De olieramp in de Golf van Mexico, veroorzaakt door de Britse multinational BP, maakt weer duidelijk hoe het kapitalisme met de natuur en ecologie omgaat. Terwijl miljoenen liters olie de zee instromen en uiteindelijk op de Amerikaanse stranden terecht zullen komen knijpt de CEO van BP er even tussenuit. Hij gaat zeilen. Vanzelfsprekend niet in de Golf van Mexico, die te maken heeft met de grootste olieramp in haar geschiedenis. De regering Obama heeft daarom een moratorium ingesteld tegen boorplatformen. Maar wat blijkt? Een federale rechter heeft dit moratorium al opgeheven, nadat de oliereuzen klacht hadden ingediend tegen de maatregel. Het hoeft eigenlijk niet meer te verwonderen, maar wat lezen we vandaag? Diezelfde rechter heeft een pak aandelen, jawel, in de olie-industrie…

Deze ecologische ramp is maar één voorbeeld van de duizenden voorbeelden van de gevolgen van winstmaximalisatie en een neoliberale vrijemarkteconomie. Twee dingen hebben deze rampen gemeen: 1. Het draait altijd om winst en 2. De kleine man betaalt altijd het gelag. Wat kunnen we hier aan doen? Het antwoord ligt in een volledig andere aanpak: een economie ten dienste van de mensen en de natuur, en niet ten dienste van enkelingen die superwinsten vergaren. Het kapitalisme kan nooit groen zijn, kan nooit sociaal zijn. Net zoals de economische crisis door ons – de werkmensen – betaald wordt en niet door de schuldigen ervan, moet nu ook de natuur boeten voor de zonden van de aandeelhouders.

Bij de oprichting van de 4e internationale ontwikkelde Trotski een overgangsprogramma dat een voorstelling geeft van hoe we onze maatschappij kunnen omvormen van een kapitalistische naar een socialistische.

Voor velen is het erg moeilijk om zich voor te stellen hoe zo’n economie eruit zou zien. We horen tegenwoordig vaak praten over een groene economie. Maar wat is dat nu eigenlijk? Hoe zou zo’n overgangsprogramma voor het milieu eruit zien? Welke eisen moeten socialisten op tafel leggen als het gaat over de klimaatverandering? Een volledig uitgewerkt programma zou honderden pagina’s in beslag nemen. Daarom bespreken we hier de voornaamste eisen.

Neen aan marktgerichte methodes

De vrije markt is er nooit in geslaagd om zelfs nog maar de normale basisbehoeften van de meerderheid van de wereldbevolking tegemoet te komen. In plaats van armoede te bestrijden, vergroot het kapitalisme ongelijkheid en is het niet in staat om hongersnoden, droogtes en ziektes aan te pakken. Waarom dan zouden we moeten denken dat marktgerichte methodes effectief zullen zijn in het oplossen van het al even grote probleem dat klimaatverandering heet?

Vele politici – om maar niet te moeten breken met de vrijemarkt – hebben geprobeerd om van koolstofdioxide een verkoopbaar product te maken. Speculanten en fraudeurs hebben zich nu al gespecialiseerd in de “cap-and-trade”, om zo winst te maken uit het ruilen van CO2. Ondertussen waarschuwen veel economen al dat deze handel in CO2 de volgende grote financiële luchtbel zal zijn.

Socialisten moeten ook eenduidig tégen het belasten van CO2 zijn. Een belasting op energieverbruik of emissies zou een regressieve belasting zijn die de armen het hardste zal raken. Socialisten moeten altijd een progressieve belasting voorstaan, gericht tegen de grote bedrijven en vele tussenpersonen. Energieprijzen moeten niet stijgen voor de overgrote meerderheid van de bevolking die nu soms al moeite heeft met warm blijven tijdens koude winters.

Geen vertrouwen in kapitalistische ‘akkoorden’

Terwijl we moeten veroordelen dat imperialistische landen weigeren om hun uitstoot te verminderen, moeten we ook erkennen dat milieuakkoorden zoals Kyoto of Kopenhagen geen zoden aan de dijk zetten binnen een kapitalistische wereld. Pro-kapitalistische landen zullen geen akkoorden tekenen die de economie van hun land zullen schaden. Deze tegenstellingen tussen natiestaten waren erg zichtbaar in Kopenhagen, en zijn verantwoordelijk voor het falen van vele internationale akkoorden, of die nu gaan over de wereldhandel of ontwikkelingshulp.

Internationale samenwerking is nodig om dit duidelijk internationaal probleem op te lossen. Dit kan echter enkel gebeuren door gedelegeerden die verantwoordelijk zijn en de belangen van de mensen en de aarde vertegenwoordigen, en niet de belangen van de grote multinationals.

Genationaliseerd, democratisch geleid openbaar vervoer, industrie, en huisvesting

De grootste energieverslinders zijn het transport, de industrie en gebouwen. Onder privécontrole zijn deze sectoren gericht op winst, en er wordt weinig in geïnvesteerd. Als individuen hebben we niet het geld, noch de controle om verspilling en inefficiëntie van deze vervuilers aan te pakken. Wat nodig is, is de nationalisering van deze grootvervuilers, onder democratische controle van de werknemers, vakbonden en verkozenen.

Het openbaar vervoer  wordt duurder, de bussen/treinen rijden niet stipt, en er worden alsmaar meer haltes geschrapt. Ook het openbaar vervoer ’s nachts en naar industrieterreinen is onbestaande.  De prijzen moeten naar beneden; een betaalbaar en efficiënt openbaar vervoer zou duizenden wagens van de weg krijgen, en zo zorgen voor een afname van ademhalingsproblemen, verkeersongevallen en vervuiling waar de man in de straat nu ook voor betaalt.

De industrie en de producten die het produceert zijn in elke fase van het productieproces inefficiënt. Grondstoffen worden gedolven met weinig begrip voor het milieu, de productie gebeurt ongepland, consumptiegoederen zijn gemaakt om stuk te gaan, afval wordt maar zelden gerecycleerd enzovoort. In alle gevallen is dit te wijten aan de winsthonger van de grote bedrijven. Wat we nodig hebben is een democratisch geplande economie die onnodige schade aan het milieu overbodig zal maken.

De overheid zou een massaal programma moeten organiseren om de isolatie en de verwarming van alle gebouwen te optimaliseren, terwijl er ook nieuwe, betaalbare en energie-efficiënte huizen nodig zijn. Zo’n plan zou de vraag naar energie doen afnemen en duizenden nieuwe jobs creëren.

Naar een groene industrie

Energiebedrijven maken gigantische winsten door consumenten schandalig hoge prijzen te laten betalen voor elektriciteit en gas, terwijl ze zelf maar erg minimal investeren in hernieuwbare energiebronnen. Deze bedrijven moeten in openbare handen gebracht worden, onder democratische werknemerscontrole; dit zal ons toelaten om op grote schaal over te schakelen van vervuilende energie naar hernieuwbare energie zoals wind, water en zonne-energie.

Tijdens het overschakelen naar een duurbare energiesector is het onvermijdelijk dat olie, kolen en gas nog een tijdje gebruikt zullen worden. Als een oude elektriciteitscentrale vernieuwd of afgebroken moet worden, moeten de werknemers een vervangingsjob of opleiding kunnen krijgen zonder loonverlies.

Democratische controle over de media, onderwijs en onderzoek

Als je de tv aanzet word je langs alle kanten aangevallen door reclame en programma’s die proberen om de schuld van de klimaatverandering bij de gewone individuen te leggen, maar al te vaak gesponsord door grote, rijke en invloedrijke lobbygroepen van bijvoorbeeld de kolen- en olie-industrie. De strijd tegen zulke programma’s moet beginnen met de strijd voor media die sociaal en democratisch gecontroleerd worden.

Ondertussen heeft de industrie ook een greep op het onderwijs en het vrije onderzoek. Zo wordt het ‘Centre for Energy Studies’ van de Universiteit van Cambridge gretig gesponsord door BP en ExxonMobil. Wij zeggen: studenten en werknemers zouden moeten beslissen over wat er gegeven en onderzocht wordt in universiteiten, niet de privébedrijven.

Overheidsgeld zou niet verspild moeten worden aan oorlogsvoering en de wapenindustrie, maar zou geïnvesteerd moeten worden in het ontwikkelen van een groene economie. Wat wij nodig hebben zijn windmolens, geen wapens.

Tijdschrift Vonk

Vonk 292

Onze boeken

Onze boeken