De syndicale top van ABVV, ACV en ACLVB heeft met de ondertekening van een nieuw Interprofessioneel Akkoord (IPA) opnieuw gekozen voor de patronale agenda.

Twee procent op twee jaar

Opnieuw wordt de loonnorm bestendigd, ditmaal met een verhoging van 6.4% en 7%. Rekening houdend met een gezondheidsindex van 3.4% enerzijds en de baremaverhoging of anciënniteitvergoeding anderzijds (1%), blijft er een marge over van 2 tot 2.6% over twee jaar, afhankelijk van de sector. In de voorgaande IPA’s was de norm 6.1% (1999-2000) en 5.9% (1997-1998) maar de huidige 6 à 7% betekent geen echte vooruitgang. In tegenstelling tot de vorige jaren is de inflatie toegenomen, o.m. ten gevolge van de stijging van de olieprijzen. Tussen de gezondheidsindex van 3.4% en een reële inflatie van 4.4% ligt een verschil van 1% dat de patroons niet hoeven te betalen. De koopkracht van loon- en uitkeringstrekkers zal daarentegen wel nahinken op de prijsstijgingen.

Andere negatieve punten

De vakbonden bekwamen alweer niks inzake de syndicale vertegenwoordiging in KMO’s, noch inzake de harmonisatie van het arbeiders- en bediendestatuut. Deze laatste kwestie werd naar de Nationale Arbeidsraad verwezen en meer en meer wordt duidelijk dat deze kwestie de syndicale rangen verdeelt. De bediendenbonden vrezen een achteruitgang en verkiezen bijgevolg een status-quo, terwijl de arbeiderscentrales de discriminatie niet langer aanvaarden.

Inzake opleiding verklaren de socialepartners zich akkoord met de uitbreiding van het educatief verlof voor de deeltijdse werknemers. Daarnaast zal er voortaan 1.6% i.p.v. 1.2% van de loonmassa naar opleiding en vorming gaan. Maar over welke opleiding gaat het? Algemeen vormende of training op de werkvloer?

De tendens om geleidelijk minder te gaan werken naarmate de leeftijd vordert, ingezet door het akkoord in de non-profit, vindt men ook terug in het IPA. Toch wordt vooral gerekend op vorming en bijscholing van oudere werklozen, betere arbeidsbemiddeling (interim voor ouderen), doelgroepenbeleid (ouderen behoren nu ook tot de risicogroepen) en het goedkoper maken van de loonlasten (loonkostenverlagingen). Om ouderen niet uit de ondernemingen te duwen, wordt gepleit voor minder stress en betere werkomstandigheden.

Collectieve arbeidsduurvermindering wordt onder de mat geveegd. De wettelijke 38-uren week zal pas van toepassing zijn op 1 januari 2003. Bovendien dienen alle verdergaande vormen van arbeidsduurvermindering via CAO’s in de loonnorm verrekenend te worden. Hierdoor zal 35-uren of 32-uren veelal met loonverlies gepaard gaan, wat arbeidsduurvermindering niet populairder maakt onder de basis. Maar wie gaat er lopen met de productiviteitswinsten? Waar verdwijnt het hogere rendement van een verlenging van de machinetijd en de flexibiliteit?

Inzake de verzoening van beroeps- en gezinsleven zal men, naast bijkomende mogelijkheden voor specifieke afwezigheden (palliatief verlof, zorgverlof, ouderschapsverlof), vanaf 1 januari 2002 het recht verwerven op een loopbaanonderbreking van 1 tot 5 jaar, op te nemen onder de vorm van een tijdskredietstelsel. De werker krijgt dan een vergoeding van 15.000 à 20.000 BEF. Dit is de vooruitgang van de achteruitgang. Niet alleen komt dit neer op arbeidsduurvermindering met loonverlies maar bovendien worden de verzuchtingen naar meer vrije tijd misbruikt ten voordele van de flexibilisering. Dit bemoeilijkt het organiseren van syndicale acties om flexibiliteit te beperken en collectief te reguleren, aangezien individuele oplossingen wel aangeboden worden.

Loonnorm

Het meest schandalige aan het IPA blijft natuurlijk de kwestie van de loonnorm. Nooit was het duidelijker dat de hele constructie van de loonnorm, en daarvoor de ‘wet op de competitiviteit’, zuivere oplichterij is. Kijk maar hoe deze loonnorm tot stand komt. In de berekeningen van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven wordt de nominale loonkost van de zeven belangrijke handelspartners vergeleken met deze van België. De loonstijgingen mogen dan in België niet boven de gemiddelde stijging van de loonkost in deze landen uitkomen. Deze berekeningswijze is volkomen onrechtvaardig. Ten eerste vergelijkt men een samengesteld gemiddelde dat geen onderscheid maakt tussen economische sectoren. Ten tweede houdt deze berekening geen rekening met de arbeidsproductiviteit. Hoe kan men de loonkost vergelijken zonder rekening te houden met het rendement van de ingezette arbeidskracht en machines?

De arbeidsproductiviteit stijgt in België jaarlijks met 3 à 4% in de industrie en 1 à 2% in de dienstensector. Dit betekent dat men, afhankelijk van de sector, met 2, 3 of 4 minder arbeidskrachten evenveel goederen of diensten kan leveren in dezelfde tijdsduur. Zolang de bestellingen stijgen met 2.3 of 4% zijn de overblijvende arbeidskrachten niet overtollig en moet de patroon geen bijkomende krachten aanwerven en tekent hij meer winsten op. Indien de bestellingen niet stijgen maar stagneren of onder de aangroei van de productiviteit blijven, zullen er zeer snel overtollige arbeidsplaatsen zichtbaar worden.

Corporatisme

Het besluit van dit alles is eenvoudig: de loonnorm is een antisociaal instrument dat de competitiviteit van de bedrijven ondersteunt op de kap van de werknemers. Het is bovendien een pervers instrument dat de sterkere of hoger gekwalificeerde segmenten van de arbeidersklasse aanzet tot corporatisme, de individuele loonflexibiliteit doet toenemen en de lagere inkomens, de precairen en de uitkeringstrekkers in de kou laat staan. Dit IPA dreigt dan ook gevaarlijke gevolgen te hebben. Aangezien de collectieve loonregulering geen noemenswaardige loonstijging toelaat, zal de eis van de basis voor een verbetering van de koopkracht zich op corporatistische wijze uitdrukken. In de sterke sectoren en onder hoger geschoolden zal de druk toenemen om ‘onder de tafel’ een (extralegale) inkomensstijging te bekomen. Bij ontstentenis van een gemeenschappelijke en solidaire loonstijging worden nieuwe individuele stelsels, zoals prestatiebeloning, of bedrijfscorporatistische stelsels, zoals winstparticipaties alsmaar populairder onder de werkers. Aldus worden echte syndicalisten tweemaal in de tang genomen, eenmaal van bovenuit door het dwangbuis van de loonnorm en eenmaal van onderuit door de populistische en corporatistische neigingen.

Hoogconjunctuur

In een periode van economische crisis kunnen de tamme vakbondsleiders zich nog verschuilen achter alibi’s zoals ‘we beperken de schade’ of ‘zonder competitiviteit stijgt de werkloosheid’. Maar in tijden van hoogconjunctuur vervalt dit argument of beter, wordt de ware toedracht ervan duidelijk. De competitiviteit van de ondernemingen bestendigen, vergt eigenlijk een sociale achteruitgang. Er is geen automatische herverdeling en het sociaal overlegstelsel biedt geen garantie, zeker niet zonder de nodige krachtsverhoudingen en sociale mobilisaties. In tegenstelling tot wat de sociaal-liberalen beweren, is het sociale geen afgeleide van het economische. Neen, de economie is een krachtenveld waar klassen hun belangen verdedigen of m.a.w. ‘aan politiek doen’. Het sociale is autonoom of kan maar echt sociaal zijn voor de meerderheid van de bevolking wanneer de belangen van deze meerderheid als uitgangspunt worden genomen. Deze meerderheid wordt gevormd door alle loon- en weddetrekkenden, actief of op pensioen, werkloos of studerend, en ze vertegenwoordigt 80% van de bevolking. Deze sociale meerderheid is niet gediend met privatiseringen van openbare dienstverlening, met steeds meer cadeaus aan het patronaat, met een eeuwig durende loonmatiging en evenmin met flexibiliteit, stress, armoede en uitbuiting.

Syndicalisme is iets anders dan prutsen in de marge. Syndicalisme is meer dan zich tevreden stellen met broodkruimels. In de laatste film van Ken Loach stelt een syndicale delegee : “bread is not enough, we want roses too” (met brood alleen zijn we niet tevreden, we willen ook rozen). Voor Mia De Vits, Michel Nollet en Luc Cortebeek lijkt het echter alsof de rozen enkel als versiering dienen.

Tijdschrift Vonk

Activiteiten

Onze boeken

Onze boeken