Terwijl het moment dichterbij kwam waarop de Filippijnse president Gloria Macapagal Arroyo haar jaarlijkse beleidsverklaring zou voorstellen, bezette een groep van 296 soldaten (70 lagere officieren en 226 soldaten van het Filippijnse leger) op 27 juli ll. het Oakwood Premier luxehotel in het Ayala Center, een financieel district van Manila. Zij eisten dat de gehele regering ontslag zou nemen. De rebellen beschuldigden president Macapagal Arroyo en minister van Defensie Reyes van corruptie en van het ondersteunen van terroristische bomaanslagen in Mindanao. Ze klaagden ook over hun lage lonen en over ondermaatse huisvesting voor de troepen. Het ging hier over een openbare, spectaculaire en duidelijke beschuldiging van corruptie tegen het burgerlijke regime en haar oorlog tegen het terrorisme.

De muitende soldaten gaven zich zo’n 20 uur later evenwel terug over, zodat hun actie eindigde zonder bloedvergieten. Hierna werden 348 mensen opgepakt terwijl twee officieren en vijf betrokkenen nog op vrije voeten zouden zijn. Uiteindelijk werden 321 soldaten beschuldigd van rebellie voor een burgerlijke rechtbank. De militaire stafchef Generaal Narciso Abaya zei tegen de pers:

“We hebben het grootste gedeelte, zeker wat betreft de harde kern, reeds opgepakt (...) De rebellen kwamen van over het gehele land en werden gerekruteerd uit verschillende elite-eenheden, waaronder het First Army Scout Rangers Regiment, de Navy’s Special Warfare Group, de Reconnaisance Force of the Marines en ten minste twaalf officieren van de luchtmacht.”

De eisen van de muitende soldaten

De meest sensationele stelling van de officieren die rebelleerden op 27 juli is dat de minister van Defensie, Angelo Reyes, en Brigadier-Generaal Victor Corpus, hoofd van de militaire spionage, verantwoordelijk zijn voor de terroristische aanslagen op de Davao-luchthaven en op verschillende werven in Mindanao op 4 maart en 3 april 2003. De officieren die rebelleerden, de meeste met gevechtservaring in Mindanao, stelden dat veel van hun kameraden die stierven in Davao gedood werden door het zeer corrupte leger. Zij stelden ook dat de bomaanslagen in Davao opgezet waren door agenten van de regering met de bedoeling om het Moro Islamic Liberation Front (MILF) te brandmerken als terroristen en zo meer fondsen voor antiterrorisme los te krijgen van de VS. Volgens deze beschuldigingen zit president GMA achter deze strategie die erop gericht is om meer financiële steun los te krijgen van George Bush. De officieren beschuldigden ook de regering van het plannen van bomaanslagen in de straten van Manila, zodat later de noodtoestand uitgeroepen kon worden en president Macapagal ook aan de macht zou kunnen blijven na 2004. Parlementslid Prospero Pichay ging zelfs verder en suggereerde dat de bomaanslagen in Davao veel te goed georganiseerd waren om door de terroristen van Abu Sayyaf uitgevoerd te zijn. Hij beschuldigde het leger ervan wapens en munitie te verkopen aan guerrilla’s op de zuidelijke archipel Mindanao.

De driehonderd rebellen eisten het volgende:
1. Het verwijderen van de leiding van het corrupte Filippijnse leger.
2. Stopzetting van het staatsterrorisme door het veroordelen van de door de staat geplande bomaanslagen in Davao op Mindanao, waar verschillende onschuldige burgers werden gedood nadat de verantwoordelijkheid voor die aanslagen bij het MILF was gelegd.
3. Stopzetting van de politiek waarbij soldaten worden opgeofferd om nadien politieke wetten zoals de antiterreurwetten en de noodtoestand te rechtvaardigen.
4. Een beter statuut voor de soldaten, meer in het bijzonder een vermindering van de loonverschillen tussen de diverse niveaus.

De dag na de muiterij, op maandag 28 juli, was er een gezamenlijke meeting van linkse groepen in Manila om te protesteren tegen de beleidsverklaring van de president. Er waren meer dan 5.000 deelnemers op die meeting. Op 29 juli was er een nieuwe meeting van 3.000 arbeiders, georganiseerd door de vakbond Solidarity of Philippines Workers (BMP). Beide meetings eisten dat de regering Arroyo tegemoet zou komen aan de eisen van de soldaten.

Wat leidde een groep van jonge officieren wiens carrière in het leger eigenlijk verzekerd was, ertoe om alles op het spel te zetten in een muiterij die uiteindelijk slechts 20 uur duurde? Wij denken dat de muiterij van 27 juli geen toeval is. De muiterij is de uitdrukking van een groeiend ongenoegen in het leger, meerbepaald onder jonge soldaten. Zij hebben ervaren dat de burgerlijke staat hen slechts gebruikt als kanonnenvlees en daarom beslisten zij om de leugens achter de oorlog tegen het terrorisme bloot te leggen. Ze hadden er genoeg van en wilden dat het volk hiervan zou weten. De kracht van hun actie is dat zij de eersten zijn die opkomen tegen de verschrikkelijke burgerlijke propaganda van staatsrepressie na de aanslagen van 11 september. Wij denken dat hun actie een katalysator kan worden voor een wijdverspreide discussie binnen het leger en onder de jeugd en de arbeidersklasse van de Filippijnen. De verklaringen van president Arroyo en van hoge militairen, die de beschuldigingen van de muitende soldaten van tafel vegen, zullen linkse militanten niet verblinden. Bijna alle linkse groeperingen, van de mao-stalinisten van het CPP-NDA-NDF tot de grote centrumvakbond BMP, hebben de muitende officieren gelukgewenst met hun actie. Als je gaat kijken op het forum van de Inquirir [een Filippijnse krant, n.v.d.r.], dan vind je onder meer de volgende commentaren:

“Het is niet langer nieuws. We weten allemaal dat de regering rot is van de corruptie. Zelfs het kleinste kind weet dat. De rebellen waren moedig genoeg om dit probleem aan de kaart te stellen en daarom groet ik hen.’ Getekend: N.C. vanuit Manila.

“Zij hadden de ballen en het inzicht. Rizal zei dat de jeugd de hoop is van ons land. Zij kwamen op voor hun eer en waardigheid en bestreden de corruptie van de regering. Zij hadden geen schrik om hun gedacht te zeggen, wat de geest van de vrijheid is.” Getekend: M.T.C., professor psychologie vanuit Palawan.

De gangstermethoden van de regering van president Arroyo

Kunnen we de beschuldigingen van de muitende soldaten geloven? Wij denken van wel. De Filippijnse regering heeft meermaals laten zien dat zij er niet voor terugschrikt om gangstermethoden te gebruiken. De huidige Filippijnse regering steunt nog altijd, net zoals de voorgaande, de rechtse milities van de GUAC (Geographic Unit of Armed Citizens) die regelmatig aanvallen uitvoeren op vakbonden en socialistische militanten. Tegelijkertijd laat de regering toe dat het patronaat eigen milities organiseert om arbeiders te vermoorden. Elk jaar worden er zo een 1.200 moorden uitgevoerd. President Arroyo is deze traditie niet gestart, maar zij heeft ook niets gedaan om ze te stoppen. Het leger en de GUAC werken hierbij vaak samen in Mindanao. Wie zijn dan de echte terroristen?

Sommige feiten leggen de laffe praktijken van de burgerlijke regering van president Arroyo helemaal bloot. Vorig jaar startte de regering vredesgesprekken met de groep RPM-RPA-(ABB). Dit is een kleine groep die is voortgekomen uit de splitsing van de CPP [de Communistische Partij van de Filippijnen, n.v.d.r.] gedurende de jaren ’90, die een gewapende vleugel heeft uit opportunistische overwegingen. Terwijl de RPM-RPA-(ABB) zo de regering een rechtvaardiging geeft voor haar oorlog tegen het terrorisme, vullen zij hun zakken met geld van de regering (een financieel pakket dat voortkomt uit de vredesonderhandelingen). De regering geeft zelf openlijk toe dat zij wapenvergunningen heeft afgeleverd voor strijders van de RPM-RPA-(ABB). Deze strategie van collaboratie en capitulatie werd in de hand gewerkt door de zogenaamde goede wil die deze groepen hebben laten zien voorafgaande aan de vredesgesprekken: zij voerden een operatie ‘pinta’ in de straten van Manila, waarbij ze muren beschilderden met de leuze dat de CPP-NPA [de NPA is de guerrilla van de CPP, de National People’s Army, n.v.d.r.] terroristen zijn en de regering opriepen om hen met harde hand te bestrijden. De RPM-RPA-(ABB) startte zelfs een campagne met anonieme pamfletten waarin ze de namen van de leiders van de socialistische partij PMLP vrijgaven en hen beschuldigden van corruptie en gangsterpraktijken. Het spreekt voor zich dat deze campagnes de steun hebben van de regering. Hun strategie is er op gericht om zowel de socialistische partij als de mao-stalinistische partij in de Filippijnen te ondermijnen. Wij noemen dit een terroristische campagne omdat het duidelijk is dat elementen van de RPM-RPA-(ABB) worden ingezet om socialistische militanten fysiek aan te vallen. Op die manier handelen de zogenaamde communisten van de RPM-RPA-(ABB) eigenlijk als fascisten.

Hoe omschrijf je dan een regering die dergelijke elementen ondersteunt en met hen dweept, net zoals ze met de GUAC doet?

De benarde situatie van de Filippijnse soldaten

“Ik heb acht jaar legerdienst gedaan in Mindanao,” vertelde een officier van de rebellen aan de New York Times (editie van 28 juli). “Ik heb mijn vrienden zien sterven, maar had hun dood enige waarde? Ik vind dat ze voor niks gestorven zijn.”

Iemand die veel gebruik maakt van de taxi in de Filippijnen, zal merken dat sommige taxichauffeurs ex-soldaten zijn. We hebben onlangs nog met een van hen, die marinier in Mindanao was geweest, gediscussieerd. Hij vertelde ons dat het een dwaasheid is om bij het leger te gaan, aangezien je elke dag je leven moet wagen voor enkele peso’s en je niet de belangen van het volk, maar van enkele corrupte politici en militairen moet dienen. Bovendien zei hij dat de mensen in Mindanao veel meer schrik hebben voor het leger dan voor de guerrillabeweging. Het grootste deel van de lokale bevolking steunt nog steeds de guerrilla. Veertig procent van de slachtoffers van de militaire repressie zijn burgers.

Volgens Ramani Da Silva, lid van de PMP (Filippijnse Arbeiderspartij), zijn de rebellen een uitdrukking van een nieuwe generatie soldaten die terecht ontevreden zijn met de situatie in het leger. Het zijn jonge officieren die in ’95, ’96 en ’97 van de Filippijnse Militaire Academie afstudeerden. De top deed geregeld een beroep op hen in de onsuccesvolle oorlog tegen het Moro-volk in Mindanao. Deze oorlog had een diepe impact op het hele leger. Volgens Da Silva toont de recente muiterij aan dat er grote verschillen bestaan binnen het leger, vooral tussen de basis en de hoge officieren. Terwijl de gewone soldaten een karig loon krijgen en naast de militaire kampen in sloppenwijken wonen, leiden de generaals het leven van een kapitalist en verdienen ze grote sommen geld door afpersing, kidnapping en omkoperij. Da Silva wijst bovendien op het ongenoegen dat bij de Filippijnse soldaten bestaat over de deelname van Amerikaanse troepen aan het conflict in Mindanao. Deze ontevredenheid zal niet gemakkelijk te sussen zijn en in de toekomst zullen er onder de gewone soldaten nog uitbarstingen van misnoegdheid volgen.

Corruptie tiert welig onder de hogere officieren. De financiële ‘steun’ die de VS aan de Filippijnen geeft, wordt aangewend voor militaire uitrusting en training, en politieke corruptie. De gewone soldaten en de meeste lagere officieren leven in slechte omstandigheden. Een soldaat krijgt 5.775 peso’s (zo’n 106 dollar) per maand. De soldaten geloven dat de regering hen enkel als kanonnenvoer gebruikt en als een instrument om Mindanao te onderdrukken. De werkloosheid dwingt jongeren om in het leger te gaan.

De manschappen van het leger bestaan uit kinderen van de arbeidersklasse. Hierdoor kon de staat het leger voorheen nooit gebruiken tegen de revoltes en betogingen van het volk in 1986 en 2001 in hoofdstad Manila. Honderden jonge officieren en soldaten, zelfs van elitekorpsen, startten twee jaar geleden een discussie over de benarde situatie van het leger. De massademonstraties Edsa II en III inspireerden hen en hun discussie verplaatste zich naar politieke doelstellingen. We hebben deze gebeurtenissen reeds geanalyseerd, dus je kan ze in ons vorig artikel ‘The tasks of Filipino socialists after the Edsa II and III uprisings’ lezen om de sociale en politieke achtergrond en perspectieven beter te begrijpen [lees ook het artikel ‘Filippijnen: massastrijd dwingt de president tot ontslag’ voor meer achtergrond, n.v.d.r.]. Nieuwe volksopstanden tegen de regering zullen gauw aan de orde van de dag zijn en progressieve legertroepen zullen voor een nieuwe keuze staan, namelijk de mogelijkheid om de klassenstrijd tegen het kapitalisme effectief te vervoegen. Dit zal een nieuwe ontwikkeling vormen in de geschiedenis van de klassenstrijd in de Filippijnen. Edsa IV komt eraan, de legerbasis en jonge officieren zullen niet alleen sympathiseren met de betogers, ze zullen ook deelnemen aan hun acties. Dit zal de arbeidersklasse van een nieuw wapen voorzien: de beste elementen van de legerbasis en een reële kans om de revolutie te wapenen tegen de rechterzijde die de politie en het leger domineert.

We kijken hierbij terug op de gebeurtenissen in Venezuela in 1992. President Hugo Chavez Frias leidde toen als linkse legerofficier een staatsgreep. Hij wilde Venezuela bevrijden van corrupte politici en een progressieve regering installeren om de positie van de arbeidersklasse en de stedelijke armen te verbeteren. Maar zijn plan faalde en hij werd enige tijd opgesloten. Gedurende de volgende vier jaar nam zijn populariteit toe en daarna won hij zes politieke verkiezingen en referenda in de loop van een revolutionair proces. De massale steun van de Venezolaanse arbeidersklasse en stedelijke armen heeft ondertussen al twee coups door de bourgeoisie en het Amerikaanse imperialisme verslagen [lees voor meer informatie onze artikels over Venezuela, n.v.d.r.].

De eisen van de Filippijnse rebellerende officieren en soldaten hebben een sterk democratisch karakter. Ze willen terecht de corruptie bevechten en een einde maken aan de ‘oorlog tegen terrorisme’, die een permanente campagne is van de regering Arroyo. Wij steunen hun eisen volledig. Nu betalen zij de prijs voor die eisen in de gevangenis. Wij dringen er bij alle Filippijnse socialisten en soldaten op aan om de vrijlating en onvoorwaardelijke vrijheid van de 355 officieren en soldaten te eisen, aangezien geen van hen een moord noch enige andere misdaad pleegde. Hun eisen zijn volledig gerechtvaardigd. Hun aanklacht tegen het rotte regime van Arroyo zou zich moeten uitstrekken naar het Amerikaanse imperialisme, dat de vader is van het beleid van de Filippijnse regering. Eigenlijk veroordeelde het Amerikaanse imperialisme hun demonstratie zelfs snel: Joanne Moore, woordvoerster van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken verklaarde officieel dat niemand er moest aan twijfelen dat de VS de legitieme regering in de Filippijnen volledig steunen. Verder zei ze: “Laat het duidelijk zijn dat een militaire coup onmiddellijke negatieve gevolgen zou hebben, met inbegrip van gevolgen voor de bilaterale relaties.” Wat een hypocrisie! De regering Bush steunt immers niet alleen de corrupte regering Arroyo in de Filippijnen, maar ook elke poging tot staatsgreep om de veel democratischere regering van Chavez in Venezuela gewelddadig ten val te brengen!

De motieven voor een ‘oorlog tegen het terrorisme’ in de Filippijnen

Na de opstand van 27 juli besefte elke Filippijnse arbeider en soldaat de waarheid. De voortdurende ‘oorlog tegen de terreur’ is een voorwendsel om niet alleen de arbeiders van Mindanao uit te buiten, maar ook elke andere vakbond of socialistische groep in het land te onderdrukken. Op zondag 27 juli verklaarde president Arroyo de ‘staat van beleg’ die als excuus diende om het democratische staking- en betogingrecht te verbieden. Ze wilde elke solidariteitsactie met de rebellen vermijden. De president is zich immers goed bewust van het gebrek aan steun voor haar regering. Al onmiddellijk na haar machtsovername in februari 2001 was haar populariteit snel gedaald. In de volgende maanden zullen de soldaten geen verbetering in hun levensomstandigheden zien. Het geld van de VS zal de zakken van de burgerlijke politici en de corrupte hoge legerofficieren blijven spijzen. De vervolging van het volk in Mindanao zal voortduren en het aantal Amerikaanse soldaten in het land zal toenemen. Arroyo was een van de eerste Aziatische leiders die de ‘oorlog tegen het terrorisme’ van Washington volledig steunde. Ze liet zo’n 660 Amerikaanse specialisten overkomen om haar troepen te trainen. Toen ze in juli 2002 besloot om in het kader van de guerrillaoorlog Amerikaanse grondtroepen en mariniers in het land toe te laten, nam de minister van Buitenlandse Zaken ontslag.

Het bestrijden van de guerrilla en de terroristische bandieten van Abu Sayyaf is echter enkel een smoes die de werkelijke belangen van Arroyo en het Amerikaanse imperialisme verbergt. De Filippijnse regering wil via deze oorlog ten eerste meer middelen en rechtvaardigingen bekomen voor de onderdrukking van elke rebellie van de arbeiders en soldaten. Ze wil een herhaling van de massaopstanden van 2001 kost wat kost vermijden. Ten tweede steunt de kliek rond Arroyo wegens haar zwakke sociale basis in toenemende mate op de militarisering van het land en de financiële ‘steun’ van de VS. De president wordt door haar familie en aanhangers onder druk gezet om haar belofte te verbreken dat ze volgend jaar niet meer zal opkomen met de verkiezingen. Zonder haar als president hebben ze immers helemaal geen macht. Ten derde dient de ‘oorlog tegen het terrorisme’ als een rookgordijn om de arbeiders van meer dringende zaken af te leiden. Arroyo heeft in 26 maanden reeds twee maal de ‘staat van beleg’ aangekondigd en alles wijst op een toenemende concentratie van de staatsmacht in haar handen. In deze tijden van kapitalistische crisis kan de democratie gemakkelijk in een autoritair regime veranderen. Het is enkel een kwestie welk regime de onmiddellijke belangen van de kapitalistische klasse beter kan dienen. In de woorden van een burgerlijke journalist in Manila:

“De regering Arroyo heeft erop aangedrongen om hen [de rebellen, n.v.d.r.] als terroristen te bestempelen en om een oorlog met hen te voeren. Ze wilde profiteren van de bereidheid van de VS om wapens en steun te leveren aan landen die onder elk bed een terrorist kunnen vinden. Het leger kreeg een groter budget, meer militaire steun en een beslissende rol in het dagelijkse leven. Men hoeft enkel het magische woord ‘terrorist’ uit te spreken en noch de zakenwereld, noch de Kerk, noch de media of de civiele samenleving leggen hen een strobreed in de weg. Dit is een recept voor tirannie. En voor staatsgrepen.”

Voor het Amerikaanse imperialisme is het noodzakelijk om haar autoriteit in Zuidoost-Azië te behouden zodat ze haar economische en strategische belangen in de regio kan verdedigen. Vanuit de Filippijnen kan ze de Chinese Zee, de Indische en de Stille Oceaan controleren. Een directe militaire interventie in deze uiterst strategische locatie dient dus in de eerste plaats om belangen van de VS veilig te stellen. De ‘terroristen’ van Abu Sayyaf zijn gewoon een plaatselijke groep bandieten. De regering Bush wil de steunpunten voor haar imperialistische politiek, waaronder Taipeh [hoofdstad van Taiwan, n.v.d.r.], Manila en Seoul, versterken om haar belangen in het onstabiele Indonesië te verdedigen en om een tegengewicht te bieden tegen de rijzende ster van China.

Mindanao vormt een belangrijke militaire basis, dicht bij Indonesië, en bestaat uit een archipel dat over belangrijke grondstoffen zoals koper, goud, hout, vis en vruchtbare gronden voor plantages beschikt. Zowel het Amerikaanse als Filippijnse kapitalisme zullen elke proletarische en nationale bevrijdingsbeweging in Mindanao als ‘terroristen’ bestempelen en de kop indrukken.

Een revolutionair programma voor de Filippijnse revolutionaire soldaten en arbeiders

De 355 rebellen probeerden met hun daad een massabeweging te ontketenen, net zoals Edsa II in 2001. Maar net zoals Chavez in Venezuela in ’92 werden ze gearresteerd vooraleer ze de regering omver konden werpen. De traditionele methodes van de arbeidersklasse en de armen van Manila verschillen grondig van die van de rebellen. Het is onvoldoende om een luxueus hotel te bezetten in de voorbereiding van een massaopstand: 20 uur later was de revolutie nog niet begonnen en dienden de rebellen zich over te geven. Zeventig van de rebelse soldaten behoorden tot de elitetroepen die op 25 juli het paleis hadden verdedigd tegen het gevaar van een staatsgreep. Reeds de volgende dag deserteerden ze en vervoegden ze de rangen van de rebellen in Makati. Niet alleen de sociale, maar ook de militaire basis van de burgerlijke staat in de Filippijnen is zwak. De eisen van de soldaten (een goed inkomen, democratie, een einde aan de corruptie, een einde van de ‘oorlog tegen het terrorisme’, het ontslag van de regeringsleiders) kunnen niet onder het kapitalistische systeem ingewilligd worden. Corruptie is de logische relatie tussen de kapitalistische economie en burgerlijke politici, aangezien deze laatste groep de belangen van de Filippijnse en Amerikaanse kapitalisten dienen te verdedigen. Wanneer we het einde eisen van de ‘oorlog tegen terreur’, dan vergt dit de terugtrekking van de Amerikaanse troepen en de weigering van elke nieuwe militaire basis op Filippijns grondgebied. Wanneer we het ontslag eisen van alle corrupte politieke en militaire leiders, dan veronderstelt dit de vernietiging van het volledige kapitalistische staatsapparaat, aangezien ze allen corrupt zijn. Wanneer we ten slotte een einde willen maken aan de privileges in het leger, dan eisen we eigenlijk een democratisch leger, wat onverzoenbaar is met de rol als repressieapparaat die het leger in de kapitalistische staat speelt.

Om het debat te voeden moeten we niettemin alle eisen van de soldaten steunen en er nieuwe aan toevoegen. Het is in het belang van de soldaten dat hun eisen samensmelten met die van de arbeiders. Alleen op deze manier kunnen ze tot een overgangsplatform komen dat steunt op de methodes van de werkende klasse.

* Een minimumloon voor soldaten en arbeiders van 15.000 peso’s per maand. Geen enkele officier mag meer dan 20.000 peso’s ontvangen.
* Democratie in het leger en democratie in de fabrieken en bedrijven. Officieren moeten door de soldaten verkozen worden op basis van hun eerlijkheid en hun loyaliteit aan de soldaten. Ze dienen permanent afzetbaar te zijn. In elke fabriek moeten er vakbondsafgevaardigden toegelaten worden die door alle werkers verkozen worden. Volle vakbonds- en politieke rechten in de barakken en de bedrijven.
* Controle van de afgevaardigden van de soldaten over het budget van het leger en arbeiderscontrole over de boekhouding van elk bedrijf dat geen verhoging van de lonen toestaat.
* Einde aan de ‘oorlog tegen het terrorisme’ en einde aan de militaire onderdrukking in Mindanao. Einde aan de anti-arbeidswetten en politierepressie tegen stakingen. Opheffing van paramilitaire organisaties en milities van de bazen en multinationals.
* Terugtrekking van de Amerikaanse troepen uit de Filippijnen en einde aan de ‘staat van beleg’ en de volmachten van de president en het hoofd van het leger.
* Landhervorming voor Mindanao en de rest van het land waardoor de multinationals en de grote landeigenaars onteigend worden en de plantagewerkers een goed loon krijgen. De soldaten moeten de arbeiders en hun familie helpen om deze landen te onteigenen.

Deze democratische eisen zullen door geen enkele burgerlijke regering ingewilligd worden omdat ze de heerschappij van het kapitaal ondergraven en haar controle over het staatsapparaat. Alleen een krachtige mobilisatie van de soldaten en de arbeidersklasse kan deze eisen materialiseren; een landelijke discussie over dit programma kan een dergelijke mobilisatie voorbereiden. Dit is de voornaamste taak van de 355 rebellen, de vakbond en alle socialistische groepen die met de rebelse officieren sympathiseerden.

We moeten een campagne voeren ter oprichting van arbeiders-, soldaten- en werklozencomités die dit platform bediscussiëren en het doorheen de Filippijnen verspreiden. De centrale as van deze campagne is het aan de macht komen van een arbeidersregering, gebaseerd op de comités van soldaten en arbeiders, die deze eisen moet inwilligen. Zo’n regering zou een socialistische regering zijn aangezien zij zich op de arbeiders en soldaten baseert. Op deze wijze konden de sovjets [arbeiders- en soldatenraden, n.v.d.r.] het kapitalisme in Rusland tijdens de Oktoberrevolutie van 1917 omverwerpen. Om het nieuwe regime te verdedigen, zullen de arbeiders en soldaten de aard van het leger veranderen. Het zal niet langer een permanent en onafhankelijk leger van de burgerij zijn, maar een wapen van de arbeiderscomités om zichzelf tegen de krachten van de reactie te beschermen, die zowel in de barrakken als de bedrijven zullen opduiken, en om de regering af te schermen van de kapitalistische privé-milities en buitenlandse militaire interventies.

Over de nationale kwestie in Mindanao

De dertigjarige permanente interventie van het Filippijnse leger in de zuidelijke archipel Mindanao evenals de Amerikaanse militaire interventie stellen opnieuw het recht op zelfbeschikking voor de bevolking aan de orde. Dit is een sleutelthema voor elke socialist en revolutionaire soldaat in de Filippijnen. Nationale rechten zijn iets wat de burgerlijke staten niet zullen verzekeren in dit tijdperk van kapitalisme in verval. Dit geldt voor zowel ontwikkelde kapitalistische landen zoals Spanje (repressie tegen Euskadi) en Engeland (repressie tegen Noord-Ierland) als voor onderontwikkelde kapitalistische landen zoals Indonesië en de Filippijnen in Zuidoost-Azië. Daarom kan alleen de arbeidersklasse voldoen aan de democratische eisen tot zelfbeschikking. In tegenstelling tot de bourgeoisie is de arbeidersklasse de enige klasse die geen enkele sector van de bevolking moet uitbuiten om te overleven. Het is niet in het belang van de arbeiders noch van de soldaten om de mensen van Mindanao te onderdrukken. Integendeel, dit komt ten goede aan de grootgrondbezitters en hun vrienden bij de grote plantages en banken want de repressie laat hen toe makkelijker christelijke en moslimarbeiders uit te buiten.

Het imperialisme verdeelde het gebied van de Moro-eilanden tussen Maleisië en de Filippijnen. Eerst de Spaanse, later Amerikaanse en nu de burgerlijke Filippijnse kolonialisten vinden Mindanao moeilijk te onderwerpen. Geen enkele Filippijnse regering was ooit in staat het verzet van de guerrilla te verpletteren. De geschiedenis van de dominantie over Mindanao was eerst een van semi-slavernij en feodalisme en later kapitalistische exploitatie door multinationals zoals Dole Corporation en de ‘ontbosser’ Mitsubishi Corporation. Kapitalisten en burgerlijke politici deden er alles aan om de arbeiders te verdelen door religieuze discriminatie te gebruiken omdat ze niet willen dat christelijke en islamitische arbeiders zich verenigen tegen het kapitaal. Het nationalistische en reformistische perspectief van de CPP-NPA slaagde er niet in de eenheid van de werkende klasse in Mindanao te promoten en de Filippijnen van het kapitalisme te bevrijden. De militanten van de Moro National Liberation Front (MNLF) en Moro Islamic Liberation Front (MILF) houden niet van de stalinistische benadering van het nationale vraagstuk, vooral omdat ze zich bewust zijn van de bureaucratische verdrukking tegen nationaliteiten in de voormalige Sovjetunie.

De regeringen van Manila, die altijd onder invloed stonden van de kerkelijke hiërarchie, joegen een strategie na van religieuze discriminatie. De nationale verdrukking van de Moro-gemeenschappen op Mindanao produceerde ‘mirakels’. Tussen 1920 en 1970 was het aantal moskees nooit hoger dan zestig, terwijl ze tussen 1970 en 1983 aangroeiden tot 1.500! Zoals marxisten wel eens zeggen, het nationale vraagstuk is fundamenteel een kwestie van brood. Het is een feit dat de stammen van de Lumad en de Moro de eerste inheemse gemeenschappen waren die onteigening door grootgrondbezitters en later kapitalisten ondergingen. Het is evenzo een feit dat tijdens de laatste eeuw zelfs de gronden van de christelijke gemeenschappen werden onteigend door multinationals. In de Filippijnen worden arme mensen van Mindanao (het zuiden) uitgebuit door rijke kapitalisten via hun overheid in Luzon, Tokyo, Seoul en Washington.

Het verzet tegen de verdrukking creëerde het MNLF en het MILF die niets te maken hebben met de bandieten van Abu Sayyaf, die zelf een monsterlijke creatie is van het Amerikaanse imperialisme net zoals de Taliban. De strijd die leidde tot de omverwerping van Marcos tijdens de jaren ’80, wierp tijdelijk vruchten af toen de regeringen van Aquino en Ramos bepaalde concessies moesten doen tegenover de inheemse Moro. Referenda waren toegestaan voor de oprichting van de Autonome Regio van Moslim Mindanao. Veel leiders van de MNLF werden legale politici. Hun moeilijkheden waren geworteld in de economische achterlijkheid van Mindanao en het gebrek aan revolutionair perspectief. Er was geen beweging mogelijk buiten de strijd voor socialistische revolutie. De kleinburgerlijke leiders van de MNLF en de CPP-NPA streden niet voor de revolutionaire eenheid van de arbeiders en dachten daarentegen dat ze Mindanao konden ontwikkelen binnen het kader van het kapitalisme. Dit bleek onmogelijk.

In december 2002 streek de anti-oorlogsbeweging neer in Mindanao. De kleinburgerlijke Movement for Peace among the Peoples of Mindanao (MPPM) organiseerde een conferentie waar de christenen, Moro en Lumad bijeenkwamen. Ze lanceerden een campagne voor een door de VN gesponsord referendum voor de zelfbeschikking van moslims… natuurlijk op kapitalistische basis. Zelfs de MNLF legde haar hoop meer dan eens in de handen van de VN-secretaris. Tevergeefs.

Zowel de regering van Estrada en als die van Arroyo verhoogde de militaire tussenkomst, tot op het punt dat we vandaag zien. De laatste twee presidenten waren degenen die de meeste wapenstilstanden en verdragen verbraken. In de woorden van Eduardo Ermita, de speciale raadgever van Arroyo:

“We zullen de MILF niets meer bieden dan we bij de MNLF hebben gedaan: jobs in het leger en de politie voor sommige leden en enkele lichte wijzigingen aan de autonomiewet.”

Het oplopende conflict zorgde voor de afscheuring van de MILF van de MNLF en zij vechten nu een guerrillaoorlog (net zoals de CPP-NPA) voor het bekomen van een onafhankelijke Islamitische (en kapitalistische) Republiek van Mindanao. Allemaal baseren ze hun beleid op het elementaire programma van landherverdeling onder de kleine boeren, wat een reactionaire eis is aangezien de arbeidsproductiviteit zo heel laag zou blijven en op die manier ook geen klassenloze maatschappij tot stand kan komen. Onze strijd zou gericht moeten zijn op de onteigening van grootgrondbezitters en agro-bedrijven om te komen tot collectief bezit voor de werkenden. Op zich zou dit de inzet van moderne machines in de landbouw vereisen, iets waar alleen de nationalisering van de gehele industrie in de rest van de Filippijnen in kan voorzien.

Daarom strijden wij voor de socialistische revolutie. De enige manier om de linkse soldaten te verbinden met de arbeiders is de strijd voor een gemeenschappelijke zaak: de afschaffing van de kapitalistische staat. We verdedigen het recht op zelfbeschikking van het volk van Mindanao maar vertellen daar ineens bij dat dit onmogelijk is onder het kapitalisme. Een vrijwillige Socialistische Federatie van Filippijnse Nationaliteiten, met autonome regio’s die hun inheemse cultuur, talen en religies ontwikkelen en organiseren, zou voor arbeiders en boeren een veel betere wereld zijn om in te leven. Dit zou een eerste stap zijn naar een Socialistische Federatie van Zuidoost-Azië. Daar vechten wij voor.