Verschillende onderstromen bepalen het verloop van de klassenstrijd in België aan het begin van dit jaar. Ten eerste zijn er de hardvochtige maatregelen van de federale regering tegen de sociale zekerheid (massale uitsluiting van werklozen en de pensioendiefstal), het arbeidsrecht (zondag- en nachtwerk, annualisering van de arbeidstijd), de overheidsuitgaven en de democratische rechten.
Zoals honger door eten wordt gestild, zo voeden bezuinigingen zich met nieuwe bezuinigingen. Kort na het moeizame begrotingsconclaaf in november, kondigt de premier een nieuwe bezuinigingsronde van 3 tot 4 miljard euro en “tien moeilijke jaren” aan. De bezuinigingen op federaal niveau gaan gepaard met dezelfde bezuinigingen op het niveau van de regionale regeringen.
Daarnaast is er de crisis in de Europese maakindustrie, die ook veel bedrijven in België treft. De industrie, en daarmee ook de bouwsector, kampt al enkele jaren met een recessie. Dit leidt tot duizenden ontslagen. In 2025 zijn zo 15.000 werknemers hun baan in de industrie kwijtgeraakt.
Ten slotte is er de algemene economische malaise waarin de Europese economie terechtkomt, geklemd tussen de Verenigde Staten en China. Door haar historisch zwakke concurrentievermogen kan zij de commerciële penetratie van haar twee belangrijkste concurrenten niet weerstaan. De groeiprognoses voor de economie zullen nauwelijks boven de 1 procent uitkomen. Een economische stilstand.
Uitdaging voor de arbeidersbeweging
De bron van deze destabiliserende tendensen is natuurlijk de langdurige crisis van het kapitalisme. Deze trends kruisen elkaar, versterken elkaar en vormen een uitdaging voor de georganiseerde arbeidersbeweging, zowel op het niveau van de nationale en interprofessionele strijd tegen de regering als op sectoraal niveau. Op sectoraal en bedrijfsniveau wordt nu over de hernieuwing van de collectieve arbeidsovereenkomsten beslist. Op beide niveaus weigeren de regering en de werkgevers hun aloude rol te spelen in de symfonie van het sociaal overleg. In de metaalsector en de handel hebben de bazen de stekker uit het overleg getrokken. Resultaat: geen sectoraal akkoord. In de petroleumsector heeft 95 procent van het personeel de patronale voorstellen verworpen. Het wordt moeilijker dan ooit om tot een akkoord te komen. Eigenlijk zijn de vakbondsleiders de enigen die nog niet hebben begrepen dat het befaamde Belgische sociaal overleg ten einde is. Het is tijd voor klassenstrijd en confrontatie, en niet voor gematigde gesprekken rond de onderhandelingstafel.
Onder druk van de achterban en deels uit zelfbehoud zijn zij genoodzaakt een protestbeweging op gang te brengen. Maar de vakbondsleiders doen dat alleen met één voet stevig op de rem, om te voorkomen dat de situatie uit de hand loopt, dat wil zeggen dat ze de controle verliezen.
Sinds Arizona aan de macht is, zijn de vakbonden, aanvankelijk heel voorzichtig, in de aanval gegaan. Uiteindelijk waren er in 2025 dertien actiedagen, twee grote nationale demonstraties met respectievelijk 100.000 en 140.000 deelnemers, twee 24-uurs algemene stakingen, tientallen stakingsdagen bij de spoorwegen en twee stakingsdagen bij de openbare diensten. Dat is een record, reeds meer dan dertig jaar ongezien. Het is het bewijs, voor zover dat nog nodig was, van de massale afwijzing van de bezuinigingsmaatregelen door de bevolking. De strijdbaarheid van het grootste deel van de arbeidersklasse staat buiten kijf. De regering doet alsof ze niet merkt dat de werkende bevolking boos is. In werkelijkheid vreest ze een sociale explosie. Dat verklaart de kleine concessies op het gebied van pensioenen en de herhaalde interne crises in de regering. Maar de sociale woede heeft nog niet het kritieke punt bereikt waarop ze deze regering kan terugdringen of zelfs ten val kan brengen. Eerlijk gezegd doen de vakbondsleiders veel moeite om te voorkomen dat deze kritieke drempel wordt bereikt. Ze zijn ook bang voor een beweging die ze niet meer onder controle zouden hebben. De actieplannen liggen telkens enkele maanden uit elkaar, zodat de dynamiek die door duizenden vakbondsafgevaardigden en -activisten in de bedrijven is opgebouwd, aan kracht verliest en weer afneemt. Het vuur onder de sociaal explosieve ketel wordt telkens op een laag pitje gezet. Net als in Frankrijk tijdens de strijd tegen de pensioenhervorming hebben onze vakbondsleiders gekozen voor verspreide acties... Deze acties, die zich over vele maanden uitstrekten, leidden tot een afname van de deelname van de werknemers en een onbewogen regering. Het resultaat: de tegenhervorming is er doorgedrukt.
De strijd aangaan
De acties die in februari per regio werden gevoerd, zijn van hetzelfde kaliber. Een deel van de militanten beseft dat dit soort mobilisatie een demotiverend effect heeft. Ze hopen nu de motivatie aan de basis weer op te krikken met het oog op de nationale en interprofessionele demonstratie van 12 maart. Wij zijn van mening dat deze demonstratie inderdaad een succes moet worden. Dat is namelijk de voorwaarde om haar te kunnen gebruiken als springplank om de stakingsdynamiek naar een hoger niveau te tillen, namelijk naar stakingen die kunnen worden voortgezet (of “tot de finish”, om een Belgische term te gebruiken) om de regering ten val te brengen. De val van de regering is de beste manier om haar tot terugtrekken te dwingen.
Bij gebrek aan een interprofessionele beweging die opgewassen is tegen de aanvallen, hebben sommige sectoren besloten niet te wachten. Dat is het geval voor de spoormannen -en vrouwen, wiens stakingen in november andere sectoren hebben aangestoken. Vijf dagen staking in januari illustreren de vastberadenheid van de spoorwegarbeiders. Ze herhalen dit in maart, ondanks de repressie van de directie. Dezelfde vastberadenheid kwam tot uiting tijdens de twaalf dagen durende staking bij het Franstalige overheidstransport, de TEC. In maart en april gaan de bus -en tramchauffeurs van De Lijn 9 dagen staken. De zeeloodsen zijn nu ook opnieuw in actie geschoten en verlammen de havens van Zeebrugge en Antwerpen. Er bestaat ongetwijfeld een grote vechtlust onder de arbeidersklasse. Deze vechtlust kan alleen worden benut met democratische en participatieve strijdmethoden, met een plan voor hernieuwbare stakingen en een programma voor sociale transformatie en voor een arbeidersregering.