Het heroïsche eiland in de flank van de machtigste natie ter wereld komt de laatste maanden weer regelmatig in de media omdat Washington besloten heeft de duimschroeven aan te draaien. Toch heeft de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties november ll. voor het twaalfde jaar op rij het economische embargo van de VS tegen Cuba veroordeeld. De verwerping kreeg een recordaantal stemmen: 179 tegen drie, met twee onthoudingen. De tegenstemmen kwamen van de VS, wapenbroeder Israël en de Marshalleilanden, een onooglijk kleine archipel die wel wat extra dollars kan gebruiken.

Begin oktober waarschuwde Washington dat het Caribische eiland een biologisch wapenprogramma ontwikkeld heeft en daarmee ‘andere schurkenstaten’ voorziet van biotechnologische onderdelen voor civiel én militair gebruik. Enkele dagen later kondigde de regering aan dat ze een speciale commissie tegen het Cubaanse regime in het leven roept, onder de eufemistische naam Committee for Assistance to a Free Cuba. Deze commissie moet de val van Fidel Castro bewerkstelligen en de installatie van een pro-Amerikaans regime. Zo zullen ze de radio-uitzendingen van de virulente Cubaanse rechterzijde vanuit Miami versterken om beter propaganda te voeren tegen de Cubaanse staat. Ook wil Bush het reisverbod naar Cuba verstrengen, hoewel hij daarbij stuit op een groeiend aantal parlementsleden die een versoepeling van de relaties met Cuba beschouwen als een betere weg om er opnieuw een kapitalistisch bewind te vestigen, veeleer de lijn die de EU volgde gedurende het afgelopen decennium.

Een arbeidersstaat, ondanks de misvormingen

Het standhouden van de Cubaanse arbeidersstaat is een doorn in het oog van de imperialisten, in de eerste plaats van noorderbuur Uncle Sam. Ondanks zijn tekortkomingen bewijst Cuba dat er een alternatief is voor het kapitalisme. Op basis van de genationaliseerde industrie en de planeconomie hebben ze grote stappen vooruit gezet. Welk ander derdewereldland heeft zo’n ontwikkelde gezondheidszorg als Cuba? In 1993 waren er 518 artsen per 100.000 inwoners, die bovendien gratis of goedkope verzorging verstrekken. Ter vergelijking: in datzelfde jaar waren er in België 365 artsen per 100.000 inwoners, in de VS 245, in Brazilië 134 en in Mexico 107. Gezondheidszorg is dus zeer toegankelijk voor iedereen in Cuba. De geneeskunde van Cuba is niet alleen democratisch, ze is bovendien hoogstaand. Veel Europese dokters en specialisten trekken jaarlijks naar het eiland om er bij te leren, bijvoorbeeld over virologie. Dankzij de planeconomie bestond werkloosheid voor lange tijd niet. In Cuba zie je niet de ontzaglijke sloppenwijken zoals in andere Latijns-Amerikaanse landen. Op verscheidene ontwikkelingsindicatoren zoals kindersterfte, alfabetisering, gelijkheid tussen man en vrouw, levensverwachting enzovoort scoort het land hoog, zeker in vergelijking met het lage Bruto Binnenlands Product per inwoner. Aangezien de staat zorgt voor de invulling van basisbehoeften door onder meer goedkoop onderwijs en gezondheidszorg, wegen allerlei sociale problemen minder door op het leven. Bij echtscheidingen vechten ouders bijvoorbeeld in veel mindere mate onderling voor financiën om voor de kinderen te zorgen. En in weerwil van wat de ideologische propaganda ons wil doen geloven, staat de overgrote meerderheid van de Cubanen nog steeds achter de revolutie. Ze zijn zich immers ervan bewust dat de voordelen die zij genieten ten opzichte van mensen in andere ‘arme’ landen te danken zijn aan de revolutie van 1959.

Natuurlijk is Cuba geen voorbeeld van wat wij bedoelen als we over socialisme spreken (lees bijvoorbeeld Cuba 40 jaar laterCuba 40 jaar later). Bij het ineenstorten van de dictatuur van Batista door de strijd van de guerrillero's én de algemene staking in Havana werd het machtsvacuüm opgevuld door de leiding van de guerrilla. Vanzelfsprekend was de militaire organisatie van de guerrilla niet direct een toonbeeld van democratie en werden de meeste maatregelen grotendeels van bovenuit gedirigeerd.

Aanvankelijk wilden Castro en Guevara trouwens enkel een burgerlijk systeem invoeren dat zich loskoppelt van de dominantie van de grootmachten, een beetje zoals Chavez vandaag wil doen in Venezuela. Een van Castro’s lichtende voorbeelden was de legendarische Amerikaan Benjamin Franklin, voorman van de Amerikaanse revolutie tegen de Britse heerschappij in de 18e eeuw. De VS reageerden echter zeer verkrampt op die Cubaanse bevrijdingsstrijd omdat het eiland voor Amerikaanse kapitalisten functioneerde als wingewest (vooral plantages) en bovendien als casino en bordeel. Ze probeerden het regime van Fidel te isoleren en te saboteren, wat de Cubanen uitlokte tot onteigening en nationalisatie van Amerikaanse multinationals.

In heel dit proces ging Cuba steeds meer aanleunen bij de Sovjetunie voor steun tegen de VS. Aanvankelijk predikten de revolutionaire leiders nog de wereldrevolutie – hoewel de strategie van guerrilla naar een doodlopende straat leidde – en Ché heeft regelmatig kritieken geuit op stalinistisch Rusland. Zo zonden ze bijvoorbeeld troepen naar Angola, hoewel Moskou hiertegen was. Maar de Cubaanse leiders stelden steeds hun nationale belangen voorop, desnoods ten koste van de belangen van de internationale arbeidersklasse en de wereldrevolutie. Naarmate het eiland meer in de invloedssfeer van Moskou kwam, werd die trend nog bekrachtigd. Ten tijde van de Praagse Lente sprak Castro zich uit voor de Russische interventie tegen de opstandelingen, hoewel het hier om een authentieke arbeidersrevolte ging die de sovjetbureaucratie wou omverwerpen, maar helemaal niet het kapitalisme opnieuw wou invoeren. Ook de Mexicaanse studenten konden in 1968 niet rekenen op de steun van Havana. Hun opstand werd in bloed gesmoord. Cuba genoot voordelige handelsrelaties met Mexico, en dat was voor de regering prioritair. In de jaren ‘70 en ‘80 verdween de revolutionaire retoriek over de omverwerping van het kapitalisme nog meer naar de achtergrond aangezien de pro-Moskou-fractie van de bureaucratie stevig controle verwierf over het staatsapparaat. Moskou had immers een akkoord met Washington om de internationale relaties stabiel te houden. Wereldrevolutie en omverwerping van het kapitalisme pasten dus niet meer in het plaatje. Voor Castro was een ‘gemengde economie’ bijgevolg oké, een raadgeving die de sandinisten in Nicaragua mee naar de ondergang leidde.

Markthervormingen voor de overleving van het socialisme?

De ineenstorting van de Sovjetunie was een regelrechte ramp voor Cuba. De Comecon stond immers in voor 80 procent van de handel. De Sovjetunie kocht Cubaanse suiker, het belangrijkste exportproduct, boven de wereldprijs en leverde olie onder de wereldprijs. En plots viel die steun weg aan het begin van de jaren ‘90. Tussen 1989 en 1993 kromp de Cubaanse economie met een ontstellende 35 procent. Dat de arbeidersstaat standhield, ondanks die moeilijkheden en de blijvende druk van de VS, heeft te maken met het besef onder grote lagen van de bevolking dat ze nog altijd in veel betere omstandigheden leven dan in de rest van Latijns-Amerika en de Caraïben. Het Cubaanse regime is dan ook het product van een recentere revolutie dan die in Oost-Europa. Vele mensen hebben zelf nog voor die verworvenheden gevochten of toch zeker de overgangsperiode bewust meegemaakt. Bovendien is een aanzienlijk deel van de bureaucratie, in tegenstelling tot de bureaucratie in Oost-Europa aan het einde van de jaren ‘80, heel weerhoudend tegenover de herinvoering van het kapitalisme omdat ze daar zelf schade zou kunnen bij oplopen. Aan de overkant van de Golf van Mexico is Miami vergeven van extreem-rechtse Cubanen die een bloedbad zouden aanrichten als ze de kans krijgen om terug te keren. Een deel van de bureaucratie loopt dus het gevaar van fysieke eliminatie als ze een kapitalistische contrarevolutie zouden uitvoeren zoals in Oost-Europa.

In die penibele omstandigheden schakelde de regering over op een oorlogseconomie, met rantsoenering en daling van de sociale uitgaven. In 1990 werd brood gerantsoeneerd op 100 gram per persoon per dag. Vanaf het midden van de jaren ‘90 voerde het regime ook beperkte ‘markthervormingen’ in om buitenlandse deviezen aan te trekken en zo het hoofd boven water te houden. De dollar werd gelegaliseerd en nu drijven ze op een duaal systeem, met de genationaliseerde planeconomie naast kapitalistische elementen en twee parallelle munten: de Amerikaanse dollar en de Cubaanse peso. De economie werd gedeeltelijk opengesteld voor buitenlands kapitaal. Cuba speelde daarbij handig in op de toenemende verdeeldheid tussen de VS en Europa. Vooral Europese landen investeerden er, terwijl Washington antwoordde met de Helms-Burton-wet die juist zo’n investeringen wil verbieden en bestraffen.

Als resultaat van de ‘markthervormingen’ zijn nu ongeveer zeshonderd bedrijven in handen van buitenlandse multinationals. Zij kregen de vrijheid om kapitaal uit het land te exporteren en joint ventures op te zetten in Cuba. Ook het staatsmonopolie op de buitenlandse handel werd gedeeltelijk opgeheven en individuen mogen in beperkte mate bedrijven opstarten, voornamelijk in de toeristische industrie. Die sector vormt momenteel de belangrijkste bron van inkomsten voor het eiland. Tegelijk heeft de ontwikkeling van het toerisme ook ontwikkeling van de seksindustrie meegebracht en daarmee een achteruitgang van de positie van de vrouw.

Gezien de zeer moeilijke economische situatie door het isolement zijn die pro-kapitalistische hervormingen begrijpelijk. Het land heeft immers buitenlandse deviezen nodig voor de aankoop van producten op de wereldmarkt aangezien het onmogelijk is vandaag de dag autarkisch te leven. Dit zijn onmiskenbaar stappen achteruit voor de verworvenheden van de revolutie, maar zelfs een gezonde arbeidersstaat zou bepaalde stappen hebben moeten ondernemen na de val van de Sovjetunie. Zo was ook Rusland onder Lenin door het internationale isolement en de verwoestingen van de burgeroorlog begin jaren ‘20 gedwongen om tijdelijk een stap terug te zetten en beperkte ‘markthervormingen’ door te voeren (de Nieuwe Economische Politiek). Niettemin was er een zeer belangrijk verschil met het huidige Cuba. De greep van de Russische bureaucratie op de communistische partij en de staat was toen nog niet geconsolideerd en de Russische arbeidersstaat riep nog steeds op voor de socialistische wereldrevolutie. Voor Lenin en zijn kameraden was de NEP een tijdelijke maatregel, in afwachting van een meer gunstige situatie voor de revolutie in andere landen. Ze bleven een internationalistische politiek voeren omdat ze ook wisten dat het overleven van de Russische revolutie in de eerste plaats afhing van het slagen van revoluties in andere landen.

In Cuba is de situatie heel anders. Daar heeft de bureaucratie al lang haar macht geconsolideerd, hoewel niets natuurlijk onvergankelijk is. Zoals gezegd stelt de Cubaanse bureaucratie de eigen nationale belangen voor die van de wereldrevolutie. Een aanzienlijk deel van de apparatsjiks ziet wel iets in het Chinese model, namelijk het naast elkaar bestaan van socialistische kenmerken en kapitalistische relaties, niet als tijdelijke maatregel maar als permanent systeem.

Castro zou graag een ‘gemengde economie’ opbouwen, zoals hij de sandinisten adviseerde en nu ook ten opzichte van Chavez in Venezuela doet. Marxisten daarentegen roepen de Venezolaanse president en volk op om een socialistische revolutie door te voeren. Als Venezuela niet overgaat tot onteigening van de multinationals, de bankiers, de mediamagnaten en de grote industriëlen, dan blijft hun macht intact zodat ze steeds opnieuw een aanval kunnen inzetten op de rechten en vrijheden die het gewone volk nu heeft verworven. De ervaring van Cuba begin jaren ‘60 toont precies dat aan en is de reden waarom ze toen de juiste beslissing namen om de kapitalisten te onteigenen.

Vandaag echter is de Cubaanse leiding die lessen vergeten en willen ze vooral het imperialisme niet provoceren. Maar alleen al het bestaan van linkse leiders als Castro en Chavez is een provocatie voor de heersende klasse! Zij zullen blijven proberen om deze figuren, hun regimes en hun sociale basis onder de arbeiders en arme boeren te ondermijnen en te vernietigen. De Cubaanse bureaucratie kiest evenwel voor – fictieve – stabiliteit en dus geen internationale oproepen tot socialistische revolutie. Ondertussen proberen ze te balanceren op een wankel evenwicht tussen socialisme en kapitalisme. Nochtans kan geen enkel systeem lang overleven in een halfslachtige situatie. Op een bepaald moment zal een van de twee winnen.

Door de pro-kapitalistische hervormingen zijn de sociale tegenstellingen aanzienlijk toegenomen en staat Cuba meer en meer bloot aan de fluctuaties op de wereldmarkt. De laatste twee jaar is de prijs voor suiker en nikkel serieus gekelderd, en ook de toeristische sector bevindt zich in crisis. Volgens diverse bronnen raakt werkloosheid momenteel ongeveer 10 procent van de bevolking, terwijl nog eens 10 procent last heeft van ondertewerkstelling. De groeiende ongelijkheid is een serieuze bedreiging voor de Cubaanse revolutie. Een bepaalde bevolkingslaag verrijkt zich op basis van de ‘markthervormingen’, en het is juist binnen die laag van nieuwe rijken en middenklasse dat de imperialisten mensen tracht te vinden die hun plannen voor het herstel van het kapitalisme willen steunen. Die ontluikende Cubaanse bourgeoisie denkt met heimwee aan de dagen dat het eiland één groot casino en bordeel was, waar vrijheid van ondernemen aan een rijke minderheid het recht gaf de rest van de bevolking op allerlei manieren naar goeddunken te misbruiken. Washington probeert onder die laag een basis te verwerven door hen te financieren en hen aan te zetten tot sabotage en subversie.

We moeten die verhoogde aandacht van de VS voor Cuba plaatsen binnen zijn context. Sinds het aantreden van Bush jr. komt Washington opnieuw veel meer direct tussen in de strijd om markten en werelddominantie. In de naweeën van de overwinning op Saddam is het zwaartepunt van de macht binnen de Amerikaanse regering nog meer naar rechts opgeschoven. De reactionaire kliek van neoconservatieven rond Rumsfeld en Cheney heeft nu stevig de touwtjes in handen. Door de slachtingen in Irak hebben ze bloed geroken en zijn ze op zoek naar een volgend slachtoffer. En Cuba prijkt hoog op hun lijst…

De wankele situatie in Latijns-Amerika, waar sinds enkele jaren de sociale bewegingen van onderdrukten opnieuw een gooi doen naar de macht, noopt het Amerikaanse imperialisme tot tussenkomsten, openlijk zoals bij de strijd tegen de Colombiaanse guerrilla, of in het geheim via coördinatie van de rechterzijde en de staat, zoals in Venezuela en Bolivia. In deze situatie is het bestaan van Cuba een constante bron van irritatie voor Washington en wensen ze zich zo snel mogelijk daarvan te ontdoen. Daarom proberen ze een permanente toestand van instabiliteit op het eiland te creëren en zetten ze hun Cubaanse marionetten aan tot provocaties.

Recht op zelfverdediging

De executie van drie mannen die een boot kaapten en de harde straffen uitgesproken over 74 tegenstanders van het Cubaanse regime in april, werden zo goed als wereldwijd veroordeeld, zeker door de media en de meeste regeringen. De woordvoerder van het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken, Richard Boucher, zei dat de VS sterk verontwaardigd is en minister van Binnenlandse Zaken Colin Powell eiste dat Cuba de gevangen 'gewetensbezwaarden' vrijliet. Als antwoord op zijn criticasters stelde Castro nochtans:

"Wij zijn nu verzonken in een strijd tegen provocaties die ons in de richting willen duwen van conflict en militaire agressie door de Verenigde Staten."

Cuba is inderdaad ernstig in gevaar. De strenge straffen weerspiegelen die penibele toestand. We kunnen ze niet zomaar veroordelen, los van de concrete situatie. Dit is geen kinderspel. We mogen hier niet licht over heen gaan en al te gemakkelijk oordelen vellen vanuit onze West-Europese context – in vergelijking met Latijns-Amerika hebben velen onder ons een zacht en veilig leven. Cuba heeft het recht zich te verdedigen tegen imperialistische agressie.

Laten we eerst naar de feiten kijken vooraleer de verschillende delen te analyseren.

De drie personen die ter dood veroordeeld zijn, hadden een passagiersboot gekaapt om daarmee de Verenigde Staten te bereiken. Dit was toen de derde kaperspoging in Cuba in twee weken tijd. Die situatie wordt aangemoedigd door de Amerikaanse wet, meer bepaald de Cuban Adjustment Act van 1966, die asiel garandeert voor alle Cubanen die erin slagen de Verenigde Staten te bereiken, ongeacht de methoden die ze daarvoor aanwenden of wie ze zijn. Regelmatig gaat het om criminelen die aan het Cubaanse gerecht proberen te ontsnappen door te vluchten naar de VS, waar ze sowieso asiel krijgen.

Bovendien verstikt de VS de economie van het eiland door het embargo, wat natuurlijk emigratie bevordert. Tezelfdertijd neemt de VS slechts zeer weinig Cubanen op via legale weg, hoewel ze hadden beloofd om jaarlijks 20.000 visums te verstrekken aan Cubanen. Sinds enkele maanden worden er amper nog visums verstrekt, wat een bewuste strategie is om illegale migratie, waaronder kapingen, te stimuleren. Daarmee wil Washington niet alleen de Cubaanse staat destabiliseren maar ook een alibi verwerven om de druk nog te verhogen. okBush zei het al:

“Een nieuwe migratiegolf vanuit Cuba zal door de VS beschouwd worden als een daad van agressie, en daar komt een passend antwoord op.”

In dezelfde periode van de executies richtte de Cubaanse regering haar woede op 74 ‘dissidenten’ die gevangenisstraffen kregen variërend van 6 tot 28 jaar. Maar wie zijn deze ‘dissidenten’ eigenlijk? Sommigen van hen verzamelen informatie over buitenlandse bedrijven die in Cuba investeren, zodat deze bedrijven gestraft kunnen worden met de Helms-Burton-wet, de Amerikaanse wet die bedrijven (ook niet-Amerikaanse) verbiedt in Cuba te investeren op straffe van economische sancties. Deze ‘dissidenten’ helpen dus om de blokkade in stand te houden. Anderen doen dan weer aan mensensmokkel en werken samen met de Cubaanse maffia in Florida, die regelmatig terroristische aanvallen op Cuba uitvoert met snelle boten vanaf de Amerikaanse kust. Ze willen daarmee het regime destabiliseren en onder andere de cruciale toeristische industrie raken.

Onder de dissidenten zitten tevens leden van het ‘Varela Project’. De voornaamste eis van deze groep is een referendum. Ze zien dit als een ‘geleidelijke stap’ naar de eliminatie van de huidige staat, die samen met de staatsgeleide economie uit de revolutie van 1959 werd geboren. In feite staan zij niet voor ‘democratie’, maar voor een terugkeer naar het kapitalisme. En het kapitalisme zal zeer bloedig zijn in Cuba, zoals in menig ander derdewereldland. Het gaat bijgevolg allerminst om ‘onafhankelijke journalisten en syndicalisten’, hoewel sommige – een minderheid weliswaar – van de beklaagden inderdaad journalist of lid van de vakbond zijn. Deze personen werken samen met de Helms-Burton-wet, en dat is terecht strafbaar, niet alleen in Cuba, ook in de EU en België. Ze willen daarenboven het kapitalisme naar Cuba brengen en zo de verworvenheden van de revolutie vernietigen. Dat is een aanslag op het welzijn van de Cubanen en verdient geen malse straffen, zeker niet op een moment dat Washington een nieuw offensief inzet om het land open te breken.

De officiële klacht tegen de gedaagden luidt ‘misdaden tegen de onafhankelijkheid of territoriale integriteit van de staat’. Veel bewijsmateriaal toonde zonder enige twijfel aan dat de tegenstanders grote sommen geld hadden ontvangen van de Amerikaanse regering. Dit geld ging via James Cason, het hoofd van de US Interests Section in Havana, eigenlijk de Amerikaanse ambassade. Deze financiering werd op geen enkel moment ontkend door Powell of door een andere woordvoerder van de VS. Deze informatie is trouwens beschikbaar op websites van de Amerikaanse regering. In 2000 gaf het Amerikaanse Agentschap voor Internationale Ontwikkeling (USAID), 670.000 dollar aan drie Cubaanse organisaties om “de publicatie vooruit te helpen van het werk van onafhankelijke journalisten op het eiland… en om hun schrijfsels te verspreiden in Cuba” (USAID rapport, Evaluatie van het USAID Cuba Programma, 2001). De criteria voor financiering spreken boekdelen: de ontvangers moeten getoond hebben het Amerikaanse beleid te onderschrijven voor een ‘regimewissel’ in Cuba naar ‘vrije markt’ en ‘democratie’.

De gezant van Washington, James Cason, heeft als taak om contrarevolutionaire dissidenten bij elkaar te brengen en hen beter te organiseren om zo het regime omver te werpen. Daartoe heeft hij talloze bijeenkomsten met hen georganiseerd onder het dak van zijn residentie en zijn bureau. De ‘dissidenten’ krijgen zijn persoonlijke bescherming en hij verschaft hen allerlei middelen, zoals telecommunicatie, om in hun missie te slagen. Ondertussen richtten zij onder de impuls van Cason een partij op om het kapitalisme opnieuw te laten zegevieren. Om de haverklap provoceren Cason en zijn trawanten de Cubaanse autoriteit, ondanks de talrijke waarschuwingen. Welke staat zou toestaan dat ze op zo’n manier wordt ondergraven?

Amerikaanse huichelarij

Via dit soort middelen proberen de Amerikaanse imperialisten het werk van contrarevolutionaire krachten in Cuba en andere landen te steunen. Ze mengen zich voortdurend in de binnenlandse aangelegenheden van andere staten als ze niet houden van het beleid dat er gevoerd wordt. Het staat bijvoorbeeld buiten kijf dat de Amerikaanse ambassade en de CIA betrokken waren in de pogingen van contrarevolutionairen om de regering van Hugo Chavez in Venezuela omver te werpen.

Het Amerikaanse ministerie van Buitenlandse Zaken omschrijft dit soort activiteiten officieel als 'hulp'. Wanneer iemand de imperialistische belangen van de VS wil verdedigen tegenover een buitenlandse regering, dan wordt dat als legitiem gezien. Nochtans is het een heel ander verhaal wanneer buitenlandse machten pogingen ondernemen om hetzelfde te doen tegenover de VS. Volgens de Amerikaanse wet kunnen gelijkaardige ‘hulpacties’ van een buitenlandse diplomaat in de VS leiden tot strafrechterlijke vervolging en tot tien jaar gevangenisstraf. Dit is toepasbaar op eenieder die ermee instemt “te handelen binnen de VS onder de leiding of controle van een buitenlandse regering of overheidsfunctionaris” (artikel 18, hoofdstuk 951 van de Amerikaanse Wet).

De hypocrisie van de Amerikaanse overheid is eveneens schrijnend wanneer we naar de status kijken van vijf Cubanen die momenteel lange straffen uitzitten (ondermeer twee levenslang) in de Amerikaanse staatsgevangenis. De vijf probeerden de verbannen extreem-rechtse Cubaanse terroristengroepen in Miami te verhinderen gewelddadige acties tegen Cuba te ondernemen. De VS beweren een mondiale ‘oorlog tegen het terrorisme’ te voeren. Tezelfdertijd zorgen ze echter via de CIA en samen met de Cubaanse maffia voor de financiering, training en bewapening van extreem-rechtse groepen, die de afgelopen vijf jaar verscheidene terroristische aanslagen uitvoerden tegen de Cubaanse overheid. Maar in plaats van Cubaanse terroristen te vangen, gingen ze achter de vijf Cubaanse agenten aan! Hypocriet protest en moraliserende artikels kunnen deze dubbele standaarden niet verbergen.

De hypocrisie van de Amerikaanse regering wordt nog frappanter wanneer we zien hoe Washington tekeer gaat tegen de executies in Cuba, maar gemakshalve vergeet dat elk jaar honderden mannen en vrouwen ter dood veroordeeld worden in Amerika, terwijl Cuba slechts sporadisch en onder sterk verschillende omstandigheden de doodstraf uitvoert. Sinds 1976 hebben de VS bij meer dan zevenhonderd mensen de doodstraf uitgevoerd, 248 van hen in Texas. Sterker nog, van diegenen die sinds 1973 geëxecuteerd werden, hebben de rechtbanken er later 95 volledig in hun eer moeten herstellen. Deze mensen waren totaal onschuldig aan de misdaad waarvoor ze gedood werden. De Amerikaanse regering heeft helemaal het recht niet te protesteren tegen de doodstraf in Cuba, terwijl ze wat dat betreft zelf met een van de slechtste dossiers zit. George Bush heeft dienaangaande nog minder recht tot klagen dan de rest. Als gouverneur van Texas, de staat verantwoordelijk voor een derde van de executies sinds 1976, stond hij bekend om zijn lukraak gebruik van de doodstraf en om zijn weigeringen te antwoorden op verzoeken om genade.

Dit is ook een klassenkwestie. De grote meerderheid van de gigantische gevangenisbevolking in de VS en de grote meerderheid van diegenen die ter dood veroordeeld worden, zijn arme mensen, voornamelijk zwarten en Latino’s. Afgezien van Somalië zijn de VS het enige land ter wereld dat weigert de Conventie van de Rechten van het Kind te ondertekenen. Waarom? Omdat in de VS zelfs minderjarigen die een misdaad begingen, de doodstraf kunnen krijgen. Achttien staten laten de executie toe van kinderen vanaf zestien jaar. De conventie omvat een clausule die dit zou verbieden.

De Amerikaanse regering heeft een hele reeks pogingen tot een coup tegen de Cubaanse regering gesteund. Ze probeerde zelfs in 1961 het land binnen te vallen met een huurlingenleger tijdens de beroemde episode in de Varkensbaai. Ze hebben een embargo aan het land opgedrongen, eigenlijk al sinds het prille begin van de revolutie. Het is niet alleen de persoon Castro die de burgerij van de VS verontrust. Wat ze meer dan alles vrezen is de aard van het regime in Cuba. Ze kunnen niet tolereren dat het kapitalisme afgeschaft werd in een land dat nog geen 150 kilometer van hun kust verwijderd ligt. De Cubaanse Revolutie was en is een referentiepunt voor de onderdrukte massa in Latijns-Amerika. Dat is de reden waarom Amerikaanse imperialisten Cuba haten, niet omwille van haar omgang met mensenrechten.

Links buigt voor de druk van de imperialisten

We moeten onszelf baseren op een klassenstandpunt wanneer we analyseren wat er gaande is in Cuba. De belangen van de werkende klasse staan voorop, zowel binnen als buiten Cuba. Indien we dit niet doen riskeren we uit evenwicht te geraken en lopen we in de val van discussie over abstracte begrippen als ‘democratie’ en ‘gerechtigheid’, terwijl we uit het oog verliezen waar het echt om gaat.

Dat is jammer genoeg het standpunt van bepaalde linkse intellectuelen. Aanvallen tegen de Cubaanse revolutie vanuit Washington of door de burgerlijke media zijn niet nieuw. In dit verhaal is de kritiek echter ook vanuit andere hoek gekomen. De stroom van openlijke beschuldigingen kwam eveneens van vele zogenaamde oude ‘vrienden van Cuba’. Ook veel linkse partijen uit Europa of Latijns-Amerika voerden verhitte discussies. Doorgaans progressieve intellectuelen zoals Chomsky, Galeano, Wallerstein, Zinn, Saramago en Sontag sprongen op de kar van verontwaardiging tegen het Cubaanse regime. Blijkbaar stelden zij zich op geen enkel moment de vraag wat de gevolgen konden zijn van hun uitlatingen in de media. Neen, ze vertrekken liever van een abstracte verontwaardiging over dé doodstraf dan de concrete omstandigheden van de executies te analyseren en de concrete gevolgen van hun publieke verontwaardiging in te schatten. De media sprongen in elk geval gretig op de morele verwijten aan het adres van Castro. Deze linksen mogen dus fier zijn dat ze hun steentje hebben bijgedragen aan het offensief van het imperialisme tegen de Cubaanse revolutie.

De ‘vrienden van Cuba’ zijn de grondbeginselen vergeten. Er is geen absolute ‘democratie’ of ‘gerechtigheid’ in de huidige kapitalistische samenleving. Formele burgerlijke democratie is slechts schijn, bedoeld om de dictatuur van een handjevol rijken te maskeren. De laatste tijd besparen ze zich zelfs de moeite om het gebrek aan democratie te verdoezelen. Kijk maar naar de verkiezingen in de VS, waarvan iedereen weet dat Bush verkozen werd door middel van vervalste stemmen. En wat met de Europese steun aan de oorlog tegen Irak? Peilingen toonden aan dat een verpletterende meerderheid van de Europeanen tegen die oorlog gekant waren, en toch slaagden de regeringen van de verschillende Europese landen erin om direct (troepen) of indirect (transporten) steun te verlenen aan deze agressie. Blair wist dat hij volkomen geïsoleerd was van de opinie van de gewone Britten, maar toch bleef hij als staatshoofd de inval in Irak met vuur verdedigen, op basis van bewust verdraaide gegevens. Democratie onder het kapitalisme is een farce, en de ‘vrienden van Cuba’ zouden dit moeten weten.

Hetzelfde geldt voor het begrip ‘gerechtigheid’. Het principe ‘iedereen gelijk voor de wet’ is geldig zolang we de omvang van onze portemonnee negeren! De schrijver Anatole France schreef al lang geleden over de verhevenheid van de wet die armen én rijken het recht geeft te verhongeren en te slapen onder bruggen.

Er zijn veel dingen in het Cubaanse regime waarmee wij niet akkoord gaan. Eén ding kan echter niet genegeerd worden: de Cubaanse revolutie onteigende de imperialisten en de burgerij en creëerde de voorwaarden voor een enorme vooruitgang wat betreft gezondheid, onderwijs en leefomstandigheden van de massa. Dat is de ‘misdaad’ die de imperialisten Cuba nooit zullen vergeven. Al vier decennia gebruiken ze elke smerige methode denkbaar om die vooruitgang teniet te doen en Cuba zo weer onder de tedere genade van imperialisten en kapitalisten te brengen. In deze strijd kan er geen sprake zijn van neutraliteit. We moeten Cuba te allen tijde tegenover de imperialistische agressor verdedigen.

“Ja”, zullen de ‘vrienden van Cuba’ antwoorden, “maar wij zijn tegen geweld.” Dit is geen nieuw deuntje. Veel reformisten en pacifisten klagen regelmatig over het gebruik van geweld ‘in het algemeen’. Wij geloven ook dat het gebruik van geweld een spijtige zaak is. Wij vinden de doodstraf ook verwerpelijk. Maar laat ons niet vergeten dat we in een wereld leven waar de heersende klasse dagelijks brutaal geweld toepast. De oorlog in Irak spreekt voor zich. De enige manier om geweld uit te roeien, is het systeem omverwerpen dat zulk geweld produceert. Dit systeem is het kapitalisme, met al zijn sociale verschillen en onrechtvaardigheid. Hiervoor pleiten wij, maar zolang de Amerikaanse imperialisten geweld gebruiken om hun doelstellingen aan de wereld op te leggen, hebben kleine landen het recht zich zo goed mogelijk te verdedigen.

De sleutel tot de verdediging van Cuba

De waarheid is steeds concreet, zei Hegel graag. Wij moeten ook concreet zijn. In dit geval gaat het om een conflict tussen langs de ene kant het machtigste en meest meedogenloze land ter wereld en langs de andere kant een klein eiland. Dit kleine eiland slaagde er op zijn minst in uit de wurggreep te geraken van het imperialisme en de productiemiddelen te nationaliseren. Sinds de val van de Sovjetunie heeft Cuba met veel moeite kunnen overleven, terwijl haar vijanden het eiland isoleerden en versmoorden.

In dit conflict kan de internationale werkende klasse niet neutraal blijven. Wij strijden samen met Cuba tegen het Amerikaanse imperialisme. Wij steunen een land dat het analfabetisme heeft uitgeroeid en waar het gezondheidssysteem is uitgegroeid tot het meest ontwikkelde in Latijns-Amerika. Cuba bereikte deze resultaten dankzij de planning van de beschikbare middelen en het consequent uitbannen van de kapitalistische marktanarchie. Dit is een baken voor de massa in Latijns-Amerika en de rest van de wereld. Dát is wat de imperialisten niet kunnen verdragen.

Natuurlijk kunnen we ons daarbij de vraag stellen of executies wel zo’n goede methode zijn voor de verdediging van de verworvenheden van de Cubaanse Revolutie. Wat in de concrete context immers belangrijker is dan de morele verwerpelijkheid van de doodstraf, is de schade die Cuba kan oplopen door de executies. Het regime heeft zo immers aan het imperialisme een stok aangeboden om hen te slaan. En ze hebben al gretig gebruikt gemaakt van deze stok om een grootscheepse mediacampagne op te zetten waarin de ‘mensenrechten op Cuba’ aan de kaak worden gesteld. Vele oprecht linkse mensen, met een gezonde afkeer van geweld en de doodstraf, weifelen over hun steun aan Cuba. Vanuit tactisch oogpunt waren de executies waarschijnlijk niet zo’n goed idee, want daardoor heeft Castro zijn internationale basis ondergraven.

Uiteraard moeten we dit niet overdrijven. Toen eind april in Madrid een betoging werd georganiseerd tegen de repressie in Cuba en tegen het regime van Castro, daagden er maar een kleine duizend demonstranten op, grotendeels Cubaanse bannelingen, en dat ondanks de mediacampagne in de voorgaande weken en de oproepen van intellectuelen, partijbonzen en zelfs rechtse vakbondsbureaucraten. Deze actie was dus pietluttig, zeker als we ze vergelijken met de monsterbetogingen het laatste jaar in Spanje rond allerlei andere sociale zaken (Irak, olietankers en milieu, de EU, antiglobalisme enzovoort).

De sleutel tot de verdediging van Cuba ligt niet in Cuba zelf maar in de rest van de wereld, en in de eerste plaats Latijns-Amerika. De situatie van Cuba kan niet geïsoleerd worden van de overige Latijns-Amerikaanse landen. De toekomst van de Cubaanse revolutie hangt juist heel sterk af van de ontwikkelingen in het continent. Zoals we reeds meermaals geschetst hebben is Latijns-Amerika een continent in beroering waar de klassenstrijd op het scherpst van de snee gevoerd wordt. Het is evident dat de groeiende invloed van het imperialisme op het eiland een enorme klap zou krijgen indien de revolutie in bijvoorbeeld Venezuela slaagt. Vandaar de nood aan een duidelijke internationalistische politiek.

De rotte plek verwijderen

De VS zal Cuba niet direct militair binnenvallen. Momenteel zitten ze vast in Irak. En wat nog doorslaggevender is: zo’n operatie zou hevig verzet uitlokken in heel Latijns-Amerika, zeker nu de klassenstrijd van arbeiders en boeren in een opgaande fase zit. Daardoor zou Washington het gevaar op nederlagen in de eigen achtertuin vergroten.

Dat betekent uiteraard niet dat men in Cuba bij de pakken moet blijven zitten, integendeel. De omverwerping van het regime is een erg reëel gevaar voor de Cubaanse arbeidersklasse. Het grootste gevaar komt overigens niet van buitenaf, van een handvol gusanos en maffiosi, maar wel van binnen het regime zelf. Binnen de Cubaanse staat is al een stroming aanwezig die verbonden is met de laag nieuwe rijken die hebben geprofiteerd van de pro-kapitalistische hervormingen. De belangen van de opkomende Cubaanse bourgeoisie vinden al hun uitdrukking binnen de bureaucratie en de Communistische Partij, net zoals in Rusland tijdens de jaren ‘20 de nieuwe rijken die voortkwamen uit de ‘markthervormingen’ van de NEP hun belangen uitdrukten via de rechterzijde rond Boekarin. Zolang Castro leeft zullen deze pro-burgerlijke elementen in het gareel worden gehouden. Wanneer hij echter sterft, zal – zoals bij de desintegratie van de Sovjetunie gebeurde – een deel van de leiding in de Communistische Partij eieren voor haar geld kiezen en ruimte geven aan de nieuwe rijken om het kapitalisme opnieuw in te voeren. Ze zullen zelf sleutelposities bezetten om de staat en de economie te plunderen. Dát is het grootste gevaar voor de Cubaanse revolutie.

Er bestaat maar één duurzame manier om die bedreiging te weerstaan: afschaffing van de privileges en de bureaucratie en de invoering van een regime van arbeidersdemocratie. Wat Cuba nodig heeft, is een politieke revolutie tegen de wurggreep van de bureaucratische kaste. Laat ons hierin heel duidelijk zijn: uiteraard moet de inmenging van de Amerikaanse regering in Cuba honderd procent veroordeeld worden, maar dat sluit niet uit dat er geen kritiek gegeven mag worden op de politiek van het regime zelf. Het is een publiek geheim dat de Cubaanse bevolking, ondanks alle sociale verworvenheden, zelf weinig te zeggen heeft over het bestuur van het eiland. Precies dit is de achillespees van de Cubaanse revolutie. Zonder democratische controle van de gewone werkende mensen kan een socialistische revolutie niet overleven. In de woorden van Trotski, het socialisme heeft democratie nodig zoals een menselijk lichaam zuurstof nodig heeft. We spreken hier niet over een burgerlijke democratie (waar democratie uiteindelijk beperkt blijft tot het om de zoveel jaar mogen stemmen), maar over een echte democratie waarin de arbeidersklasse georganiseerd is in uiterst democratische organen (sovjets of raden) en actief deelneemt aan het dagelijkse bestuur.

Laten we niet vergeten dat de kapitalistische contrarevolutie in Oost-Europa slechts een kans kreeg door de decennia van wanbeheer, corruptie en dictatuur van de partijleiding. Daarom is onze slogan 'Terug naar Lenin'. Hij formuleerde minstens vier voorwaarden voor een echte arbeidersdemocratie.
1. Vrije en democratische verkiezingen voor alle posities in de staat met het recht op afzetbaarheid
2. Geen functionaris mag een loon krijgen dat hoger is dan dat van een geschoolde arbeider.
3. Geen staand leger of politie maar het bewapende volk.
4. Alle administratieve taken moeten in toenemende mate gedaan worden door iedereen om de beurt; als iedereen een bureaucraat is, dan is niemand een bureaucraat.

Natuurlijk moeten deze voorwaarden geconcretiseerd worden in de Cubaanse context, want op zich blijven het algemene richtlijnen. Als we in die richting gaan, blijft de doelstelling steeds de verdediging van de verworvenheden van de revolutie. Concretisering van Lenins voorwaarden in de Cubaanse context is niet vanzelfsprekend. We praten hier immers over een klein eiland dat vertrekt van een veel zwakkere materiële basis dan de ontwikkelde kapitalistische landen, omdat het enkele decennia geleden nog een officieuze kolonie van de VS was, en sindsdien door de ex-kolonisator in een wurggreep wordt gehouden.

Neem bijvoorbeeld de toepassing van Lenins tweede voorwaarde op Cuba. Een zeker verschil in lonen is onvermijdelijk in een economie die nog steeds wordt geteisterd door schaarste en kapitalistische omsingeling. Zolang de economie, waaronder de arbeidsproductiviteit, niet kan voorzien in overvloed – ieder naar zijn behoeften en naar zijn mogelijkheden zoals Marx het zo mooi stelde – is loonspanning een element in de motivatie van hoog of hoger geschoolde werkkrachten. Dit is vooral zo in technische uitvoerende banen waarvan de invulling geen politiek engagement of bewustzijn vereist, maar waarop de overheid zeker in de huidige omstandigheden nog een beroep moet doen. Helemaal anders gaat het met politieke posities in de arbeidersstaat, in de partij, de vakbeweging en andere takken van de arbeidersbeweging. Er is een duidelijk kwalitatief en dikwijls ook een kwantitatief verschil tussen loonspanning en privileges. In de staat, de partij en de arbeidersbeweging komt het erop aan het voorbeeld te geven, net zoals Lenin en zijn kameraden deden in Rusland. Hier moet de loonspanning tot een minimum herleid worden en moeten alle privileges die kunnen voortvloeien uit posities en partijlidmaatschap (dollarlonen, toegang tot speciale winkels en goederen, hotels, nepotisme, het opstarten van eigen handeltjes, ongelijke behandeling door het gerecht en de politie enzovoort) verbannen worden. Dat is niet het geval op Cuba. Uit de statistieken over economische criminaliteit op Cuba blijkt dat een zeer groot aantal van deze misdaden worden gepleegd door partijleden, en dit op alle niveaus. De bureaucratie zwemt in privileges en ze zijn een serieus gevaar voor de revolutie.

Eenzelfde redenering geldt voor de eis van een bewapend volk. Hoe gaan we de arbeidersdemocratie toepassen op het militaire vlak? In Cuba is het staatsapparaat van bij het begin overheerst door de guerrilla, die in 1959 het machtsvacuüm invulde na de vlucht van Batista. Ondanks de populariteit van de guerrilla en alle progressieve maatregelen die de regering nam, was hier in de verste verte geen sprake van arbeidersdemocratie in het leger. Een bewapend volk en invoering van arbeidersdemocratie betekent in de Cubaanse omstandigheden in de eerste plaats de invoering van verkiezing van de officieren en de afschaffing van de privileges van die officieren. Dit betekent niet de afschaffing van de loonspanning, maar wel de onderwerping van de loonspanning aan de democratische controle en de rechtvaardiging ervan om technische of andere redenen. Een bewapend volk betekent verder de geleidelijke algemene militaire vorming van jongeren en minder jongeren, want Cuba wordt constant belaagd door de VS, en dat vereist de mogelijkheid tot verdediging. Gekoppeld aan die algemene vorming dient het professionele kader van het Cubaanse leger geleidelijk te worden afgebouwd. Een gedeelte van het professionele kader zal echter zeker in een eerste fase overeind blijven. Er zijn immers technici nodig, leraars aan de militaire school enzovoort. Maar als algemene lijn dient een echt socialistisch Cuba te gaan in de richting van de afbouw van het staand leger, wat een totale hervorming inhoudt van het huidige repressieapparaat, met onder meer het opdoeken van de kazernes als versterkte burchten waar soldaten, wapenopslagplaatsen enzovoort worden beschermd tegen het ‘volk’. De Commune van Parijs uit 1871Commune van Parijs uit 1871 is hier nog steeds een prachtig voorbeeld van hoe een revolutionair volk zich gewapend organiseert.

Ook op het vlak van politieke democratie moet Cuba belangrijke stappen nemen om de revolutie te verdedigen. Socialisme kan niet bestaan zonder fundamentele democratische rechten zoals vrije meningsuiting en het recht zich te organiseren. Het eenpartijstelsel is geen pijler van het socialisme, integendeel. In Cuba zou het mogelijk zijn om de vrijheid toe te staan tot organiseren van een groep of partij zolang die de genationaliseerde planeconomie aanvaardt. In normale omstandigheden van een gezonde arbeidersstaat moeten pro-kapitalistische partijen eveneens alle democratische rechten krijgen. Ze zouden weinig impact hebben en op termijn zelfs verdwijnen omdat ze zouden behoren tot een vroegere ontwikkelingsfase in het menselijk bestaan. Dat is evenwel niet de situatie vandaag. In de concrete situatie van een eilandje, verstikt door een embargo en het mikpunt van Washingtons haat, is het spijtig genoeg niet mogelijk om ook pro-kapitalistische partijen toe te laten, aangezien je zo een paard van Troje zou binnenhalen. De VS zouden op die manier een propagandamiddel verkrijgen waar ze gigantische sommen geld in zouden pompen om het kapitalisme op Cuba te herstellen. De kleine arbeidersstaat zou daar niet tegen opgewassen zijn.

Het toelaten van groepen en partijen die de basiskenmerken van de arbeidersstaat verdedigen zou echter de revolutie versterken, aangezien groepen die het huidige beleid van bureaucratisch centralisme aanvechten, zich dan legaal kunnen organiseren. Ondanks alles staat het leeuwendeel van de Cubanen nog steeds achter de revolutie. De contrarevolutie en de bureaucratie die daarvan de oorzaak is, kan uiteindelijk slechts gestopt worden door één tegengif: democratische controle door de massa. Vroeg of laat zál de bureaucratie immers omvergeworpen worden, ofwel door de imperialisten ofwel door een politieke revolutie van onderuit.

Dit artikel is ten dele gebaseerd op Cuba: Executions and repression - a class point of viewCuba: Executions and repression - a class point of view.

Tijdschrift Vonk

Covervonk300

Activiteiten

Onze boeken

Onze boeken