Op 10 juni bevestigde ook België een Europese trend. De sociaal-democratie kreeg een verpletterende pandoering: in Wallonië -6,9 procent en in Vlaanderen -7,2 procent. Het pak slaag is ongeëvenaard voor de Vlaamse socialisten. Hoewel ze nog net boven het affreuze resultaat van 1999 eindigen, bevinden ze zich nu wel in een kartel met Spirit.

De klap kwam het sterkst aan in Limburg, de provincie van ex-voorzitter Stevaert, waar SP.a-Spirit zakte van 32,6 naar 20,2 procent. De partij is dus ruim een derde van haar Limburgse kiezers kwijt. Maar ook in West-Vlaanderen doet het kartel het barslecht. Voor de Kamer valt het terug van 24,9 naar 16,4 procent, een verlies van 8,5 procent. In het Oostende van voorzitter Vande Lanotte zakt het kartel van 34,7 naar 26 procent. Dat catastrofale resultaat in zijn thuisbasis maakte van de verkiezingsuitslag een persoonlijke nederlaag voor hem. In de kieskringen Antwerpen, Oost-Vlaanderen en Leuven houdt de partij iets beter stand, maar moet ze toch ook fikse verliezen van 5 à 6 procentpunten incasseren. Opvallend is wel dat het kartel in het kanton Antwerpen (stad) relatief overeind blijft met een daling van 24,9 naar 23,5 procent, net zoals in Gent en Mechelen. We kunnen bijgevolg de trouwe socialisten op zo’n 15 procent van de bevolking ramen (net zoals in ’99), maar in de steden aangevuld door de stem van migranten, die in de SP.a hun beste verdediger zien.

Hoewel de algemene score van de PS in Franstalig België met 29,5 procent van de stemmen superieur blijft aan die van SP.a-Spirit (bijna het dubbel), krijgen ook zij rake klappen. Henegouwen spant de kroon met maar liefst een verlies van 9,9 procent. Henegouwen herbergt met Charleroi natuurlijk het epicentrum van de schandalen die de PS sinds geruime tijd teisteren, maar het is tevens het bolwerk van partijvoorzitter Di Rupo. In het traditioneel rode Luik hebben ze nog het best de meubels kunnen redden met ‘slechts’ een inlevering van 3,5 procent. De provincies Luxemburg, Waals-Brabant en Namen noteren allemaal een verlies tussen de 5 en 7,5 procent.

Het plaatje is dan ook bedroevend in het parlement. Centrum-rechts en uiterst-rechts behalen in Vlaanderen 75 procent van de stemmen tegenover 24 procent voor links en uiterst-links. Links gaat daarmee 4 procent achteruit ten opzicht van 2004, wat een verlies van 5 zetels betekent. Langs Franstalige kant winnen rechts en centrum-rechts eveneens met 53 procent tegenover 44 procent voor links en uiterst-links, wat een verlies van 1 zetel betekent. Ecolo vangt hier nog grotendeels de opdoffer van de PS op. Het parlement is onmiskenbaar rechtser dan vier jaar geleden: 46 linkse zetels staan tegenover 104 rechtse.

Deze electorale rammeling is opmerkelijk in een relatief kalme periode. In andere periodes zijn we zulke politieke verschuivingen meer gewoon. We denken bijvoorbeeld aan de politieke gevolgen van de dioxinecrisis, de Witte Beweging, het protest tegen de Martens-regeringen in de jaren ‘80, de communautaire crisis eind jaren ‘70 begin jaren ‘80 enzovoort. Typerend voor de huidige periode is evenwel de instabiliteit als gevolg van groeiende tegenstellingen binnen het systeem en de verbrokkeling van oude zekerheden die daaruit volgt. Dat is overigens een internationaal fenomeen. De resultaten van uiterst-rechts (het VB en de LDD) drukken eigenlijk de ziekelijke crisis van het kapitalisme uit, niet alleen als sociaal-economisch stelsel maar als beschavingsvorm.

Links van de socialisten

Zoals te verwachten heeft noch Groen! noch uiterst-links veel voordeel kunnen halen uit dit verlies van de socialisten. Nochtans kunnen we ons wegens de klimaathype moeilijk een gunstigere uitgangspositie voor de groenen inbeelden. De Vlaamse ecologisten worden echter sterk geassocieerd met de progressieve middenklasse. De nieuwe generatie heeft zelfs nog sterker dit imago van hippe mensen voor wie alles tof moet zijn, iets waarmee de gemiddelde werkende mens maar weinig raakpunten geeft. De Franstalige groenen bewaarden veel meer een strijdbare uitstraling, niet alleen ecologisch maar ook sociaal, waardoor ze grotendeels de afhakende socialistische kiezers kunnen recupereren.

Het resultaat van CAP en PVDA-PTB blijft ondermaats. Niettemin zou je, volgens hun redenering, toch denken dat ze nu de kans van hun leven hadden met de verpletterende nederlaag voor de vermaledijde sociaal-democratie. Ondanks de inzet van hun militanten en de steun vanuit bepaalde vakbonden scoort zeker de CAP ronduit bedroevend voor een groep die er prat op gaat de ‘nieuwe arbeiderspartij’ te zijn. De PVDA zet in enkele regio’s (o.a. Assenede, Genk, Herstal) wel een behoorlijk resultaat neer en toont dat ze na dertig à veertig jaar ingebed zijn in bepaalde wijken, vooral waar ze dokterspraktijken hebben. Ze putten daar moed uit om voort te gaan. Tegen dat tempo zullen we echter pas binnen 100 jaar een weerbare linkerzijde hebben. Er moet toch een snellere manier zijn?

De kandidaten van SP.a Rood, de nieuwe links-socialistische stroming binnen de SP.a, zetten een behoorlijk resultaat neer: 9.502 voorkeurstemmen voor Yves Miroir (8e opvolger Senaat), 3.837 voor Issam Benali (8e opvolger Kamer Oost-Vlaanderen), 1794 voor Antoon Stessels (15e plaats Kamer Antwerpen) en 2731 voor Karen Milants (18e plaats Kamer Antwerpen). Daarmee laten ze de lijsttrekkers van uiterst-links ver achter zich (bv. 1.692 voor Raf Verbeke bovenaan de CAP-lijst voor de Senaat en 4.597 voor Peter Mertens bovenaan de PVDA-lijst voor de Senaat), behalve de nationaal bekende kiwi-dokter Van Duppen die in Antwerpen 3796 stemmen haalt. Deze bewuste socialistische stemmen werden door SP.a Rood behaald met zeer weinig middelen, ondanks de slechte plaatsen op de lijsten, ondanks het gebrek aan steun van het partijapparaat en ondanks de zo goed als onbestaande media-aandacht (nog veel minder dan uiterst-links). Het behoeft geen tekening dat enkele duizenden bewuste socialistische stemmen die nu naar uiterst-links zijn gegaan, in de huidige crisis van de sociaal-democratie veel harder zouden geklonken hebben via SP.a Rood.

Contrasterende realiteiten

Momenteel is de Vlaamse partijtop zich aan het beraden over de reden voor de nederlaag. Zondagavond lieten sommige leiders alvast enkele ballonnetjes op. Pascal Smet en Bruno Tuybens verwezen – hoe kan het ook anders – naar de ‘gebrekkige communicatie’ over het programma. Voorzitter Vande Lanotte repliceerde daar in zijn toespraak op dat zo’n sterke daling “niet louter verklaard kan worden door slechte communicatie, dan moet er ook iets mis zijn met het programma”. Caroline Gennez opperde dan weer met enige rancune dat “Vlaanderen rechts stemt”. Waarop Siegfried Bracke fijntjes concludeerde: “Het is dus de schuld van de kiezer?” Nog een verklaring waarin Gennez zich kan vinden, werd eerder op de dag door Willockx gelanceerd: “De SP.a wordt door de kiezer geassocieerd met de schandalen bij de PS.” Vande Lanotte had er zelf ook een mooie: “De kiezer heeft die partijen beloond die het meest voor een staatshervorming ijveren, de andere (SP.a-Spirit, Groen! en Open VLD) zijn afgestraft.” Voor zover wij ons kunnen herinneren, deed SP.a nochtans lustig mee aan het communautaire opbod. Achteraf dan komen klagen, is nogal klein. Bovendien past de verwijtende vinger naar de PS opnieuw perfect in het communautaire plaatje.

Volgens de eerste geluiden ligt de schuld dus vooral bij de anderen (de PS, de kiezer), niet bij de partijtop zelf. Toch klopt de leiding ook een mea culpa. “We hebben de kiezer niet begrepen”, luidt het dan. Dat is al een vooruitgang op verkiezingsjaar 2004 toen de zoveelste zwarte zondag (het VB steeg met meer dan 8 procent) schamper werd afgedaan als het resultaat van “een hoop verzuurde Vlamingen”. Nu geeft de partijtop ten minste toe dat ze de kiezer niet heeft begrepen. De vraag is echter naar wie ze de afgelopen jaren hebben geluisterd. Toen hun achterban eind 2005 revolteerde tegen het Generatiepact – dat zij nota bene verdedigden – legden ze die oproep van hun traditionele socialistische basis zonder verpinken naast zich neer. Ze hebben de kiezer inderdaad niet begrepen, maar daarvoor moest je wel potdoof zijn.

De socialisten hebben in beide landsdelen in toenemende mate hun oor te luisteren gelegd bij de progressieve middenklasse, in Vlaanderen echter meer dan in Wallonië. Volgens die progressieve middenklasse leven de Belgen in de best mogelijke der werelden en moeten we daarom vooral ‘positief’ zijn. Vandaar de JA!-campagne van de SP.a. In die levensvisie boeren wij met zijn allen sociaal-economisch heel goed, buiten een groep ‘kansarmen’. Vanuit hun comfortabele maatschappelijke positie oordelen progressieven bijgevolg dat de werkende mensen niet zoveel moeten klagen.

Voor een groot deel van de bevolking is het leven echter niet zo simpel, ook niet in het welvarende Vlaanderen. Het kapitalisme stelt steeds hogere eisen aan de werkende mensen, op het vlak van de productie én op het vlak van de consumptie. Het Nieuwsblad meldde op 7 juni nog dat 40.500 Vlaamse gezinnen problemen hebben met de energierekening en daarvoor doorverwezen worden naar een ‘sociale leverancier’. En De Standaard schreef op 31 mei dat een op de vijf Belgische werknemers lichamelijk en geestelijk uitgeput is door zijn werk. Daarmee behoren de Belgen tot de top drie van meest overspannen werknemers in Europa. Er heerst een algemene onzekerheid, die gevoed wordt door zowel binnenlandse aangelegenheden (bv. herstructureringen in de automobielsector, het ‘zinloos’ geweld) als door buitenlandse ontwikkelingen (bv. terrorisme en milieu). De goednieuwsshow van Paars stond in schril contrast tot die werkelijkheid.

De socialisten betalen de prijs voor hun aanvaarding van dit kapitalisme. Zelfs het oude reformistische programma van sociale hervormingen binnen het kapitalisme en ‘correcties van de vrije markt’ is vandaag omgeslagen tot een reformisme zonder sociale hervormingen (integendeel) en toeleiden van de werkers naar de markt (activering). ‘Socialistische excellenties’ zoals Frank Vandenbroucke en Johan Vande Lanotte bevinden zich in de voorhoede van de afbraak van de welvaartsstaat. Nochtans had het gratis-verhaal van Stevaert bewezen dat vechten voor sociale hervormingen – zelfs al zijn ze miniem – de SP.a geen windeieren legt, getuige de zege van 2003. Te elfder ure nog opkomen voor arbeiders in het parlement en hogere pensioenen, kan de mensen echter niet bedotten.

Tegen het establishment

Academische experts zien in het verlies van de SP.a aan de Lijst Dedecker het bewijs dat de socialisten zich te veel hebben bezig gehouden met het ‘communicerende vat’ Groen. De partijtop zou te eenzijdig stemmen hebben willen halen op haar linkerflank en heeft zo haar rechterflank veronachtzaamd, die dan is overgestoken naar de demagogische liberaal. In de statische wereld van statistici is alles immers eenvoudige wiskunde. Dedecker is rechts, dus (1 = 1) de overlopende socialistische kiezers zijn rechts. Met eenzelfde simpele redenering zou de SP.a bijgevolg kunnen stellen dat ze naar rechts moet om deze kiezers terug te winnen. De verrechtsing van de sociaal-democratie sinds de jaren ’80 toont evenwel dat de maatschappij net iets complexer is dan stati(sti)sche redeneringen.

Mensen worden niet links of rechts geboren. Neigingen naar links of rechts worden bepaald door traditie, klasse, bewustzijn en concrete strijd voor maatschappijverandering. Op die twee laatste kan een partij een aanzienlijke impact hebben. Vlaanderen heeft bovendien een grote arbeidersklasse (arbeiders, bedienden, steuntrekkers enzovoort) en door hun positie in de maatschappij zijn deze in meerderheid sociaal-economisch links. Spreek over de riante winsten van de bazen en je raakt bij deze meerderheid een gevoelige snaar… De partijleiding gaat daarentegen ver mee in het neoliberale verhaal van de concurrentiekracht. Het enige wat overblijft, is het ethisch-culturele positieve verhaal van verdraagzaamheid. Dat is een overtuigend verhaal voor de progressieve kleinburger omdat het in de lijn ligt van zijn positieve sociaal-economische positie. Voor veel gestresseerde arbeiders en bedienden staat dit evenwel in contradictie met hun negatieve werk- en leefomgeving, die ook zorgen voor een negatief toekomstbeeld. Een kwade stem tegen het establishment ligt veel meer in de lijn van deze werkelijkheid. Ook politicoloog Carl Devos concludeert in De Standaard (11/06) dat “de SP.a weer wat stouter moet durven worden, wat linkser ook. Ze moet meer anti-establishment durven zijn.” De helden van de strijd tegen het establishment zijn nu spijtig genoeg het VB en Dedecker.

Een klassiek argument tegen deze stelling is de gebrekkige score van uiterst-links, die toch een linkse anti-establishmentstem vertegenwoordigen. Opnieuw zo’n statische redenering. In tegenstelling tot uiterst-links is uiterst-rechts in Vlaanderen het uitvloeisel van zware conflicten in traditioneel rechts die zich over maanden uitstrekten, met de nodige media-aandacht. Het VB was een aanzienlijke afsplitsing uit de crisis van de Volksunie eind jaren ’70 en Dedecker genoot al faam bij de VLD, waar hij twee jaar geleden zelfs een opgemerkte gooi naar het voorzitterschap deed (38 procent tegen een nipte 50 procent voor Somers). De PVDA kent deze ontstaansgeschiedenis niet, en ook de CAP voldoet niet aan deze voorwaarden aangezien de rol van Sleeckx en Van Outrive als nationale figuren binnen de socialistische beweging al geruime tijd in het verleden lag. De keer echter dat in België wel een levensvatbare radicale linkse partij ontstond, met name de Communistische Partij in de jaren ’20, was dit op basis van een langgerekte crisis binnen de sociaal-democratie.

Vlaamse kiezers zijn niet noodgedwongen rechts omdat er een rechtse traditie bestaat. Die rechtse stem heeft evengoed te maken met keuzes die gemaakt worden binnen de arbeidersbeweging. Het neoliberale ideologische offensief van rechts baadt de mensen in een klimaat van egoïsme, racisme en concurrentie zonder dat er efficiënt weerwerk wordt gegeven door de grote linkse organisaties, partijen of vakbonden. De zwenkingen naar rechts zijn hoegenaamd niet onvermijdelijk. Een belangrijk gedeelte van de huidige rechtse en uiterst-rechtse stemmers kan gewonnen worden voor een links en socialistisch beleid als het echt draait rond de verdediging van de belangen van de arbeidersklasse in een gemeenschappelijke strijd tegen het winstbejag van het kapitalisme.

Het overheersende geluid dat de SP.a-top voortbrengt, past daarentegen mooi binnen het rechtse verhaal. Zoals de Brusselse socialist Dirk Lagast het verwoordt: “Als er tijdens de afgelopen campagne al over werkgelegenheid werd gepraat, was het telkens culpabiliserend naar werkzoekenden toe: zij moeten geactiveerd worden. Ofwel was het communautaire ondertoontje niet ver weg: er moet verder geregionaliseerd worden en in Brussel en Wallonië moeten ze het beter doen dan nu. Wat ik echter enorm gemist heb, is ook maar de minste vingerwijzing naar de sluiting van Volkswagen Vorst, de afslachting bij Opel, de slechtere arbeidsvoorwaarden bij Audi Brussels of het bij nacht laten verdwijnen van een volledige fabrieksinhoud door de patroons.”

Nederland achterna

Dat kleurloze figuren zoals CD&V-leider Leterme en CD&V-voorzitter Van Deurzen zo’n eclatante overwinning kunnen claimen (31,4 procent voor de senaat), is op zich een uitdrukking van de kleurloze manier waarop de socialisten vandaag politiek bedrijven. Het kartel CD&V/N-VA scoort niet zozeer omwille van de eigen inhoud en campagne, maar wel door de onvrede over Paars. In hun retoriek domineren de conservatieve waarden en normen, met de bedoeling een rechts sociaal-economisch beleid te verpakken, net zoals bij Balkenende in Nederland. Dit is dan ook het soort pro-kapitalistische beleid dat we mogen verwachten van een Rooms-Blauwe coalitie. Ivan Sabbe, topman van de warenhuisketen Lidl, windt er in De Tijd (12/06) geen doekjes om: “De winst van de christen-democraten stemt me zeer tevreden. Het is de zege van het gezonde verstand dat de overheid efficiënter moet omgaan met de centen. Ik ben ook gelukkig met het signaal dat is gegeven via Lijst Dedecker, OpenVLD was te veel naar links opgeschoven.” Efficiënter met de centen is voor Sabbe: subsidies afschaffen zodat de vennootschapsbelasting lager kan, een lineaire loonlastenverlaging in plaats van loonsubsidies, en evolueren naar een confederaal model. Een afbraakpolitiek zoals in Nederland, met een staatshervorming als stormram en aandachtafleider, is een weinig hoopvolle toekomst voor ons. Het is de verantwoordelijkheid van de socialistische leiding in beide landsdelen dat de rechterzijde zo’n aanval kan inzetten op onze verworvenheden.

Tegelijk geeft het Nederlandse voorbeeld de keuze aan voor de socialisten: de weg van de PVDA of de weg van de SP. De weg van de PVDA, integratie in een coalitie gedomineerd door rechts, zal de socialisten verder doen afkalven (zonder dat er in België een radicalere linkse partij weerwerk kan bieden). In een monstercoalitie zal de sociaal-democratie een al dan niet gewillige gevangene zijn van de rechterzijde en in Vlaanderen van het Vlaams-nationalisme. Zo’n regering kan enkel een asociaal beleid voeren, dat op zijn beurt er niet in zal slagen de uiterst-rechtse sfeer in Vlaanderen te ondermijnen, integendeel. De volgende regering zal opnieuw aantonen dat een politiek en ideologisch cordon sanitaire onbestaande is. Daarom moeten de socialisten vanuit de oppositie zoals de SP in Nederland radicaal weerwerk bieden.

Een rechtse coalitie zou immers minder sterk zijn dan het stemmenaantal voor rechts doet vermoeden. Aan Waalse kant ligt een diepe zee tussen christen-democraten en de triomferende liberalen. De inzet van een staatshervorming verdeelt ook de rechterzijde over de taalgrenzen. En de grote overwinnaar langs Vlaamse kant wordt doorsneden door onverzoenlijke (klassen)tegenstellingen. Voor het Vlaamse Kartel zou dit wel eens een Pyrrusoverwinning kunnen worden. Het eerste beeld van Letermes zegetoespraak werd gekleurd door talrijke Vlaamse leeuwen van de N-VA. Dat zal de arbeidersvleugel rond het ACW niet goed bevallen zijn. De christelijke vakbond ACV heeft zich herhaaldelijk uitgesproken tegen een staatshervorming, maar indien die staatshervorming er niet komt, dan zullen zich barsten openen aan de rechterkant van de CD&V en bij de N-VA. De afgelopen jaren kwam de rechtervleugel al in aanvaring met de arbeidersvleugel over het cordon sanitaire, het migrantenstemrecht, het asielbeleid, het rechtse sociaal-economische programma en het kartel met de N-VA. ACW-voorzitter Jan Renders zei onmiddellijk na de zege dat zij nu een sociale regering verwachten en dat daarom een coalitie met de socialisten en de groenen zijn voorkeur geniet. Die uitkomst is echter weinig waarschijnlijk. Bovendien heeft de CD&V een rechtse campagne gevoerd rond het thema van de staatshervorming, met enkele sociale noten (bv. welvaartvaste uitkeringen) om het ACW te paaien. Hoewel veel CD&V-boegbeelden (o.a. Leterme, Vervotte, Vandeurzen) in het ACW getogen zijn, zullen ze zich neerleggen bij de vereisten van de hedendaagse kapitalistische economie en bijgevolg een asociaal beleid voeren gericht op de concurrentiekracht en de winsten.

Welke oppositie?

Er openen zich veel mogelijkheden voor socialisten in de oppositie, wat de SP.a-leiding nu ook voorstelt. Toch is een oppositiekuur op zichzelf niet zaligmakend, wat onder andere werd bewezen door de PVDA in Nederland en de PS in Frankrijk. De geluiden van de partijtop over steun aan een staatshervorming zijn alvast niet de juiste manier van oppositie voeren. Een oppositiekuur moet de gelegenheid zijn om de discussie aan te gaan over een echt socialistisch programma en een oppositie die zich niet beperkt tot parlementaire interventies of reclamecampagnes. Een echte oppositie drukt zich uit in mobilisaties samen met de vakbonden, zowel in de fabrieken als in de wijken. Goed georganiseerde en aangehouden mobilisaties kunnen van op straat elke rechtse maatregel tegenhouden zolang vakbonden en partij de moed hebben om tot het einde te gaan en een rechtse regering op de knieën te dwingen. Om de militanten te stalen tegen de maatschappelijke druk vanuit de opiniemakers van overheid en patronaat in de media, dienen zowel vakbond als partij hen een socialistische ideologische vorming te geven. De overdreven nadruk op technische vorming in de vakbonden zorgt voor een depolitisering en een corporatistische reflex waarmee de militanten niet opgewassen zijn tegen rechtse praat.

Alvorens de socialistische beweging zich opnieuw met de rechterzijde kan meten, zullen nochtans enkele structurele zaken in de partij moeten veranderen. Zelfs Mia Devits stelde op televisie dat “de SP.a terug een ledenpartij moeten worden”. Inderdaad, enkel een actieve basis die is ingeplant in de wijken zal het tij kunnen keren, en wij verwijzen opnieuw naar het succes van de SP in Nederland. Dat is een totaal andere koers dan de partijtop de afgelopen twintig jaar heeft bevaren. Zoals ‘Socialisme in Alle Talen/Socialisme dans Toutes les Langues’ op hun website schrijven: “Twintig jaar aan de macht eist zijn tol! Beide socialistische partijen zijn verworden tot louter beheerspartijen, die vooral op macht uit zijn. Het apparaat is belangrijker geworden dan de ideologie, de waarden en de militant. Erfrechtsocialisme speelt bij beide, net zoals het parachutisme van de top. Alhoewel, hier moeten we toch nuanceren. De PS slaagt er toch nog in goed ingeplant te blijven in het Franstalige landsgedeelte. Hun netwerking, partijwerking en betrokkenheid van de nevenorganisaties is hier zeker niet vreemd aan. Net zoals de recrutering van kandidaatmandatarissen uit de militanten. sp.a daarentegen, is een louter technocratische partij geworden. Geleid en geanimeerd (?) door de kabinetten. Militanten worden eerder als een last beschouwd. Dat hebben we ook tijdens de afgelopen, flauwe, campagne gezien. Alles werd gestuurd door de kabinetten. De geestdrift onder de militanten ontbrak volledig (voor zover er nog militanten zijn in het Brusselse...). Maar, als je weet hoe de kandidaten geselecteerd worden door de top (liefst geen partijlid zijn en zeker geen engagement vertonen) dan kan je dat niet verbazen.”

Dit project heeft volledig gefaald en het is dan ook niet meer dan normaal dat oppertechnocraat Vande Lanotte een stap opzij zet. Pittig detail: de carrière van Vande Lanotte is begonnen toen de partijtop hem begin jaren ’90 in Oostende dropte om de SP.a-afdeling daar te ontbinden. Die was immers onder invloed van Vonk en de actieve arbeidersbasis te links geworden. Het is rond die tijd, wanneer de partij vanaf eind jaren ’80 voor een lange periode in de regering stapt, dat de omvorming naar een ‘moderne’ socialistische partij is begonnen, zijnde een partij met nog weinig banden met de socialistische en syndicale basis. Het is een fiasco geworden, net zoals in de omringende landen.

Het ontslag van Vande Lanotte is evenwel geen noodzakelijk vaarwel aan die lijn, netzomin als de troonsafstand van Blair ten opzichte van Gordon Brown dat is. Zoals SP.a Rood in een persbericht vaststelt: “Wij zien dat Johan Vande Lanotte ontslag neemt maar dat heel wat anderen die de mislukking van 10 juni belichamen rustig blijven zitten of zelfs gepromoveerd worden.” In een democratische partij dienen voorzitterverkiezingen voort te komen uit een ideeëndebat binnen de rangen, zeker na deze rammeling. Zelfs Willy Claes bekritiseerde op de radio (De Wandelgangen) de manier waarop Caroline Gennez “van bovenaf aangeduid wordt”.

SP.a Rood heeft in de verkiezingscampagne de links-socialistische boodschap in meer partijafdelingen kunnen binnenbrengen. Zoals Yves Miroir zei: “Het belangrijkste is de campagne.” In de huidige crisis is dit de basis om op voort te werken. Wij vragen ook dat de vakbondskandidaten en andere linksere kandidaten zoals Kurt De Loor zich eens bezinnen over hoe het nu verder moet en hoe ze gemeenschappelijk vorm kunnen geven aan een linksere koers. Deze crisis kan zuiverend werken op voorwaarde dat ze kristalliseert in een nieuw socialistisch project waar de noden en de stem van de werkende mensen centraal staan.

Tijdschrift Vonk

Covervonk300

Activiteiten

Onze boeken

Onze boeken