Vandaag, dertig jaar na de Portugese revolutie, publiceren we een artikel uit het juni-nummer 1994 van Vonk. Hierin wordt door André Gonsalis de Anjerrevolutie beschreven aan de hand van vele persoonlijke getuigenissen.

De Portugese revolutie is een onderwerp waar ik moeilijk 'objectief' over kan schrijven. Het is in Portugal dat mijn politiek engagement begonnen is. In die tijd was ik nog bij geen enkele politieke partij of beweging aangesloten. Ik was echter wel geabonneerd op het weekblad 'Links'. Daarin las ik een advertentie voor een veertiendaags bezoek aan Portugal, waarop ik reageerde. Het contact met de Portugese bevolking maakte zo'n indruk op mij dat ik er nog dezelfde zomer terugkwam, eerst een tijdje in gezelschap van een vriendin, die lid was van de KPB (Communistische partij van België), vervolgens om te gaan werken op een coöperatieve, samen met een twintigtal jongeren van het 'Portugal-comité'. Over Vonk had ik toen nog nauwelijks gehoord, maar bij het schrijven van dit artikel heb ik wél gebruik gemaakt van nummer twee (!) van de Vonk van april-mei 1975, waarin een buitengewoon interessant artikel over de Portugese revolutie stond.

Vóór de revolutie

"Toen onze werkweek erop zat, moesten we in lange rijen aanschuiven om ons weekloon te gaan afhalen bij de opzichter. Als je niet beleefd genoeg was of niet vlug genoeg wegging, trok hij een deel van de biljetten uit je handen terug.
"Wij hadden wel een minuscuul stukje land dat we zelf konden bebouwen, als aanvulling voor ons loon als landarbeider. In het jachtseizoen reed de graaf er echter dikwijls met zijn paarden overheen. Zélf mochten we de konijnen die onze groenten kwamen opeten niet schieten, op straffe van verwijdering. De jacht ging voor alles."
(getuigenissen van een landarbeidster en een landarbeider over de toestand voor de revolutie van 1974. Alcoëntre, zo'n 100 km ten noorden van Lissabon - zomer 1976)

Zo waren de verhoudingen op het Portugese platteland voor de revolutie. De dictatuur van Salazar, ingesteld in 1926, had er de Tweede Wereldoorlog overleefd en bleef gehandhaafd tot hij in 1968 de fakkel doorgaf aan zijn opvolger Caetano. Beiden heersten door middel van de gehate geheime politie PIDE. Naast de middeleeuwse toestanden op het platteland toonde de koloniale politiek van Portugal evenzeer dat het regime de vooroorlogse mentaliteit overleefd had. In tegenstelling tot alle andere Europese landen had Portugal zijn kolonies niét onafhankelijk verklaard. Het leverde hen een geldverslindende guerrillaoorlog op, vooral in Mozambique en Angola.

"Wij wisten waar de soldaten van het Frelimo zaten en die wisten waar wij zaten. Maar wij dachten er niet aan elkaar te beschieten."
(Portugees ex-soldaat uit Mozambique - zomer 1976)

In het leger groeide meer en meer de overtuiging dat de koloniale oorlogen uitzichtloos waren. Zelfs een generaal (Spinola) durfde dat openlijk in een boek stellen. Ondertussen organiseerde zich een clandestiene groep van vooral lagere officieren in het MFA (Movimento de Forças Armadas). Op 25 april plegen zij een staatsgreep zonder bloedvergieten. De enige vijf doden vallen nadat het MFA al de macht heeft overgenomen. De bevolking bestormt de gebouwen van de gehate PIDE en er wordt teruggeschoten. Maar tegen het massaal volksverzet helpen geen geweren: het gebouw wordt ingenomen en de politieke gevangenen bevrijd. De Anjerrevolutie is begonnen...

De arbeiders treden op de voorgrond

1 Mei 1974 in Lissabon zal wellicht de meest enthousiaste 1-meiviering uit de geschiedenis zijn geweest. Pas vijf dagen na de machtsgreep van de kapiteins stromen een miljoen arbeiders samen in de straten van Lissabon. Op zich is een militaire machtsgreep, zelfs van lagere officieren, uiteraard geen garantie voor een democratisch regime. De arbeiders bepalen echter welke kant het uitgaat. Zij verbroederen met de soldaten en steken rode anjers in de lopen van de geweren. Foto's hiervan zullen nadien heel de wereld rondgaan.

In enkele dagen wordt meer verworven dan in de vorige vijftig jaar: de verbannen leiders van de Communistische en Socialistische Partij, Alvaro Cunhal en Mario Soares, keren terug. Politieke partijen vormen zich of treden uit de clandestiniteit. De geheime politie PIDE-DGS wordt ontmanteld, de censuur wordt opgeheven, het recht op vereniging, het recht op staking en de syndicale vrijheid wordt erkend en er worden algemene verkiezingen in het vooruitzicht gesteld. Spinola wordt door de militairen aangeduid tot president. Begin mei vormt hij een regering van nationale eenheid. Die regering wordt geleid door een gematigd liberaal, Palma Carlos en bevat slechts één militair, enkele onafhankelijken en de leiders van de pas opgerichte partijen, waaronder Soares en Cunhal. In heel het land worden koortsachtig comités opgericht, vergaderingen gehouden, eisen gesteld, betoogd, gestaakt, gefeest. Voor het eerst in de geschiedenis van Portugal wordt een minimumloon ingesteld.

De MFA

De periode die volgt is er een van elkaar snel opvolgende regeringen, die steeds linkser worden én waarin de rol van de MFA steeds groter wordt. Spinola, in feite niet meer dan een verlichte liberaal, vindt al gauw dat het te vlug gaat. Hij doet een oproep tot de zwijgende meerderheid, maar zonder enig succes. In september treedt hij af. Hij wordt vervangen door Costa Gomes, ook een generaal, maar wel iemand die nauwere banden onderhoudt met het MFA. Van september '74 tot september '75 worden drie regeringen geleid door kapitein Vasco Gonçalvez. Het MFA heeft nu zes ministers in de regering. Otello de Carvalho, het militaire brein achter de staatsgreep van 25 april, wordt tegelijkertijd opperbevelhebber van het district Lissabon en hoofd van de Copcon, een nieuw opgericht detachement dat gezien wordt als de gewapende arm van het MFA.

Wat was nu eigenlijk dat MFA, dat zo'n grote rol zou spelen bij de Portugese revolutie? In feite is de MFA nooit meer geweest dan een kleine, clandestiene groep officieren. Ze vertegenwoordigde in de eerste plaats de ideeën van de studerende jeugd die werd opgeroepen voor het leger en meegesleurd in de eindeloze nachtmerrie van de Afrikaanse koloniale oorlogen. In essentie was het dus een kleinburgerlijke groep. Heel de geschiedenis toont echter dat dergelijke kleinburgerlijke groepen in een revolutionaire situatie een.belangrijke rol kunnen spelen. Iets dergelijks gebeurde met de Jacobijnen in de grote Franse Revolutie. Was Portugal een koloniaal land geweest, dan zou deze groep wellicht dezelfde rol gespeeld kunnen hebben als Castro in Cuba. Het heeft trouwens niet veel gescheeld. Het hoogtepunt van de revolutie kwam op 11 maart 1975, na een mislukte poging tot staatsgreep van Spinola. Het onmiddellijke gevolg was een versnelling van de revolutionaire processen: nationalisatie van de banken, het transport, de elektriciteitssector, de staalnijverheid. Deze nationalisaties waren in de eerste plaats het werk van de arbeiders zelf. Zo bezetten de bedienden de banken en verzekeringsmaatschappijen en weigerden unaniem ze te heropenen zolang ze niet genationaliseerd waren.

Maar ondanks het feit dat Portugal het armste land van Europa was, was het geen derdewereldland. In laatste instantie werd de revolutie er beslist door het gevecht tussen de kapitalisten en de arbeiderspartijen, de KP en de PS.

Portugese Communistische Partij (PCP)

Zomer 1976. Wij zijn uitgenodigd op een feest van een wijkafdeling van de PCP in Lissabon. 's Morgens vroeg stromen mannen, vrouwen en kinderen toe naar de boot (een soort Flandria-boot, normaal gebruikt voor de oversteek van de Taag). De stemming is opgewekt, ja zelfs uitbundig. De dagtrip gaat stroomopwaarts naar Villa Franca, het hart van de industriële buitensteden van Lissabon. Er is een orkestje mee en iedereen zingt de Internationale, Bandiera Rossa en andere revolutionaire liederen. Wie niet aan het zingen is, discussieert over politiek. De stemming is buitengewoon levendig en open. Aan de schouw hangt de rode vlag. Als we voorbij de grote fabrieken varen, komen de arbeiders naar buiten en zwaaien ons met rode vlaggen toe...

Zomer 1976. De grote scheepswerven van Lisnave, bij Lissabon. Een delegee (lid van de KP) leidt ons rond. Nee, de werven zijn niet genationaliseerd, zegt hij. De belangrijkste reden is dat het kapitaal en de aandeelhoudersvergadering in Rotterdam zit. Maar er wordt op de werf geen nagel verplaatst zonder de toestemming van de vakbond...

Ik moet het toegeven: in die tijd was ik geweldig onder de indruk van de Portugese Communistische partij. Zij organiseerde ongetwijfeld niet alleen de voorhoede, maar ook de meerderheid van de arbeiders in de grote industriële centra rond Lissabon en in de Alentejo (grootste streek der landhervormingen). En die communistische basis was revolutionair, vastberaden en bereid tot het uiterste te gaan. Iedereen die ermee in contact kwam, kon dat bevestigen. Eerlijk gezegd, ik vond het dus een schitterende partij. Terug in België kwam ik dan ook in een levendige discussie terecht met de mensen die toen net met Vonk begonnen waren. "Geef toe dat de PCP de beste communistische partij van Europa is", zei ik. "Misschien wel", repliceerden ze, "maar ook de meest stalinistische". Ik was niet overtuigd. Het stoorde me wel mateloos hoe er in de PCP - ook bij de basis - een soort verering van de toenmalige Sovjetunie heerste, maar dat leek me niet voldoende om die partij af te schrijven. Pas nu, zoveel jaar later, heb ik bij het schrijven van dit artikel de juiste argumenten en feiten gevonden in de Vonk van april-mei 1975. Er werd in uitgelegd hoe de PCP de eerste golf van stakingen en bezettingen in 1974 heeft gebroken. Ik citeer uit Vonk nr. 2:

"Het centraal comité van de PCP gaf op 30/5 een bericht vrij, en dit enkel een maand na de val van het fascisme, dat gekruid was met termen als de volgende: 'kleine groepen van avonturiers (...) onder het mom van linkse slogans (...) proberen de situatie te duwen in de richting van de economische chaos (...) Stakingen, zeer sluw op gang gebracht door onverantwoorde elementen en zelfs door welbekende fascistische agenten (...) Demagogen en avonturiers van de zogenaamde linksen, die geïnteresseerd zijn in het kraken van het huidig proces van democratisering de weg openend voor fascistische reactie en de terugkeer van een fascistische tirannie (...) zelfs bloediger en wreder dan deze in het verleden (...)'".

Het meest overtuigend waren de volgende citaten uit het communistische partijblad Avante. Ik citeer weer uit Vonk nr. 2:

"Maar de Portugese KP viel zelfs de industriële bonzen, geconfronteerd met een lawine van stakingen en niet langer over geheime politie beschikkend, aan voor het toestaan van loonsverhogingen. In het KP-dagblad Avante van 24/5 werd koelweg geschreven: 'Grote monopolisten en financiers die vroeger categorisch weigerden de lonen te verhogen, bieden nu een minimumloon van 11.000 fr. per maand, wanneer we voor het ogenblik weten dat bijvoorbeeld, het instellen van een minimumloon van 8.500 fr. per maand niet consequent zou zijn, vergeleken met het huidige niveau van ons nationaal inkomen. Dit is vanzelfsprekend ook ons doel, en dat zal de werkende klasse en het volk zeker inzien. De grote monopolies kunnen 'vrijgevend' grote lonen uitbetalen, ver boven de financiële capaciteit van de niet-monopolistische sectoren, dit echter niet met de bedoeling de werkers te bevoordelen, maar om ontevredenheid bij de werknemers op te wekken, die werken in de kleine en middelgrote firma's, met het oog op het bankroet van deze laatsten en de faling van de nationale economie. Het is een laag-bij-de-gronds plan, ontworpen in de breinen van de grote kapitalisten'."

En hoe evolueerde de PCP verder? In de loop van het revolutionaire proces trad er een verlinksing in. Die verlinksing kwam er ongetwijfeld onder zware druk van de eigen basis. Tegen het eind van '74 en zeker gedurende het jaar '75 steunde de PCP verdere bezettingen van het grootgrondbezit en de organisatie van coöperatieven, vooral in het zuiden. De communistische vakbond CGT organiseerde mee de bezettingen en nationalisatie van bedrijven. Op het hoogtepunt van de revolutie was 80 procent van de economie genationaliseerd. Van de premier van de drie meest linkse regeringen, de militair Vasco Gonçalvez, was geweten dat hij communistische sympathieën had. Velen beweerden zelfs dat hij een KP-lidkaart op zak had, maar in het geheim natuurlijk.

Hier toont zich echter de zwakte van de PCP, zelfs in haar meest linkse periode. Vroeg of laat stelt zich in een revolutionair proces het probleem van de staatsmacht. Nooit heeft de PCP er ook maar aan gedacht die staatsmacht rechtstreeks in handen te laten nemen door de arbeiders. Steeds hield zij zich op de achtergrond en steunde ze de linkervleugel van het MFA. Toen binnen het MFA een meer 'gematigde' kritiekbeweging optrad onder leiding van Melo Antunes, liet de PCP zelfs Gonçalvez vallen, wat leidde tot zijn aftreden in augustus '75. Op 25 november '75 kwam een breuklijn in het revolutionaire proces. In verwarde omstandigheden, die wellicht nooit helemaal opgehelderd zullen worden, werd een soort linkse staatsgreep voorbereid (of dat beweerde men althans), direct gevolgd door een goed georganiseerde reactie van de militairen onder leiding van luitenant-kolonel Eanes, die het revolutionaire proces terugschroefden. Maar toegegeven, de PCP was niet de hoofdverantwoordelijke voor die mislukking. Die bedenkelijke rol kwam toe aan de leiding van de andere grote arbeiderspartij, de PSP (Portugese Socialistische Partij).

De PSP

Vóór april '74 bestond er feitelijk geen socialistische partij in Portugal. De enige arbeiderspartij die (illegaal) in het binnenland georganiseerd was, was de PCP. De PSP bestond enkel uit een aantal individuen in ballingschap, onder leiding van Mario Soares, die in de salons van de Socialistische Internationale van de verschillende Europese landen circuleerden. Bij de eerste verkiezingen van 25 april 1975 haalde de partij van Soares maar liefst 38 procent van de stemmen (tegenover slechts 12,5 procent voor de PCP). Dat is een briljante bevestiging van de wet die Vonk altijd naar voren heeft gebracht: als de arbeiders in beweging komen, keren zij zich altijd in de eerste plaats naar hun traditionele partijen. Dat geldt dus zelfs als die partijen in feite 'niet bestaan'.

Wat is de verklaring hiervoor? In de eerste plaats bestond de idee van een socialistische partij, net zoals in de andere Europese landen, wel in de geesten van de arbeiders. Verder kreeg Soares bergen geld toegestopt van de Socialistische Internationale, vooral via Willy Brandt. PSP-afdelingen schoten als paddestoelen uit de grond en op haar hoogtepunt had de partij honderdduizenden leden. Hoe heeft Soares dat bewerkstelligd? Door zich een links imago aan te meten natuurlijk! Op een PSP-congres in 1974 verklaarde hij onder meer: "Deze partij is marxistisch en wie het daar niet mee eens is: daar is de deur." Dat belette Soares niet op elk moment het revolutionaire proces af te remmen. In de zomer van 1975, toen de regering en heel de maatschappij snel radicaliseerden, stapte de PSP, samen met de centrum-rechtse PPD uit de regering. Zij zouden er pas in terugkeren nadat Eanes het vuile werk had gedaan. Gedurende minstens tien jaar hadden PSP en PCP samen een absolute meerderheid van de zetels in het parlement. De PSP heeft echter steeds geweigerd een regering van de arbeiderspartijen te vormen.

Of dat geen reacties heeft opgeroepen van de socialistische basis? Natuurlijk! Er zijn niet één, maar vijf linkse afsplitsingen geweest van de PSP, telkens met tienduizenden arbeiders. Telkens zijn ze echter na zeer korte tijd de mist ingegaan.

De sekten

Nee, we bedoelen niet de religieuze sekten (hoewel, er zijn veel gelijkenissen), maar de groeperingen of partijtjes die doorgaans als 'extreem-links' worden aangeduid. Eerlijk gezegd, in het Portugese straatbeeld waren ze in die dagen zeer aanwezig. Je had er van alle soorten en kleuren: marxistisch, marxistisch-leninistisch, trotskistisch, maoïstisch, castristisch. In hoeverre al die benamingen de lading dekten, was natuurlijk zeer de vraag, zeker in het geval van Marx, Lenin en Trotski. In ieder geval vonden ze zichzelf allemaal rrradicaler en rrrevolutionairder dan de andere.

De algemene verkiezingen waren ontnuchterend voor deze extreem-linkse arrogantie. Ze haalden allen samen nog geen 4 procent van de stemmen, nauwelijks meer dan hun konsoorten alhier. En ja, die sekten hebben een zekere rol gespeeld in het revolutionaire proces. Op het hoogtepunt van de revolutie, gedurende de zomer van '75 en erna, hadden ze een zekere invloed bij de meest radicale en ongeduldige arbeiders in de bezettingcomités in de fabrieken en de coöperatieven. Ze hebben die invloed misbruikt voor wapenfeiten als de bezetting van de lokalen van de socialistische krant Republica. In feite waren die groepjes een gedroomd alibi voor Eanes om in te grijpen.

Het meest tekenend voor die 'superrevolutionaire' groepen is echter dat ook zij geen onafhankelijke rol toekenden aan de arbeidersklasse. Zij schaarden zich vrijwel unaniem achter de meest linkse MFA-militair, Otello de Carvalho. Het enige resultaat was dat de brave man eerst werd afgezet als bevelhebber van het district Lissabon en nadien voor lange tijd in de gevangenis belandde. Dat belette hem niet om mee te doen aan de eerste presidentsverkiezingen in juni '76 en daar nog 12 procent van de stemmen te halen. Grote overwinnaar werd echter Eanes, ondertussen generaal benoemd voor bewezen diensten, die met o.a. de steun van de PSP al in de eerste ronde verkozen werd met 61 procent.

Back to the future

1986. Tien jaar na mijn eerste reizen bezoek ik, samen met mijn toenmalige vriendin, opnieuw Portugal. Het heeft iets weg van een bedevaart. Wij bezoeken al de revolutionaire centra van vroeger: de coöperatieven, de scheepswerven van Lisnave...

Het is natuurlijk deels een gruwelijke ervaring: veel van de verworvenheden van de revolutie zijn teruggeschroefd. Maar het beeld is niet uitsluitend negatief: de arbeidersklasse blijft sterk, mede door een van de hoogste syndicalisatiegraden ter wereld. De reactie is gedwongen geweest zich in een democratisch kleedje te steken. Ik wil dit verhaal besluiten met onze ervaringen op de scheepswerven van Lisnave.

We worden rondgeleid door een delegee van de communistische vakbond. Het is een boom van een vent. Het is duidelijk dat hij iets betekent op het bedrijf: overal waar we komen moet hij handjes schudden, raad geven, moed inspreken aan de arbeiders... Na de rondleiding op de werf hebben we een interview in de vakbondslokalen. Het is een gruwelijk verhaal hoe men de arbeiders heeft proberen klein te krijgen, o.a. door ze gedurende maanden zonder loon te zetten. Nog is de vakbondsmacht echter niet gebroken, maar ja, het gaat slecht in de sector van de scheepsbouw... Aan het einde van het interview stellen we hem de vraag: "Vindt u niet dat de arbeiders, op het hoogtepunt van de revolutie, toen jullie o.a. op deze werf heer en meester waren, de macht hadden moeten overnemen?". Gedurende de rondleiding en het interview werd de vertaling gedaan door een vrijgestelde van de PCP, een lieve jongen, een intellectueel die duidelijk toegewijd was aan zijn taak. De delegee, bewust van het belang van zijn eigen rol, behandelde hem wat uit de hoogte, bijna als een schoothondje. Gedurende heel het interview had de delegee hem niet één keer aan het woord gelaten. Na deze laatste vraag echter zweeg de delegee. De KP-vrijgestelde begon een lang en ingewikkeld verhaal over de verschillende fracties in de MFA en het leger...

Tijdschrift Vonk

Vonk 292

Onze boeken

Onze boeken