Mei 68 was niet louter een studentenrevolte maar de grootste algemene staking ooit uit de geschiedenis. Tien miljoen arbeiders bezetten wekenlang hun bedrijven. Dit aantal kwam toen overeen met één vierde van de gehele Franse bevolking. Als je dat bedenkt is het wel vreemd dat de talrijke publicaties die de afgelopen jaren over de meigebeurtenis zijn uitgebracht, steeds weer lijken te vertrekken vanuit het beeld van de idyllische studenten: een hoop hippies die vooral tegen het gezag in de vrije liefde wilden bedrijven en drugs gebruiken. Commentatoren van de reactionaire soort willen de revolte zelfs herleiden tot een gebeurtenis van respectloze jongeren die het "moreel verval" van onze samenleving in gang hebben gezet. Om dergelijke simplistische redeneringen tegen te gaan, die van de geschiedenis een grote grap lijken te maken, kan het handig zijn om te bekijken wat er toen werkelijk is gebeurd.

 

Maatschappelijke omwentelingen komen niet uit de lucht vallen. Als we proberen om iets verder te kijken, dan zien we dat wat er in mei ‘68 gebeurde, de uitbarsting was van een proces dat al veel langer bezig was. Een van de meest provocatieve elementen hierbij was de houding die de Franse regering van Charles de Gaulle jaren tegenover de arbeidersklasse had aangenomen.

 

Het tijdperk van De Gaulle

 

Generaal De Gaulle sprong naar de top van het staatsapparaat opbasis van de populariteit die hij oorspronkelijk verwierf tijdens de tweede wereldoorlog. Hij slaagde erin om politieke opponenten aan de kant te schuiven en president te worden van de voorlopige regering die na de bevrijding van Frankrijk gevormd werd. Als belangrijke leidersfiguur van het Franse verzet werd hij na de oorlog algemeen gezien als een persoonlijkheid die zich boven elke vorm van partijpolitiek kon plaatsen.

 

In 1953 zag hij zich genoodzaakt om gedeeltelijk van het toneel te verdwijnen. Maar toen Frankrijk terug in crisis geraakte door de antikoloniale strijd die in de Franse kolonie Algerije (1954-62) een hoogtepunt bereikte, maakte hij een comeback. Om de nationale problemen op te lossen schonk het parlement hem via een hele reeks volmachten een zeer grote autonomie als politieke machthebber. Een dergelijk regime noemen marxisten bonapartistisch. Eén persoon slaagt er in om van een crisissituatie gebruik te maken om zich van de staatsmacht meester te maken. Het staatsapparaat krijgt meer macht en schijnt zich schijnbaar boven de klassen te verheffen, zonder natuurlijk de suprematie van de leidende klasse echt in vraag te stellen. Frankrijk kende een traditie van dergelijke regimes sinds Napoleon Bonaparte en Napoleon III. Een hele tijd leek het regime van De Gaulle onaantastbaar. Maar een bonapartistisch regime zoals dit is niet in staat om zich aan te passen aan de evolutie die Frankrijk in zeer korte tijd meemaakte.

 

De arbeidersklasse in dit land maakte een enorme groei mee in deze periode. In 1945 werd nog 35 procent van de bevolking tewerkgesteld op het conservatieve platteland, in vergelijking met andere Europese landen een zeer groot aantal. Na een periode van slechts 20 jaar was dit afgenomen tot 17 procent. Grote fabrieken werden gebouwd, zoals die van Renault, en een groot deel van de bevolking was wegens economische redenen verplicht om naar de stad te trekken waar ze aan een nieuwe maatschappelijke orde moest wennen.

 

Deze golf van industrialisatie leidde ook tot een nooit geziene economische opgang. Reële lonen stegen met gemiddeld 5 procent per jaar en de verkoop van goederen zoals tv-toestellen, ijskasten en auto's groeide enorm. Maar een economische opgang kan nooit losgekoppeld worden van haar oorsprong: menselijke arbeid. De normale werkweek bestond nog steeds uit 40 uren. In de praktijk betekende dat vaak 45 uren. Het patronaat veroorloofde zich een zeer superieure houding tegenover zijn onderdanen en durfde soms zelfs gewapende huurlingen gebruiken om toezicht te houden op de arbeiders aan de band.

 

Een economische groei heeft ook meer gevolgen dan de toename van luxeartikelen. Het reserveleger van arbeidskrachten in een goed draaiende economie is beperkt. Arbeiders kunnen makkelijker eisen stellen doordat het voor de patroon moeilijker is om hen te vervangen. De patroons kunnen de arbeiders niet meer zo gemakkelijk tegen elkaar uitspelen, zij winnen zelfvertrouwen.

 

De studentenbeweging

 

De studentenbeweging kende zo zijn eigen evolutie. De numerieke aanwezigheid van jongeren in de maatschappij was na WO2 aanzienlijk gestegen. In de jaren ‘60 was één op drie inwoners van Frankrijk jonger dan 25. Dit bracht logischerwijs ook een stijging van het aantal studenten met zich mee. Ondanks de stijging van het onderwijsbudget was er nog steeds een nijpend tekort aan docenten en labo's. En net zoals vandaag moest een groot deel van de studenten werken om hun studie te kunnen betalen. In ‘68 vormde deze groep ongeveer de helft van al de studenten. Deze mensen hadden dus al een mooi beeld van wat hen na de opleiding te wachten stond.

 

Een ander belangrijk element was de arrogante houding van de hogere kaders in het onderwijssysteem gecombineerd met de groei in informatieverspreiding. De dagen dat de dorpspastoor zijn kudde haar plaats binnen het systeem kon wijzen was al lang voorbij. Toch trachtten de universitaire overheden vast te houden aan hun positie als hoogste handhaver van de moraliteit. Ze dicteerden strenge gedragsregels om te bepalen waar studenten wel of niet mochten gaan en staan. Elke kritiek hierop werd meteen hardhandig de kop ingedrukt, wat op zijn beurt natuurlijk weer hevigere tegenreacties uitlokte. De toenmalige maatschappij, haar economisch systeem en daarbij horende machtsinstituten werden in vraag gesteld. Wanneer een regime zoals dat van De Gaulle onder het volk niet meer kan rekenen op een passieve aanvaarding, dan blijft er slechts één manier over om de macht te kunnen handhaven: staatsrepressie.

 

De voornaamste organisatie die optrad als directe verdediger van het kapitalisme was de ‘Compagnies Républicaines de Sécurité', oftewel CRS. Sinds haar oprichting in 1944 was deze eenheid regelmatig ingezet om betogingen en stakingen uit elkaar te slaan (met dodelijke slachtoffers tot gevolg). Het willekeurig gebruik van extreem geweld tegen ongewapende betogers ging een belangrijke rol spelen in de houding van het volk tegenover de macht van De Gaulle. Tv-stations kregen een strikte censuur opgelegd. Beelden van wat er gebeurde op de protestacties zouden pas later uitgezonden worden onder druk van de vakbonden.

 

Eens de revolutionaire gebeurtenissen van mei '68 zich ontplooiden, stond dit repressieapparaat echter machteloos. Niet zij zorgden ervoor dat het revolutionaire potentieel uiteindelijk wegebde, wel de leiding van de arbeidersorganisaties en in het bijzonder de communistische partij. De Franse communistische partij (PCF) was op dat ogenblik verreweg de grootste arbeiderspartij in Frankrijk. Bij de basis van de PCF waren ongetwijfeld duizenden overtuigde revolutionairen, maar de leiding werd gevormd door stalinisten van het ergste soort. Naast een dictatoriaal intern regime en slaafse volgzaamheid aan de Sovjet-Unie, kenmerkten zij zich ook - en dat is een minder bekende eigenschap van het stalinisme - door reformisme en een uitgesproken schrik van revolutie.

 

Studenten zetten opstand in gang

 

Zonder mee te willen gaan in het denkbeeld over de revolutie van verwende snotapen, kan er niet ontkend worden dat het de studentenbeweging was die de eerste aanzet tot actie gaf.

 

Om niet aan verheerlijking te doen mag men dan ook niet blind zijn voor de extreem-linkse inslag die de beweging hier en daar kende. Sommige acties waren weinig constructief en zorgden voor onnodige arrestaties. Na een reeks van zulke opstoten besloot de directie de universiteit van Nanterre te sluiten. Als gevolg hiervan hielden studenten in de prestigieuze Sorbonne een vergadering om de toestand te bespreken. De universitaire overheden stuurden meteen de politie. Onder de voorwaarde dat ze vredevol de universiteit mogen verlaten, komen de studenten uiteindelijk in kleine groepjes naar buiten. De vrouwen worden met rust gelaten, maar wanneer de eerste mannen zich tonen chargeert de politie en sleurt ze hen mee naar hun gepantserde combi’s. Het kabaal veroorzaakt door dit politieoptreden trekt een steeds groter wordende menigte aan en in een mum van tijd worden de smalle wegen voor de gepantserde wagens versperd. Op 3 mei wordt de lont aangestoken van wat de geschiedenis in zal gaan als de revolte van mei ‘68. Het Quartier Latin (universiteitskwartier) werd voor de rest van de avond geteisterd door gevechten met de politie, waarbij 100 gewonden vielen en 596 mensen gearresteerd werden; de autoriteiten lieten de Sorbonne sluiten. Als gevolg daarvan riepen de studenten- en lerarenvakbonden, UNEF en SNESUP, een staking van onbepaalde duur uit. Minister van Onderwijs Alain Peyrefitte verklaarde deze onmiddellijk onwettig. Daarbovenop werden de studenten die de afgelopen dagen opgepakt werden, nog eens zonder enige vorm van proces gevangengezet. Op 6 mei braken er nieuwe rellen uit in de studentenwijk: 422 arrestaties, 345 politiemensen en 600 studenten raakten gewond.

 

De nacht van 10 mei werd de nacht van de barricades, een van de meest repressieve gebeurtenissen uit hele de periode. De CRS viel niet enkel de studenten aan, maar stormde zelfs privé woningen binnen waar ze het aanvaardbaar vonden om onder andere een zwangere vrouw in elkaar te slaan. Uit huizen van Parijzenaars, vooral middenklasse, werden voorwerpen vanop het balkon naar de politie gesmeten. Tevens werden in die huizen gewonde studenten verzorgt (in het ziekenhuis zouden ze te makkelijk gearresteerd worden). De gebeurtenissen resulteerden in niet minder dan 720 gewonden en 468 arrestaties.

 

Doorheen deze eerste week trachtte de PCF de protesten af te schilderen als het werk van enkele groupuscules. In hun blad L'Humanité schreef hun voorman George Marchais een artikel met als titel: "Valse revolutionairenontmaskerd". De vakbondsleiding hield het bij simpelweg negeren. Maar na de reacties die het politieoptreden van 10 mei losmaakte (80 procent van de Parijse bevolking stond volgens opiniepeilingen achter de studenten) zagen de vakbonden zich gedwongen om actie te ondernemen. Op 11 mei riepen de drie grootste vakbonden CGT, CFDT en FEN, op tot een algemene staking op 13 mei. Het onderdrukken van de betogingen was de spontane aanleiding voor deze staking. Maar ondanks de economische groei had de arbeidersklasse ook haar eigen, meer persoonlijke problemen met het kapitalisme. Zo waren er in januari al schermutselingen ontstaan op de betoging van stakers in Caen.

 

Meteen na de aankondiging van de vakbonden krabbelde minister van Binnenlandse Zaken George Pompidou terug en stelde een heropening van de Sorbonne voor. Deze staking ging echter om meer, dit voorstel was te miniem en kwam bovendien te laat. Op 13 mei kwamen een miljoen betogers op straat, studenten en werknemers van zowat elk beroep uit zowat elke bedrijf. Tijdens de staking zelf waren slechts drie en een half miljoen mensen lid van de vakbonden, maar door de omstandigheden polariseerde de maatschappij zich in sneltempo, uiteindelijk zullen er 10 miljoen mensen deelnemen aan de staking.

 

De dag na de grote optocht gingen de arbeiders van Renault, een van de grootste fabrieken in Frankrijk, samen met vele anderen over tot de bezetting van hun bedrijf. Kranten werden niet meer geleverd, het openbaar vervoer van Parijs stond stil net zoals het spoor, de luchtvaartmaatschappijen en nog veel meer. Het begon stilaan duidelijk te worden dat de regering deze crisis onderschat had. Maar het hetzelfde gold voor de vakbonden. De top hoopte na de betoging elkaar schouderklopjes te kunnen geven en terug te kijken naar het goede werk dat ze weer afgehandeld hadden. Niets bleek minder waar.

 

Studenten en werknemers gingen zich in allerhande stakings- en actiecomités organiseren die meer en meer de functies van de burgerlijke staat begonnen over te nemen. Studenten in de bezette Sorbonne planden samen met leerkrachten hun eigen lessen, verdeelden functies zoals onderhoud, verzorging van gewonden en zelfs bescherming van de universiteit tegen aanvallen van de CRS en extreem-rechtse groeperingen. Ook in sommige fabrieken werden de zaken op gelijkaardige manier georganiseerd. In de westelijke havenstad Nantes, waar arbeiders in combinatie met boeren beslisten over zaken als voedseldistributie en vervoer, ging men het verst met de zelforganisatie. Dergelijke voorbeelden van zelfbestuur zouden later nog meer acties inspireren, zoals het overnemen van de productie in het bedrijf LIP in 1973.

 

Nu ook in de praktijk de rol van het kapitalisme in vraag gesteld werd, vluchtte De Gaulle naar Duitsland waar hij met generaal Jacques Massu (die hij in 1961 degradeerde wegens kritiek op zijn beleid) overlegde over een militaire inval indien het regime zou vallen. Dergelijke wanhoopsmaatregelen illustreren het revolutionaire potentieel dat de Franse werkende klasse op dat moment had.

 

In een hoek gedreven, met een repressiemachine die haar grenzen bereikt had, was de heersende klasse gedwongen om toegevingen te doen. Eerste Minister George Pompidou zei bereid te zijn om met iedereen te onderhandelen. De vakbondsleiding greep deze kans dan ook met beide handen. Het minimumloon ging omhoog, de wekelijkse arbeidsduur en de pensioenleeftijd daalden, het recht op organisatie werd terug in ere hersteld. Om de studenten te bedaren stelde Pompidou zelfs voor om de minister van Onderwijs te vervangen.

 

Hoewel deze toegevingen onder normale omstandigheden als een grote overwinning beschouwd zouden worden, had de vakbondstop na 27 mei grote problemen om ze aan de achterban te verkopen. Zo was op nationale televisie te zien hoe CGT-hoofdsecretaris George Séguin moest afdruipen terwijl de honderden Renault-arbeiders "Gouverment Populaire" (volksregering) scandeerden.

 

Het klassenbewustzijn was al voorbij het punt waarop kapitalistische hervormingen zouden voldoen om de gemoederen te bedaren. De arbeiders hadden hun eigen idee over macht ontwikkeld en het enige dat de CPF en de vakbond bij wijze van spreken nog moest doen was blazen en het kapitalisme zou aan diggelen hebben gelegen. Maar zoals we vandaag duidelijk kunnen zien, is hier nog weinig van overgebleven. Hoe is het mogelijk dat de grootste algemene staking uit de menselijke geschiedenis zo plots kon wegebben, en sterker nog, kon uitmonden in een versterking van het regime van De Gaulle.

 

Teleurstelling

 

De werkende klasse kan niet in een permanente staat van revolutionair enthousiasme gehouden worden. Wanneer de omstandigheden erom vragen is ze telkens bereid om strijd te leveren, de geschiedenis is rijk aan dergelijke voorbeelden. Op dat ogenblik stelt zich echter het probleem van de macht. Wanneer op die vraag geen duidelijk antwoord wordt gegeven en geen duidelijk eindpunt in zicht is, zal de arbeidersklasse uiteindelijk het strijdperk verlaten. Men keert dan terug naar de machines om zichzelf en zijn gezin te kunnen onderhouden. De teleurstelling treedt in.

 

Dit is de reden waarom de linkse partijen en vakbonden op schandalige wijze faalden. In plaats van al dat potentieel te organiseren en te kanaliseren in de praktijk, speelden ze maar al te graag volgens de regeltjes opgesteld door het kapitalisme zelf. Terwijl de CPF de gebeurtenissen dus bleef afschrijven als het werk van groepjes marginalen, wachtten ze braaf af tot aan de aangekondigde verkiezingen eind juni. Op het moment dat de stemming werd gehouden, was het grootste deel van de bevolking al terug verzeild geraakt in het repetitieve patroon van het dagelijkse leven. De communistische partij verloor hierdoor uiteindelijk meer dan 600.000 stemmen. De Gaullisten kwamen zegevierend terug met meer dan 1,2 miljoen extra stemmen. Dergelijke voorvallen zijn niets nieuws. De biennio rosso in Italië (1919 - 20) was ook een periode van enorme radicalisatie van de arbeidersklasse die na twee jaar, intensieve maar uitzichtloos wordende strijd, gevolgd werd door een overwinning van Mussolini en zijn fascistische zwarthemden.

 

Beide situaties kenden een demoralisering van de werknemers, na een gebrek aan slagvaardigheid van de arbeidersorganisaties, in een maatschappij die aan een sneltempo polariseert tussen links en rechts. Want laten we niet vergeten dat ook De Gaulle een betoging wist te mobiliseren van enkele honderdduizenden. Conservatieve kleinburgers, pro-kapitalistische liberalen en de extreem-rechtse groeperingen werden wakker geschud door de omstandigheden van de voorbije maand. En daarin vonden ze allemaal één gemeenschappelijk doel om zij aan zij op straat te komen.

 

De opflakkering van de populariteit van de Franse president was nochtans slechts van korte duur en enkel gebaseerd op de passiviteit van de 10 miljoen stakers en miljoenen studenten die na de grootste algemene staking geen reden zagen om te gaan stemmen. Sterker nog, mensen die voordien sowieso communistisch hadden gestemd, besloten nu om uit degout thuis te blijven. De Gaulle slaagde er nog in om zijn eigen handlanger Pompidou te dumpen en verloor daarna zijn positie als president door een stemming via referendum.

 

De gebeurtenissen van mei ‘68 in Frankrijk waren slechts éen van de vele omwentelingen die zich in de jaren ‘60 wereldwijd voordeden. De Vietnamoorlog, de Praagse Lente, de al even brutale repressie in Mexico, de revolutie in Pakistan en nog meer van zulke voorbeelden zijn het bestuderen waard. Wat Frankrijk hier zo opmerkelijk maakt, is dat men daar in éen maand komaf heeft kunnen maken met stellingen en ideeën waar we vandaag nog steeds mee te kampen hebben. De arbeidersklasse zou niet meer bestaan, buiten het kapitalisme is er geen ontwikkeling mogelijk en alle andere excuses zoals we ze nu nog horen van intellectuelen en politici van allerlei pluimage werden toen van de baan geruimd. Mei '68 in Frankrijk heeft aangetoond dat zelfs in een afgebakend stukje kapitalistische markt miljoenen mensen in een periode van enkele dagen de hele maatschappelijke hiërarchie kunnen doen wankelen.