De Raad van State sprak op 4 februari een arrest uit in het geschil tussen de spoorvakbonden en HR Rail over een opgelegd stakingsverbod. Die uitspraak verdient enige duiding.
Sinds 2018 geldt in de spoorsector de regeling van de gegarandeerde dienstverlening. Vakbonden moeten hun stakingsaanzegging acht werkdagen vooraf indienen, waarna werknemers op hun beurt vooraf moeten melden of ze deelnemen aan de actie. Die informatie wordt gebruikt om een alternatief vervoersplan op te stellen dat gemiddeld 75% van de IC-treinen, 70% van de S-treinen en 25% van de P-treinen laat rijden.
Het spoorwegmanagement evalueert deze regeling vrij positief1 en vraagt slechts beperkte aanpassingen. Voor de bonden ligt de balans waarschijnlijk minder gunstig. Reizigers passen zich aan – thuiswerken, deelauto’s, … – waardoor vakbondsacties aan slagkracht inboeten. Het effect? Wie toch resultaat wil, moet vaker actie voeren. Sinds 1 januari 2025 telde de sector dan ook al meer dan dertig stakingsdagen.
HR Rail zegt ‘njet’
Het gemeenschappelijk vakbondsfront kondigde acties aan op 5, 10 en 12 februari, maar kreeg onverwacht een weigering van HR Rail. De officiële redenen: procedurefouten bij de aanzegging – de details laten we graag voor wat ze zijn – én een aantal extra argumenten.
Volgens HR Rail is het stakingsrecht niet absoluut en botst het met tal van andere rechten: vrij verkeer van diensten en goederen, het recht op mobiliteit, het recht om te werken, ondernemen, gezondheidszorg, recht op contact met familie (?). Deze moeten afgewogen worden tegen het stakingsrecht. Na dertig dagen actie voeren is er volgens HR Rail een onevenwicht. De aangekondigde acties zijn disproportioneel en rechtsmisbruik.
Door de weigering riskeren werknemers die tóch staken een tuchtsanctie. Daarom vroegen de vakbonden aan de Raad van State om een schorsing van het verbod wegens hoogdringendheid, zodat ook het spoorpersoneel kon deelnemen aan de regionale interprofessionele staking.
Minimale dienstverlening door de Raad van State
De vakbonden wezen erop dat het stakingsrecht beschermd wordt door verschillende internationale verdragen. Een weigering zou volgens hen een disproportionele aantasting van dat recht zijn. Maar de Raad van State toetst enkel of er ernstige schade dreigt voor de rechten van de verzoekers wanneer niet onmiddellijk wordt ingegrepen. Op basis van een feitelijke beoordeling vond de Raad dat hiervan geen sprake was. De vraag tot schorsing werd verworpen.
Gevolgen: een interprofessionele staking zonder spoor
Omdat werknemers bij deelname risico liepen op een tuchtsanctie, bleef het spoor op 5 februari buiten de interprofessionele staking. De bonden kunnen uiteraard een nieuwe aanzegging indienen voor volgende actiedagen. Als ze deze keer elke pietepeuterige formaliteit volgen, zou een stakingsverbod juridisch moeilijker verdedigbaar worden. Al weet men nooit welk konijn een Brussels advocatenkantoor uit zijn hoed tovert.
Het probleem zit echter in de wetgeving. Eens de staking juridisch wordt omkaderd, is de werknemer per definitie in het nadeel. De regels worden immers geschreven op het lijf van de ondernemers.
Is dit het begin van het einde?
Sommigen vrezen dat het arrest een voorbode is van de definitieve ondergang van het stakingsrecht. Dat is defaitistisch. De strijd gaat voort.
Het stakingsrecht is geen gunst van de wetgever. Het is een recht dat de arbeidersklasse zich zelf toekent. Geen enkel arrest van de Raad van State kan daar tegenop.