De vrouwen, echtgenoten, moeders, zusters of vriendinnen van de mijnwerkers vielen op tijdens de opstandige stakingen. Niet alleen waren ze talrijk aanwezig op de acties en betogingen. Ze vielen ook op door hun hardnekkigheid in de strijd. Zij verhinderen de bedienden te gaan werken. Zij blokkeren de kruispunten en wegen. “We moeten vaststellen dat de vrouwen actiever zijn dan de mannen. Geen stoeten meer met muziek… maar stoeten met vrouwen die roepen in de straat en de mannen aanzetten tot weerstand. Het is net alsof het de vrouwen zijn die de beweging leiden”, stelt de Gazette de Charleroi vast. Een andere krant, Le Pays Wallon, is er niet gerust in. “Hier opnieuw zien we de vrouwen aan het hoofd van de beweging en willen ze de vakbondsdelegee niet aan het woord laten die de arbeiders wou doen begrijpen dat ze zich in een moeilijk parket hadden gebracht door het werk neer te leggen zonder eerst een aanzegging te hebben ingediend… Het gaat de goede kant niet uit, helemaal niet, als de vrouwen er zich mee moeien, het is geen goed teken en de excessen zullen moeilijk te onderdrukken zijn…”

De diepte en omvang van een massabeweging kan je steeds meten aan de mate waarin voormalige passieve, inerte en ‘apolitieke’ groepen uit de arbeidersbeweging worden meegesleurd in de strijd en zelfs een voortrekkersrol gaan spelen. Hoe plots een politieke achterhoede een voorhoede wordt is een goede graadmeter van het revolutionaire karakter van een beweging. Hetzelfde kan men zeggen over de mijnwerkers van het Kempische steenkoolbekken, dikwijls buitenlanders (Polen, Italianen) die zonder de minste strijdtraditie of organisatie voor de eerste keer het werk neerleggen.




Tijdschrift Vonk

Onze boeken

Onze boeken