I. Het historisch karakter van de koopwarenproductie en de voorwaarden voor het ontstaan van de kapitalistische productiewijze

1. Het historisch karakter van de koopwarenproductie

Een belangrijke eigenschap van de kapitalistische productiewijze is dat zij gekenmerkt wordt door een veralgemeende koopwarenproductie. Men is vandaag zo gewend aan het bestaan van een markteconomie, waarin de goederen de vorm aannemen van koopwaren die geproduceerd worden voor verkoop op de markt, dat men de indruk krijgt dat deze toestand noodzakelijk en onvermijdelijk is. Nochtans leert een historische beschouwing van de ontwikkeling van de menselijke samenleving dat deze gedurende duizenden jaren structuren heeft gekend waarin dit niet het geval is. In primitievere vormen van maatschappelijke organisatie worden goederen alleen geproduceerd voor rechtstreeks verbruik. Zij worden niet verhandeld. Het zijn geen koopwaren.

Een koopwaar is, per definitie, een goed dat door zijn bezitter wordt aangeboden ter verkoop (of in Marx’ woorden ter realisatie op de markt). Elke koopwaar bezit twee fundamentele eigenschappen : zij heeft een gebruikswaarde en zij heeft een ruilwaarde. (Marx volgt hierin Adam Smith die spreekt over ‘value in use’ en over ‘value in exchange’)

De gebruikswaarde slaat op het geheel der fysieke eigenschappen die tegemoetkomen aan menselijke behoeften. In primitieve vormen van maatschappelijke organisatie vervaardigen de producenten uitsluitend gebruikswaarden die hun eigen behoeften dekken. In een markteconomie daarentegen worden koopwaren geproduceerd die tegemoetkomen aan de behoeften van anonieme kopers. De behoeftebevrediging vindt in dit geval slechts plaats na aankoop op de markt van door anderen geproduceerde koopwaren.

De ruilwaarde slaat daarentegen op de tegenwaarde die voor een koopwaar bekomen kan worden. In een markteconomie is het uitsluitend de ruilwaarde die betekenis heeft voor de aanbieder van een koopwaar en deze geldt als basis voor haar productie.

In primitieve vormen van samenleving is de productie beperkt tot het noodzakelijk product. Het noodzakelijk product is de productie die nodig is om de maatschappij toe te laten zichzelf in stand te houden op hetzelfde niveau, door vervanging van het verbruikte voedsel en de opgebruikte productiemiddelen. Pas wanneer er occasioneel voedseloverschotten verworven worden, ontstaat er voor het eerst een vorm van economisch meerproduct of surplus, in de betekenis van een productie hoger dan het noodzakelijk product. Dit economisch surplus zal in eerste instantie nog te gering zijn om, zonder gevaar voor het voortbestaan van de gemeenschap, aan een bepaalde maatschappelijke klasse toe te laten zich te onttrekken aan de productieve taken en louter te teren op het door anderen geproduceerde meerproduct.

Het zijn wel die eerste vormen van economisch meerproduct die aan de basis liggen van de eerste vormen van ruil en aldus van koopwarenproductie. Het betreft hier vooreerst een zuivere ruil in natura, waarbij men producten in overschot met elkaar ruilt. Het in hoge mate toevallig karakter van deze handelstransacties maakt dat men dit kan bestempelen als toevallige of marginale ruil, en de ermee gepaard gaande koopwarenproductie als toevallige of marginale koopwarenproductie.

Naarmate het economisch surplus toeneemt, ontstaat een ontbindende invloed op de bestaande maatschappelijke structuren : - Ten eerste schept de grotere omvang van het economisch surplus de objectieve voorwaarden voor het ontstaan van een klassenmaatschappij, waarbij een heersende klasse kan teren op het maatschappelijk meerproduct geproduceerd door anderen en kan genieten van de mogelijk geworden vrije tijd. - Hiernaast zal oorlogvoering tussen gemeenschappen, waarbij de militair beter uitgeruste en meer krijgsachtige de zwakkere onderwerpen, hele volkeren herleiden tot slavernij. - De vergroting van het meerproduct laat tevens de ontwikkeling van handel tussen dorpsgemeenschappen toe. Zolang het gros van de bevolking echter actief blijft in de landbouw en zij haar opgelegde diensten, renten en belastingen moet presteren of betalen in natura, blijft de koopwarenproductie, zelfs tijdens haar perioden van vroege bloei, ondanks alles relatief beperkt in omvang in verhouding tot de totale maatschappelijke productie. Hierin zal echter verandering komen eens in West-Europa, vanaf de late middeleeuwen (tweede helft van de 14de eeuw) de domeinlanden door de heersende klasse in toenemende mate verpacht gaan worden en de grondrente en belastingen geheven worden in geld. De boeren worden hierdoor rechtstreeks gedwongen tot koopwarenproductie, ter verwerving van het nodige geld om aan hun geldelijke verplichtingen tegemoet te komen. De natuurlijke economie gebaseerd op subsistentielandbouw wordt hierdoor geleidelijk aan vernietigd.

2. Eenvoudige koopwarenproductie en het ontstaan van geldkapitaal

De voor de oudheid en de middeleeuwen kenmerkende koopwarenproductie is pre-kapitalistisch van aard en onderscheidt zich in belangrijke aspecten van de latere meer ontwikkelde vorm van koopwarenproductie onder het kapitalisme. Onder eenvoudige koopwarenproductie vervaardigt de producent een koopwaar om deze op de markt te verkopen tegen geld met de bedoeling er een andere koopwaar (of koopwaren) mee te kopen, ter bevrediging van zijn behoeften. Het geld blijft een ondergeschikt element in het koopwarencirculatieproces: het is louter een instrument dat de warencirculatie helpt vergemakkelijken. De ruil vindt plaats tussen koopwaren van equivalente waarde, door middel van geld. Elk circulatieproces sluit zich af met het verdwijnen van de gekochte koopwaar uit de circulatie. De ganse operatie gebeurt om te voldoen aan verbruikersbehoeften.

Kpw ..........G..........kpw’

De eenvoudige koopwarenproductie wordt gekenmerkt door de volgende drie eigenschappen : - De arbeidsorganisatie wordt gekenmerkt door een eenvoudige arbeidsverdeling (de wever weeft, de bakker bakt, de beenhouwer houwt benen, enz). - De personen betrokken bij de circulatie beschikken nog in hoge mate over hun eigen productiemiddelen. - Geld fungeert in essentie als algemeen aanvaard transactiemiddel dat de ruil helpt vergemakkelijken.

Met de ontwikkeling van de handel treft men, naast de eigenlijke producenten die hun eigen koopwaren verkopen, eveneens een klasse van kooplieden aan. Dit zijn tussenpersonen die zich concentreren op de koop en verkoop van koopwaren. Sommigen gaan hierbij zelfs fungeren als financiers en als wisselagenten. Koop en verkoop kunnen aldus verder van elkaar gescheiden worden in tijd en ruimte. Deze handelaars helpen het koopwarencirculatieproces versnellen. Zij eisen hiervoor een vergoeding onder de vorm van een handelswinst die voorkomt als een distributiemarge tussen de producenten- en de afnemersprijs.

G..........kpw..........G’ = G + ^G

Geld opent de operaties voor de geldbezittende handelaar en geld sluit ze eveneens af. De operaties hebben slechts zin indien de erbij gebruikte hoeveelheid geld is aangegroeid met een winst ^G. Hierdoor neemt het geld voor de geldbezittende handelaar de vorm aan van geldkapitaal, dat aangroeit met de handelswinst doorheen de handelsoperaties. Het verkrijgt voor hem een zelfstandige noodzakelijkheid en gaat hierdoor een autonome rol spelen, naast zijn eigenlijke functie als circulatieinstrument.

In de mate dat het scheppen of creëren van waarde uitsluitend plaatsvindt in het productieproces, en niet in het circulatieproces, kan de handelswinst slechts ontstaan uit een waardetransfer wegens ongelijke ruil ten koste van de producenten en de afnemers. Deze ongelijke ruil zal tenderen sterker te zijn naarmate de verschillen in arbeidsproductiviteit tussen streken groter zijn en er een gebrek is aan kennis van de elders geldende productievoorwaarden.

3. De overgang van eenvoudige naar kapitalistische koopwarenproductie

De overgang van eenvoudige naar kapitalistische koopwarenproductie wordt bepaald door een reeks historische omwentelingen: 1. Een radikale scheiding van producenten en productiemiddelen: Handelskapitalisten gaan proberen om de reguleringen van de ambachten te omzeilen en richten zich op het platteland waar vele boeren in geldnood verkeren. Zo ontstaat de huisnijverheid. De monopoliepositie van de kooplieden als leveranciers van de grondstoffen en als afnemers van de producten, en de concurrentie tussen de in geldnood verkerende huisarbeiders, stelt de kooplieden in staat de huisarbeiders tegen elkaar uit te spelen. Zij kopen de producten beneden hun waarde en boeken enorm hoge winsten bij verkoop. De boeren blijven voorlopig nog in het bezit van hun weefgetouwen maar naarmate de ruilvoorwaarden verder in hun nadeel evolueren, worden sommigen gedwongen hun weefgetouwen te verkopen. De huisarbeiders worden zo gescheiden van hun productiemiddelen en in de praktijk herleid tot loonarbeiders. Tegelijkertijd wordt de stedelijke ambachtelijke nijverheid geconfronteerd met steeds heviger wordende concurrentie vanwege de huisnijverheid. Ook de ambachtslieden zullen zo meer en meer gedwongen worden tot loonarbeid in dienst van anderen. Gebruik makend van het groeiend aanbod van werkwillige loonarbeiders gaan bepaalde handelskapitalisten, financiers en succesvolle ambachtslieden ondernemingen oprichten met grotere werkplaatsen (schaalvoordelen en permanente disciplinerende controle). Hierbij ontstaat een waarachtige kapitalistische productieverhouding in de productiesfeer, waarbij de kapitalistische ondernemer, als bezitter van de productiemiddelen, aan het hoofd komt te staan van een onderneming en hierin arbeiders tewerkstelt tegen een loon die volkomen gescheiden zijn van de productiemiddelen. Hij doet dit met de bedoeling winst te boeken door de arbeiders een lager loon uit te betalen dan de waarde die ze voor hem in de productie helpen creëren. Deze scheiding van productiemiddelen en producenten, en de erdoor in de hand gewerkte kapitalistische productieverhouding, zal tenslotte verder geconsolideerd worden door de industriële omwenteling. 2. De uitdrijving van een gedeelte van de boeren van de grond en de toename van het agrarisch surplus : Vanaf de late middeleeuwen gaan een toenemend aantal feodale heren, omdat ze in geldnood zitten, hun grondrenten en belastingen in natura omzetten in verplichtingen in geld, wat de koopwarenproductie doet binnendringen in de dorpsgemeenschappen. Verder vindt er een geleidelijke juridische vrijmaking van de lijfeigenen plaats en wordt de grond in toenemende mate in grotere percelen verpacht aan een beperkter aantal pachters (in pogingen om de agrarische productie op te drijven). Ook wordt er overgeschakeld op meer renderende en minder arbeidsintensieve teelten, betere bemesting en periodieke teelten (groene revolutie). Zo ontstaat een agrarische overschotbevolking die onverbiddellijk wordt uitgestoten van de grond. Deze uitgestoten boeren worden massaal gedwongen tot migratie naar de steden waar zij het gros van het nieuwe fabrieksproletariaat gaan vormen. 3. De primitieve accumulatie van het kapitaal : De derde grote voorwaarde voor de overgang van eenvoudige naar kapitalistische koopwarenproductie is te vinden in de zgn. oorspronkelijke of primitieve accumulatie van geldkapitaal in handen van de opkomende burgerlijke klasse, die bereid is dit te investeren in de industrie. Deze oorspronkelijke of primitieve accumulatie van geldkapitaal vloeit in de eerste plaats voort uit de handel en het kredietwezen, waar kooplieden en financiers geld vergaren door middel van ongelijke ruil, en hiermee gepaard gaande waardetransfers ten koste van de producenten, afnemers en schuldenaars.

II. De marxistische arbeidswaarde- en meerwaardeleer

1. De arbeidswaardeleer, het economisch surplus en de verklaring van de winst in de klassieke politieke economie

In de mercantilistische school was men er hoogstens in geslaagd tot een rudimentaire waardeleer te komen, gebaseerd op de productiekost en de arbeidskost. De grondrente bv werd beschouwd als een vergoeding voor het ter beschikking stellen van de grond. Zij werd veelal opgevat als een kostbestanddeel van de betrokken agrarische producten. De kapitalistische winst werd opgevat als een vergoeding voor het initiatief, doch zij werd niet verklaard op basis van deze waardeleer. Men suggereerde dat de winstmarge ontstond in de handel, door toevoeging aan de productiekost. Er was zodoende een onverenigbaarheid tussen het winstverschijnsel en de verkoop van koopwaren tegen hun waarde. Winst kon in deze optiek slechts verklaard worden door ongelijke ruil. Een coherente waardeleer m.b.t. de kapitalistische koopwarenproductie moet echter verenigbaar zijn met een verklaring van de winst en de grondrente in een context waar gelijke ruil plaatsvindt, d.w.z. waar de respectievelijke koopwaren verkocht worden tegen hun waarde.

Een stap in de goede richting werd gezet door de fysiocraten. Zij definieerden voor het eerst op klare wijze het begrip economisch surplus of meerproduct, gedefinieerd onder de benaming ‘produit net’. Dit ‘produit net’ ontstaat in de productiesfeer en niet in de handels- of circulatiesfeer. Wegens hun eenzijdige klasseoriëntatie, alsmede de nog in hoge mate agrarische aard van de Franse economie, begingen zij hierbij echter een essentiële flater. Zij stelden het maatschappelijk meerproduct gelijk aan het agrarisch meerproduct, met als gevolg dat alleen landbouwactiviteiten als productief werden beschouwd. Zij konden hierdoor alleen de grondrente verklaren, als het inkomen dat overeenstemt met het fysisch meerproduct boven wat nodig is om agrarische reproductie toe te laten. Zij legden dit uit als een gift van de natuur en niet als een product van de maatschappij, zij verklaarden de grondrente als een product van de relatie tussen mens en grond en niet als een product van de heersende sociale verhoudingen. De waarde van de goederen werd aldus bepaald door hun productiekost (de vergoeding van de eraan bestede arbeid), plus de erin vervatte grondrente. Kapitalistische winst in de industrie bleef verklaard uit ongelijke ruil.

Aanzienlijke vooruitgang in de ontwikkeling van een coherente waardeleer en een theorie van het economisch surplus zou geboekt worden door de Britse klassieke politieke economie. Adam Smith zou in zijn ‘An inquiry into the nature and the causes of the wealth of nations’ de waardeproblematiek benaderen door zich eerst en vooral te concentreren op een fictieve vorm van eenvoudige koopwarenproductie. Op logisch-deductieve wijze toont hij aan dat de ruilwaarden die overeenstemmen met natuurlijke evenwichtsprijzen bepaald worden door de gemiddelde noodzakelijke arbeid vervat in de betrokken koopwaren. De marktprijzen fluctueren hierrond door de werking van de wet op vraag en aanbod. In de complexere vorm van kapitalistische koopwarenproductie lijkt Smith in eerste instantie te suggereren dat dit nog steeds het geval is. Gezien de kapitalistische ondernemer zijn kapitaal slechts zal aanwenden in een productieproces met het oog op winst, zal de “waarde die de arbeiders toevoegen aan de materialen daarom bestaan uit twee delen, die respectievelijk overeenstemmen met de lonen en de winsten...” Zowel de winst als de grondrente zijn bestanddelen van het economisch surplus. Het economisch surplus is m.a.w. niet meer iets dat er bij komt, een gift van de natuur, maar veeleer iets dat afgetrokken wordt van de waarde geproduceerd door de arbeiders. In evenwicht worden de goederen verkocht en gekocht tegen hun ruilwaarde bepaald door de erin vervatte arbeid, en nochtans is er een economisch surplus.

David Ricardo gaat de waardeleer verder uitwerken in zijn ‘On the Principles of Political Economy and Taxation’. Ricardo maakt hierin van bij aanvang duidelijk dat zijn waardeleer louter betrekking heeft op geproduceerde (waarmee hij bedoelt reproduceerbare) goederen. Klaarder en consequenter dan Smith toont hij aan dat de verhouding tussen de natuurlijke prijzen van respectievelijke goederen overeenstemt met de verhouding van de ruilwaarden. En die ruilwaarden worden bepaald door de erin vervatte hoeveelheid noodzakelijke arbeid. Deze laatste bestaat uit de directe arbeid toegevoegd tijdens de periode onder beschouwing en de indirecte arbeid vervat in de opgebruikte productiemiddelen. Winsten en grondrenten kunnen slechts worden verklaard als bestanddelen van een economisch surplus ontstaan door deductie van de waarde gecreëerd door de arbeiders. Ricardo drukt alle prijzen uit in een goudgoed, dat zelf geproduceerd wordt en dat fungeert als waardemeter. Hij toont aan dat binnen de logica van de arbeidswaardeleer veranderingen van de lonen (in goud) geenszins de natuurlijke prijzen (in goud) zullen wijzigen, in tegenstelling tot wat een waardeverklaring op basis van de kostbestanddelen zou suggereren. Alleen de inkomensverdeling tussen winsten en lonen zal hierdoor veranderen. Het is duidelijk dat slechts in het geval dat de winsten gelijk aan nul zijn de ruilwaarden overeenstemmen met de natuurlijke prijzen. Een toename van het winstaandeel doet de natuurlijke prijzen meer en meer afwijken van de arbeidswaarden.

2. De arbeidswaardeleer als fundering van de marxistische meerwaardeleer

Marx zou de klassieke arbeidswaardeleer verder ontwikkelen en gebruiken ter fundering van zijn meerwaardeleer ter verklaring van de kapitalistische winst. Volgens Marx is het de gemiddeld sociaal noodzakelijke hoeveelheid abstracte arbeid die besteed wordt aan de koopwaar bij de heersende productievoorwaarden die bepalend is voor de ruilwaarde. De ruilwaarde, d.w.z. de tegenwaarde waartegen de koopwaar geruild kan worden, is zelf niets anders dan de kwantitatieve uitdrukking van de waarde. Zoals correct ingezien door Smith & Ricardo, is de enige eigenschap die respectievelijke (reproduceerbare) koopwaren gemeenschappelijk hebben, het feit dat zij het product zijn van menselijke arbeid. Zij zijn niet alleen het product van respectievelijke types van specifieke arbeid of concrete arbeid, wat ze nog niet vergelijkbaar hoeft te maken. Maar al deze types van concrete arbeid zijn zelf niets anders dan verschijningsvormen van een meer fundamentele onderliggende vorm van arbeid: abstracte arbeid. D.w.z. een product van tijdvergende menselijke inspanning.

In elke vorm van maatschappelijke arbeidsorganisatie, gekenmerkt door een stel specifieke productievoorwaarden, verkrijgt deze abstracte arbeid een sociaal karakter door aanwending binnen het kader van de bestaande arbeidsverdeling. In het geval van koopwarenproductie vormt deze abstracte arbeid logischerwijze de objectief aanvaardbare basis waarbij vrijwillig (?) aangegane ruilrelaties plaatsvinden. Zij ligt aan de basis van de waarde. De gebruikswaarde van een koopwaar, net als de gebruikswaarde van alle dingen, ongeacht of het al dan niet koopwaren betreft, vloeit daarentegen voort uit zijn fysische eigenschappen en weerspiegelt louter een relatie tussen de verbruiker en het goed onder beschouwing. Zij drukt geenszins een sociale relatie uit tussen de producenten en kan zodus geenszins aan de basis van de waarde liggen.

In de middeleeuwse steden, die de theoretische toestand van eenvoudige koopwarenproductie het dichtst benaderen, stond de maatschappelijk noodzakelijke hoeveelheid arbeid expliciet opgetekend in de keure, zodat zij door iedereen gekend was. Dit vormde een garantie dat de verschillende koopwaren geproduceerd door de verschillende ambachten tendentieel geruild werden tegen ruilwaarden die evenredig waren met de erin vervatte arbeid.

Opm.: We hebben te maken met de gemiddeld sociaal noodzakelijke arbeidstijd en niet met de eigenlijke arbeidstijd gebruikt door de individuele producent. Producenten die, wegens het gebruik van inefficiënte productiemethoden, meer arbeidstijd nodig hebben dan het gemiddelde voor de industrie, zullen hun koopwaren moeten verkopen beneden hun individuele waarde, en het omgekeerde geldt voor de producenten die produceren op efficiëntere wijze dan gemiddeld. Er zal hierdoor een waardetransfer plaatsvinden binnen de productiesector, van de minst efficiënte naar de meest efficiënte producenten.

Opm.: Verschillen in kwalificatie tussen respectievelijke types concrete arbeid: Alle arbeid van een hoger of ingewikkelder karakter dan de doorsnee is de aanwending van arbeidskracht van een meer kostelijk type arbeidskracht waarvan de productie meer tijd en arbeid heeft gekost, en daarom van een hogere waarde dan deze van ongeschoolde of eenvoudige arbeidskracht. Aangezien deze arbeidskracht van een hogere waarde is, is haar productief verbruik van een hogere klasse en schept zij tijdens hetzelfde tijdsbestek een hogere waarde dan ongeschoolde arbeid.

3. De meerwaardeleer

Een essentiële voorwaarde voor de overgang van eenvoudige naar kapitalistische koopwarenproductie is te vinden in de scheiding van productiemiddelen en producenten (onstaan van twee klassen). Het wezenlijke van de kapitalistische koopwarenproductie bestaat er dan in dat de meerderheid van de bevolking, de bezitsloze arbeiders, om aan een inkomen te geraken, geen andere keuze hebben dan hun arbeidskracht te verkopen aan de kapitalistische bezitters van de productiemiddelen. Achter de ogenschijnlijk vrijwillig aangegane ruilrelatie tussen arbeider en kapitalist schuilt m.a.w. in feite een dwangrelatie, die voortvloeit uit de ongelijke bezitsverhoudingen. Hierdoor ontstaat een inherent ongelijke machtsverhouding in het loononderhandelingsproces, die de kapitalist in staat stelt de arbeider meer arbeid te laten presteren dan de waarde die hij hem vergoedt onder de vorm van loon (= de reproductiekost van de arbeider). Het verschil tussen de eigenlijk gepresteerde en de vergoede hoeveelheid arbeid is de meerarbeid, en de waarde ervan de meerwaarde. Zij ligt aan de basis van de kapitalistische winst.