Een studie van Emanuel Saez, een econoom van de universiteit van California-Berkeley, wijst erop dat het verschil in inkomens tussen de rijken en de armen in de Verenigde Staten hoger is dan het sinds 1917 al geweest is.

De bovenste 10 procent van de Amerikanen verdient nu 50 procent van alle inkomens. Saez stelt: "Het is zo dat het aandeel van de bovenste 10 procent gelijk is aan 49,7 procent, hoger dan het ooit al gelegen heeft sinds 1917. Het ligt zelfs hoger dan in 1928, de piek in de beursstijgingen van de 'roaring twenties'."

Sterker nog, de superrijken hebben veel meer profijt gehad aan recente economische groei. Saez gaat verder: "De inkomens van het rijkste procent groeiden veel sneller, namelijk 5,9 procent per jaar (een stijging van 122 procent in een periode van 14 jaar). Dit betekent dat de inkomens van dit rijkste procent de helft vormen van de totale economische groei in de periode 1993-2007."

Deze statistieken tonen de groeiende polarisatie tussen arbeiders en hun bazen in de Verenigde Staten. Dit staat recht tegenover de Amerikaanse mythe dat iedereen in de 'middenklasse' zit. De waarheid is dat - zoals altijd het geval is geweest onder het kapitalisme - de rijken rijker worden en de armen armer. Of om Marx te parafraseren: zij die niets doen hebben alles en zij die alles doen hebben niets.

De arbeiders zorgen voor alle rijkdom en de bazen gaan met het grootste gedeelte lopen. Tijdens de recente economische opgang zorgde de arbeidersklasse voor nog meer rijkdom dan anders, maar toch kreeg ze er een nog kleiner deel voor terug! Dit duidt op een van de voornaamste tegenstellingen in het kapitalistische systeem.

De enige manier om de groeiende ongelijkheid te beëindigen is door de arbeiders de controle te geven over de overheid en sleutelsectoren van de economie. De economie moet draaien in het belang van iedereen, niet alleen in die van een kleine parasitaire klasse. Dat is waar de WIL [Workers' International League, de Amerikaanse zusterorganisatie van Vonk, nvdr] voor staat.