarkt, door hun baas verplicht worden zelf hun sociale bijdragen te betalen.

De overgrote meerderheid van de actieve bevolking bestaat hier dus uit de arbeidersklasse in de brede en enige juiste betekenis van het woord, namelijk diegenen die leven van een loon en wiens arbeid een ‘verplicht’ karakter heeft. Onder ‘verplicht karakter’ verstaan we de nood om voor iemand anders te werken om te kunnen overleven. De nood om zijn of haar arbeidskracht te verkopen aan een baas die hier meerwaarde uit haalt. De overheersende productierelatie is en blijft een kapitalistische relatie, of ze nu in het zwart werken of in de formele sector, in kleine of grote bedrijven of als valse zelfstandige. Het is deze aard van de arbeid gekoppeld aan de algemene verslechtering van de levensomstandigheden die aan de basis ligt van de tegenstelling tussen arbeid en kapitaal, de bron van het klassenbewustzijn.

Het is correct dat de activiteit van de arbeidersbeweging werd geremd door de nederlagen van de jaren ’80 en ’90, door de dramatische toestand waarin de arbeidersklasse zich bevond en door de reconversie van de linkse leiders. Maar hier is nu een kentering in gekomen. De veerkracht van de arbeidersklasse en andere sociale lagen op het continent is indrukwekkend.

Indrukwekkend herstellingsvermogen

Drie voorbeelden illustreren dit. Opnieuw staan we stil bij Argentinië. Dit land heeft immers sterk geleden onder de desindustrialisering sinds het einde van de jaren ’70 en de economie werd nogmaals genekt op het ogenblik van de grote financiële crisis van 2001/2002.

‘Piquetero’ is de naam die in Argentinië wordt gegeven aan de werkloze arbeider die in opstand is gekomen tegen zijn toestand. Van de ongeveer 2,5 tot 3 miljoen werklozen die het land op een bepaald moment heeft gekend zijn er 300.000 piqueteros. Het actiemiddel bij uitstek van de piquetero is het afzetten van grote wegen en de klassieke massabetoging. Over het hele continent hebben deze mannen en vrouwen hun ‘lettres de noblesse’ gewonnen in hun heldhaftige strijd voor werk en voor het behoud van een eigen sociale cohesie. Los van hun eisen voor banen en een openbare sociale zekerheid staan zij zelf ook in voor het overleven van hun leden (collectieve keukens, aankoopcentrales, politieke en culturele vorming en activiteiten, eigen moraal die zich afzet tegen de gevaren van lumpenisering, met name verbod op alcohol, drugs, strikte discipline enz.). Daarmee grijpen ze terug naar de oude methodes van de arbeidersbeweging, die we ook in België hebben gekend.

Tijdens de Argentinazo, de volksopstand als antwoord op de financiële ineenstorting eind 2001, bezetten de piqueteros de eerste linies van de strijd. Dit is een mooie bevestiging van het feit dat “het maatschappelijke zijn het bewustzijn bepaalt”. Het is ook een antwoord aan diegenen die op een stugge en formele manier beweren dat collectief bewustzijn en collectieve actie slechts kunnen ontstaan in een uitsluitende relatie met het productieproces. De organisatie van ‘piqueteros’ die het best deze strijdtradities heeft kunnen bewaren en ontwikkelen, is de Movimiento de Trabajadores Desocupados ‘Anibal Veron’. Deze organisatie is gekend voor haar grote interne democratie, massale deelname aan de besluitvorming, grote discipline en bekamping van alle vormen van ‘cliëntelisme’. De limiet van deze massabeweging ligt echter in haar relatief isolement van de georganiseerde vakbeweging, die ondanks alles nog over de meest beslissende kracht beschikt. Op de 7 miljoen actieve loontrekkenden zijn er anderhalf miljoen georganiseerd in vakbonden. Ondanks de massale sluiting van bedrijven werken er nog steeds één miljoen arbeiders in de fabrieken. De grote inzet is beide bewegingen te laten samenvloeien, want zonder de potentiële macht van diegenen die nog werken blijft de piqueterobeweging in een impasse.

Het tweede voorbeeld is dat van de bezette bedrijven. De zware economische crisis heeft in Argentinië talrijke bedrijven over kop laten gaan. Als reactie hierop werden veel bedrijven bezet en onder eigen controle en beheer weer in werking gezet. Velen vormden coöperatieven, anderen eisen de nationalisatie van hun onderneming. Dit is een fenomeen dat zich in min of meerdere mate herhaalt in andere landen van het continent: van Brazilië over Uruguay tot Venezuela. In december vorig jaar kwamen ook honderden afgevaardigden van deze bezette en door het personeel overgenomen bedrijven bijeen op initiatief van de arbeiders van Cipla/Interfibra in Jointville, Brazilië (4). Dit was een vervolg op de eerste continentale conferentie van bezette en overgenomen bedrijven in Caracas, Venezuela, het jaar voordien (5).

Het derde voorbeeld verwijst naar de Chileense mijnwerkers. De keuze voor een Chileens voorbeeld is evenmin lukraak gebeurd. Chili werd als eerste land op het continent en ook in de wereld gebruikt als een ‘in vivo’ laboratorium voor de recepten van de Chicago Boys, de pioniers van het neoliberalisme.

De kopermijn La Escondida staat in Chili symbool voor uitverkoop van nationale rijkdom (privatisering van de kopersector na de nationalisatie door de regering van de Unidad Popular geleid door de socialist Salvador Allende). Ook staat deze sector en in het bijzonder de mijn La Escondida voor onderaanneming en antisyndicalisme. Naast een kern van vast personeel werken er 550 ‘zelfstandigen’ en 3000 arbeiders in onderaanneming. De mijndirectie heeft een bewust beleid gevoerd van versnippering bij de aanwerving van het personeel. De meeste mijnwerkersgezinnen leven op een afstand van elkaar en van de mijn, die varieert van 150 km tot 1000 km! Het is moeilijk zich een ergere ‘destructurering’ in te beelden. Toch konden deze overwegende jonge mijnwerkers, zonder rechtstreekse traditionele band met de generatie van de jaren ’60 of ’70, op drie jaar tijd een machtige vakbondsorganisatie uitbouwen. Tijdens een lange staking in augustus 2006 wonnen ze een aanzienlijke loonsverhoging en de erkenning van hun vakbond. Op drie weken tijd deden ze de publieke opinie, die eerst tegen hen was gericht, kantelen. Chileense waarnemers beweren dat dit het belangrijkste sociale conflict is van de laatste dertig jaar. Het is dit niet zozeer door haar numerieke omvang, want een paar jaar geleden was er nog een algemene staking. De overwinning van de mijnwerkers is belangrijk voor het bewijs dat het leverde, het bewijs van de capaciteit die de arbeidersklasse heeft om zich te herstellen van zware wonden geslagen in haar bewustzijn, organisatie en samenhang. (6)

Boerenopstanden

Natuurlijk varieert de sociale doorsnede van de bevolking van land tot land. Toch is er een gemeenschappelijk patroon in al deze landen: in hun grote meerderheid is de bevolking geconcentreerd in de steden, waar ze werken als loontrekkende of in de informele sector. De boerenbevolking is verarmd en gedeeltelijk geproletariseerd. En ondanks de neoliberale aanval is de ruggengraat van de arbeidersklasse in grote mate intact. In Mexico en in sommige Centraal-Amerikaanse landen heeft er zelfs een omgekeerd proces plaatsgevonden van grootschalige industrialisering en dus ook van proletarisering van de bevolking in de laatste 10 à 15 jaar. De grote assemblagebedrijven aan de grens met de Verenigde Staten, beter gekend als de ‘maquilas’, hebben honderdduizenden mensen opgeslokt.

In landen waar de boerenbevolking (bv. Ecuador) een grotere rol speelt in de economie, merken we ook dat deze rol dikwijls herleid is tot deze van landloze boeren, landarbeiders of kleine boeren met weinig grond. Dit is vooral het geval in het Andesgebied en in Centraal-Amerika. In die landen zien we zelfs hoe het boerenactivisme beïnvloed is door arbeiderstradities. In Bolivia bijvoorbeeld bestaat de radicale beweging van de ‘cocaleros’ (de cocaboeren) eigenlijk uit ex-mijnwerkers die zich na de massaontslagen in de jaren ’80 zijn gaan toeleggen op cocateelt.

De voorbode van de huidige boerenbeweging was waarschijnlijk de neozapatistische opstand in 1994 te Chiapas. In oorsprong een typische gewapende boerenopstand was dit de drager van veel hoop in Mexico en wereldwijd. Ze is er echter niet in geslaagd aan die verwachtingen te beantwoorden. Semi-anarchistische concepten zoals het ‘veranderen van de wereld zonder de macht te nemen’ en een zeker sektarisme ten opzichte van de reëel bestaande massabeweging (bv. ten opzichte van het miljoenen sterke protest tegen de electorale fraude en voor de linkse presidentskandidaat Lopez Obrador in 2006) verklaren het isolement vandaag van de Subcomandante Marcos in eigen land en op het continent.

De invalshoeken van het verzet zijn zeer divers. De ecologische en menselijke schade veroorzaakt door kortzichtige industrialisering en mijnontginning is geen onbelangrijke factor in de klassenstrijd, zoals bijvoorbeeld in Brazilië (7). De meest ontwikkelde boerenbeweging op het continent is waarschijnlijk de MST, de beweging van landloze boeren in Brazilië. De strijdlust, de hardnekkigheid en het bewustzijn van deze groep heeft hen wereldfaam geschonken. De onopgeloste feodale erfenis van het grootlandeigendom, de strijd voor land is de belangrijkste drijfveer van het boerenactivisme, naast de strijd tegen de imperialistische handelsverhoudingen (ALCA).

Ook in Ecuador en Bolivia behoren de boerenorganisaties tot de meest strijdbare groepen. In Ecuador lag de CONAIE, niet gewoon een organisatie van inheemse volkeren maar een boerenorganisatie, in januari 2000 aan de basis van de eerste volksopstand van het nieuwe millennium. De eeuwwisseling was getuige van een van de meest onaangekondigde poging van de boeren- en arbeidersbeweging om de macht te nemen. Plaatselijke ‘asambleas populares’, samengesteld uit vertegenwoordigers van boeren-, arbeiders-, volks- en studentenorganisaties, stelden zich tot doel het oude regime en staatsapparaat omver te gooien en te vervangen. Ze waren hier bijna in geslaagd. Ook in de twee revolutionaire opstanden in Bolivia (2003 en 2005), uitgelokt door de privatisering van de gasrijkdommen, zien we het ontstaan van een zeer hoge graad van zelforganisatie. Die groeide uit tot alternatieve democratische machtstructuren, zoals de ‘juntas vecinales’ (burenraden) of ‘cabildos abiertos’ (open algemene vergaderingen). Een gelijkaardige opstandige situatie onderging de Peruaanse stad Arequipa in 2003, tegen de privatisering van het water. Net zoals in de Boliviaanse steden Cochabamba en El Alto leidde de sociale explosie tot de intrekking van deze privatiseringsmaatregelen.

Zowel in Ecuador, Bolivia als recent ook in de Mexicaanse provincie Oaxaca worden toestanden van dubbele macht tot hun toppunt gedreven. Onder dubbele macht verstaan we de effectieve opbouw van nieuwe machtstructuren naast en in open oppositie tot de oude burgerlijke staatsinstellingen (parlement, justitie, leger, politie en regering). Historisch zijn deze situaties te vergelijken met deze van de Commune van Parijs in 1870-71 en de raden van arbeiders en soldaten in Duitsland of Rusland tussen 1917 en 1919. Dit zijn per definitie toestanden die niet eeuwig kunnen duren en vroeg of laat ten voordele van het ene of andere kamp moeten beslecht worden. Momenteel hebben de opstandelingen in Oaxaca, Bolivia en Ecuador hun kans om de macht te nemen verloren ten voordele van de gevestigde orde (tijdelijk althans). Maar de enorm voordelige krachtsverhoudingen (eveneens tijdelijk) maken dat deze nederlagen niet leiden tot een repressie vergelijkbaar met deze van de Commune van Parijs en tot een langdurige demoralisatie. De verkiezingsoverwinningen van Nestor Correa in Ecuador en Evo Morales in Bolivia moeten we daarom bekijken als electorale uitdrukkingen van de gefrustreerde revolutionaire pogingen van de vorige jaren.

Socialisme op de agenda

Het verleden is niet afwezig in het heden. De littekens van de bloedige repressie tijdens de militaire dictaturen zijn nog niet genezen. Straffeloosheid voor de beulen is nog steeds legio. Het explosieve karakter daarvan mag niet onderschat worden. De spontante golf van betogingen naar aanleiding van de dood van Pinochet in Chili geven dit aan. Maar in andere landen zoals Argentinië of Uruguay is en blijft dit eveneens een bron van mobilisatie. Zo betoogden 75.000 mensen op 20 mei 2006 in Montevideo ter herdenking van de 30ste verjaardag van de moord op linkse activisten. Hier is het laatste woord nog niet over gezegd.

Al deze deelbewegingen, kenmerkend voor de opgang van de sociale strijd, worden geïrrigeerd door een sterk anti-imperialistisch bewustzijn. De bevrijding van het Noord-Amerikaanse juk en de eenmaking van het continent staan nog steeds zeer hoog op de agenda. Daarom maakt de herontdekking van het Bolivarisme deel uit van dit proces. Het gecontrasteerde onthaal van de dubbele tournee van enerzijds G.W. Bush en anderzijds Hugo Chavez in de maand maart heeft dit eens te meer grafisch uitgedrukt. De Amerikaanse president werd overal onthaald op protestbetogingen. De Bolivariaanse president galvaniseerde daarentegen van Nicaragua tot Haïti een geestdriftige menigte.

Heel het proces van verhoogde klassenstrijd leidt uiteindelijk onweerstaanbaar naar de herontdekking van het socialisme. Het epicentrum van dit debat bevindt zich in Venezuela, maar het verspreidt zich over het hele continent. Onder de naam van het ‘socialisme van de 21ste eeuw’ trachten Hugo Chavez en de Bolivariaanse Beweging een politieke weg te banen uit de impasse van de sociale hervormingen binnen het kapitalistische kader. Eens het ‘revolutionaire subject’, namelijk de machtige beweging van arbeiders, boeren en studenten, zich deze idee en haar programma heeft eigen gemaakt, zal ze niet meer te stoppen zijn. Doorheen hun pogingen om de wereld te veranderen komen ‘los de abajo’ opnieuw uit bij de ‘oude’ ideeën van de socialistische beweging en zetten ze de academische concepten en postmoderne modes van de jaren ’90 bij de vuilnisbak van de geschiedenis.




Voetnoten

1) www.clasco.org.ar
2) “De multitude is een kortstondig en voorbijgaand fenomeen. De menigte is één zaak, de sociale klassen een ander; deze zijn permanente sociale formaties. De multitude is per definitie een vluchtig en oppervlakkig fenomeen zelfs indien sommige grondig verkeerde analyses aan de linkerzijde de multitude hebben verheven tot de nieuwe kracht die het kapitalisme zal omvergooien. Dit heeft geen enkele ernstige basis, ten minste vanuit een marxistisch perspectief van de werkelijkheid.” zegt Atilio Borón. Hij is professor politieke theorie aan de Universiteit van Buenos Aires en uitvoerend secretaris van het Consejo Latino Americano de Sciencias Sociales (het Clasco). Gelezen in Punto Final (www.puntofinal.cl), n°593, Chili, 10 juni 2005.
3) ‘Siete ensayos de interpretacion de la realidad peruana’, José Carlos Mariategui, 1928
4) ‘Panamerican Gathering in Defence of Rights, Land Reform and Industries called for December 8-10’
5) Jorge Martin, ‘Eerste Latijns-Amerikaanse samenkomst van bedrijven onder arbeiderscontrole’
6) Revsista n° 20 del Obersvatorio Social de America Latina. Online te lezen op www.clasco.org.ar
7) www.catapa.be

Dit artikel zal ook verschijnen in de volgende Vredescahier van www.vrede.be.