Het filosofisch materialisme heeft een lange en eervolle geschiedenis. De vroege Griekse Ionische filosofen waren allen materialisten. Volgens Plato werd Anaxagoras, één van de meest opmerkelijke van hen en de leermeester van Pericles, beschuldigd van atheïsme. Protagoras (5de eeuw v.C.) zei met de gebruikelijke ironie van een sofist: “Ik was niet bij machte kennis om kennis te verwerven over al of niet bestaan van de goden, of over hun vorm; vele zaken belemmeren immers de verwerving van dit soort kennis, zowel door de duisterheid van het onderwerp als door de korte duur van het menselijke leven.” (A.C. Bouquet, Comparative Religion, pp. 105-6) Diagoras, een tijdgenoot, ging zelfs verder. Toen iemand zijn aandacht vestigde op de votieftabletten in een tempel die opgericht waren door de dankbare overlevenden van een schipbreuk, merkte hij droogjes op: “Degenen die verdronken zijn, hebben geen tabletten opgericht.”

Houdt het materialistisch standpunt dan een pessimistische of nihilistische levensbeschouwing in? Integendeel. De eerste voorwaarde voor een volwaardig en voldoening gevend leven op aarde is het aannemen van een waarheidsgetrouw beeld van de werkelijkheid. De kijk op het leven zoals die tot uiting komt in de filosofie van Epicurus is één van de meest verheven en humane denkbeelden die ooit uiteengezet zijn. Epicurus (341-270 v.C.) was een geniale filosoof die, samen met Democritus en Leucippus, stelde dat de wereld samengesteld is uit atomen. Zijn nagedachtenis is echter gedurende eeuwen zwartgemaakt door de Kerk. Hij wilde de mensheid bevrijden van angst, vooral van angst voor de dood. Zijn kijk op het leven was blijmoedig en optimistisch. Volgens de legende zei hij toen hij stierf: “Het is een goede dag om dood te gaan.”

De stoïcijnen preekten een soort universele broederschap waarin iedereen lid was van één grote gemeenschap en ze geloofden dat, gezien het universum onvernietigbaar is, de zielen van de mensen de dood overleefden, maar niet als individuen. De dood moet niet gevreesd worden omdat er ons niets kan gebeuren wat niet in het verloop en de aard van de natuur ligt. Het was een stoïcijn die voor het eerst zei: “Alle mensen zijn vrij.” Het stoïcisme heeft een grote invloed op het christendom gehad via de geschriften van Epectetus en Marcus Aurelius.

De stoïcijnen geloofden echter helemaal niet in een god. Ze gebruikten het woord ‘theos’ (god), maar met een volledig andere betekenis dan het christendom. Hun ideaal was niet naar de hemel te gaan, maar op aarde een goed leven te leiden – dit noemden ze ‘apatheia’. Apatheia kreeg pas later de negatieve betekenis van apathie. In de Oudheid betekende apatheia echter de beheersing van de emoties.

De meeste antieke volkeren stonden overigens vrij onverschillig tegenover de vraag wat met hen na de dood zou gebeuren. Het 'leven' na de dood was vooral bij de Grieken een ongezellige plaats – een grijze, vreugdeloze wereld van glibberige geesten.

De Egyptenaren hadden een meer uitnodigende kijk op het hiernamaals. Na de dood wachtte hen eten en drinken, muziek, naakte danseressen en een leger slaven om hen te dienen. Dit hiernamaals was echter enkel gereserveerd voor de leden van de heersende klasse, wiens monumentale tombes dezelfde weelde en luxe weergeven als toen ze nog onder de levenden waren. In de meeste vroege klassenmaatschappijen was het vooruitzicht op een leven na de dood het privilege van de aristocratie, de chef, de koning, de krijger. De privileges die ze tijdens hun leven genoten duurden gewoon voort na hun dood.

Het christendom daarentegen heeft de hemel ‘gedemocratiseerd’. Iedereen is er toegelaten, maar wel tegen een bepaalde prijs. Deze prijs is het opofferen van het aardse leven voor een beter leven in de hemel.

De rijken op aarde werden inderdaad bedreigd met straf voor hun zonden. Slechts enkelen van hen zullen zich daar echter grote zorgen over gemaakt hebben. De heersende klasse keek met een opmerkelijke onbezorgdheid uit naar het toekomstige hellevuur en wijdde zich liever aan haar rijkdommen en de goede dingen in het leven. De armen echter zagen de passieve aanvaarding van een wereld vol pijn en lijden in dit tranendal als de prijs van een toekomstige verlossing na de dood. Deze belofte heeft miljoenen mensen naar de vergetelheid geleid, als beloning voor een hard leven vol fysieke en mentale smart.

Sommige mensen beweren dat dit rechtvaardig is, maar voor ons, marxisten, lijkt dit meer op onverholen bedrog en diefstal. Het argument van de sofist luidt: “Als we de mensen deze hoop (op een leven na de dood) wegnemen, wat blijft er dan nog voor hen over?” Het antwoord hierop is duidelijk: ze zouden de waarheid kennen, en volgens de bijbel maakt de waarheid ons vrij. Zolang de ogen van de mensen naar de hemel gericht zijn, zullen ze niet bij machte zijn om hun blik te verleggen naar de echte problemen die hen teisteren en zullen ze hun ware vijand niet kennen.

Als ze het uitzicht op echt geluk en de vervulling van hun menselijk potentieel inruilen voor het valse idee van een onbestaand leven na de dood, zullen ze hun menszijn offeren, net zoals de geofferde slachtoffers van bloeddorstige oude godsdiensten in het verre verleden. Echte levens worden vernietigd in naam van een illusie.

De liefde voor het leven die de basis is van het filosofisch materialisme, moet ook een passioneel verlangen inhouden om deze wereld te veranderen en te verbeteren voor elke mens. Religie leert ons om onze ogen naar de hemel te richten, terwijl marxisme ons vertelt om te vechten voor een beter leven op aarde. Marxisten geloven dat mannen en vrouwen moeten strijden voor een echte menselijke samenleving die de mensen de kans geeft zich vrij te ontwikkelen. Wij geloven dat mannen en vrouwen slechts één leven hebben en dat iedereen zich dus beter zou wijden aan het mooi en gelukkig maken van dit leven. Beter gezegd: wij strijden voor een paradijs op aarde, omdat we weten dat er geen ander is. De strijd voor een wereld waar het goed leven is, is tevens de strijd voor de toekomst van onze kinderen en kleinkinderen. Hoewel elk individu een eindig leven leidt, gaat de geschiedenis van de mensheid verder – onze individuele bijdrage aan de mensheid blijft voortleven nadat we er niet meer zijn. Als mens kunnen we de onsterfelijkheid verkrijgen, niet door de wetten van de natuur te ontkennen, maar in de herinnering van toekomstige generaties. Dit is de enige vorm van onsterfelijkheid waarop mensen enig recht hebben.

Er bestaat dus een fundamenteel filosofisch verschil tussen marxisme en alle vormen van religie. Betekent dit echter dat we daarom niet samen voor een betere wereld kunnen strijden? Helemaal niet. Iedereen heeft het recht om ideeën te hebben over wat ons te wachten staat na de dood. Dit verschil in mening, belangrijk vanuit een filosofisch standpunt, mag ons in geen geval verhinderen om ons te verenigen in de strijd tegen onderdrukking en onrechtvaardigheid hier op aarde. Het is enkel een kwestie van een akkoord bereiken over het basisprogramma van de socialistische omvorming van de samenleving en de middelen waardoor we dit programma in de praktijk kunnen omzetten. We zullen later nog tijd genoeg hebben om over andere zaken te discussiëren!

Het religieuze beeld van de wereld is mystiek, een vervormde indruk van de realiteit. Zoals alle ideeën hebben echter ook religieuze ideeën hun oorsprong in de echte wereld. Meer zelfs, in laatste instantie zijn ze altijd een uitdrukking van de tegenstellingen van de klassensamenleving. Dit komt duidelijk naar voor in de oudste religies.

De Babylonische god Mardoek kondigde de schepping van de mens als slaaf van de goden aan als een ‘bevrijding voor de goden’. Dit is een directe weerspiegeling van de klassensamenleving, waar de mens in twee grote groepen onderverdeeld is: de heersende klasse als de 'onaanraakbare goden in de hemel' en de werkende klassen als 'houthakkers en waterdragers'. Het doel van deze godsdienst was een ideologische rechtvaardiging te geven voor de slavernij en voor de heerschappij van een minderheid over de meerderheid. De priesterklasse was immers bevrijd van alle arbeid en genoot vele privileges als fysieke vertegenwoordigers van god op aarde.

S.H. Hooke die een onderzoek voerde naar de Babylonische scheppingsmythen (waarvan ook het eerste boek van Genesis is afgeleid) schrijft het volgende: “We hebben al gemerkt dat de mythe van Lahar en Ashnan eindigde met de schepping van de mens in dienst van de goden. Een andere mythe (…) beschrijft de manier waarop de mens geschapen werd. Hoewel de Soemerische mythe significant verschilt van het Babylonische scheppingsepos, zijn beide versies het eens over de reden waarom de mens geschapen werd; namelijk als slaaf van de goden, om de grond te bewerken en de goden te verlossen van fysieke arbeid.” (S.H. Hooke, Middle Eastern Mythology, p. 29)

Religie in de precieze zin van het woord [Wat wij in het Nederlands godsdienst noemen, n.v.d.r.] – niet te verwarren met de magie, het totemisme en animisme van eerdere, klassenloze samenlevingen – ontspringt uit de verdeling van de maatschappij in tegengestelde klassen. Religie is een uitdrukking van de onoplosbare contradicties die uit een klassenmaatschappij voortvloeien. In de vroegste religieuze periode bleef een vage herinnering bestaan aan een tijd waarin iedereen gelijk was. In de mythologie komt dit aan de oppervlakte onder de vorm van een ‘gouden tijd’; in de Bijbel komt het naar voor als de Tuin van Eden. Deze ideeën drukken een idee van verlies uit en een verlangen naar een verloren tijd van gelukzaligheid. Religie probeert deze tegenstellingen op te heffen of op zijn minst te verzwakken, door mensen te verzoenen met een werkelijkheid vol lijden en uitbuiting en dit voor te stellen als de wil van God of het falen van de mens om God te gehoorzamen. De mens moet gehoorzamen, offers brengen en zich onderwerpen, pas dan zal alles in orde komen. Uiteindelijk komt dit neer op het loochenen van hetgeen ons juist tot mens maakt – onze menselijkheid. Deze vervreemding van de mensheid kan enkel overstegen worden door de afschaffing van de klassensamenleving en het herstellen van échte menselijke banden tussen individuen.

Dit psychologisch verband tussen mensen en de godheden die ze voor zichzelf scheppen, vertelt ons veel over de ware aard van de mensheid. Het is duidelijk dat de goden van een bepaalde samenleving slechts een weerspiegeling zijn van die samenleving, haar productiewijze, haar sociale relaties, maar ook van haar moraal en vooroordelen. Zoals in ‘Reason in Revolt’ gesteld wordt: “Het was niet God die de mens naar zijn eigen beeld schiep, maar, integendeel, het waren de mensen zélf die de goden naar hun beeld en voorkomen schiepen". Ludwig Feuerbach stelde dat als vogels een religie hadden, hun god vleugels zou hebben. “Religie is een droom waarin onze eigen concepten en emoties als aparte entiteiten bestaan, los van ons zelf. De religieuze geest maakt geen verschil tussen subjectief en objectief – hij twijfelt niet; hij kan geen zaken buiten hemzelf onderscheiden, maar hij ziet wel zijn eigen concepten buiten zichzelf als aparte entiteiten.” Xenophanes van Colophon (565-c.470 v.C.) zag dit reeds in. Deze filosoof schreef: “Homerus en Hesiodus hebben de goden elke schaamtelijke en oneerbare daad van de mens toegeschreven: diefstal, overspel en bedrog… De Ethiopiërs maken hun goden zwart en stompneuzig, en de Thraciërs die van hen grijsogig en roodharig… Mochten dieren kunnen schilderen en dingen maken zoals de mens, dan zouden paarden en koeien ook hun goden naar hun eigen beeld maken.”

Deze goden zijn echter niet zomaar kopieën van de werkelijkheid, maar van een werkelijkheid gezien door de bril van de religie; een vervreemde, mystieke, omgekeerde wereld waar alles op zijn kop staat. Ze zijn alles wat de mens wil zijn, maar niet is. Ze bezitten alle eigenschappen die mensen verlangen, maar niet kunnen verwerven. In deze betekenis stelt religie het verlangen naar het onmogelijke voor. Dit religieus gevoel bevat ook een ander element: het verlangen naar een betere wereld en een beter leven. Als de hongerige en onderdrukte boer zijn god aanroept, dan roept hij eigenlijk om rechtvaardigheid en tegen het onrecht, de wreedheid en de onmenselijkheid van deze wereld.

Het geloof in gelijkheid en de gemeenschap van gelovigen komt vaak tot uitdrukking onder vorm van primitief communisme, zoals bij de eerste christenen. De massabewegingen die door de islam en het christendom tot leven werden gewekt, deden de wereld op haar grondvesten daveren. Door de afwezigheid van het noodzakelijke ontwikkelingsniveau van de productiemiddelen werd de mensheid echter gedwongen om nog tweeduizend jaar onder klassenslavernij te leven.

De droom van gelijkheid en broederschap werd aan diggelen geslagen. Achter de landheer – en later de kapitalist – stond niet alleen de aardse monarch met zijn soldaten en politiemannen, maar ook een spirituele wachter. Opstand tegen de gevestigde orde werd niet alleen gestraft door het vuur en het zwaard, maar ook door excommunicatie en de veroordeling tot een eeuwig branden in de hel. Iemand die geen rechtvaardigheid in de echte wereld vindt, zal de gedachte gaan koesteren dat er wel rechtvaardigheid bestaat, namelijk in het hiernamaals.

Tijdens het grootste deel van de geschreven geschiedenis werd de samenleving gedomineerd door mannen, terwijl vrouwen werden beschouwd als slaven. De man was dus de dienaar van zijn heer, zijn koning en zijn god, en de vrouw was de dienares van haar man – haar heer en meester. Voor vele vrouwen was de troost van de religie de enige manier om het intense lijden dat uit hun slavernij ontsprong te verzachten. Dit verklaart waarom in vele samenlevingen vooral vrouwen zo gehecht zijn aan religie. Zonder religie zou hun leven onverdraaglijk zijn. Religie is zoals een drug die de zintuigen verdooft en het lichaam ongevoelig maakt voor elk lijden. De oorzaak van het lijden wordt echter niet weggenomen, en het lot van de vrouwen wordt niet verbeterd. Integendeel. Het christendom gaf in zijn ontstaansperiode nieuwe hoop aan vrouwen, en werd door zijn Romeinse vijanden beschreven als ‘een religie van slaven en vrouwen’. Het latere christendom werd echter gekenmerkt door een intense vrouwenhaat. De eerste zonde van de mens werd immers door een vrouw, Eva, veroorzaakt.

De meest natuurlijke relaties tussen mannen en vrouwen werden onderdrukt en vervloekt als een doodzonde. Sint Augustinus beschreef de seksuele daad als een ‘hellemis’. De plaats van de vrouw is aan de voeten van de man, lijden ten dienste van hem. De smartelijke Heilige Maagd is de grafische uitdrukking van deze situatie. Tijdens het aardse bestaan mag geen geluk verwacht worden.

Vele godsdiensten hebben hun stempel gedrukt op het ongelukkige lot van de vrouw. Er bestaat een oud joods gebed: “Gezegend zijt gij, o Heer, die mij niet als vrouw op de wereld heeft laten komen.” In bepaalde islamitische landen heeft de onderdrukking van de vrouwen een extreme vorm aangenomen, zoals in Iran, Afghanistan en Saoedi-Arabië. In India heeft de hindoetraditie duizenden weduwen gedwongen zich op de brandstapel van hun overleden echtgenoten te werpen. De emancipatie van de vrouw en haar verlossing van een eeuwenoude slavernij is dus in directe tegenstelling met religie.

Alle grote wereldreligies – christendom, islam, boeddhisme, enzovoort – stonden in hun oorsprong kritisch tegenover de wereld en predikten een betere wereld waarin er geen rijken noch armen, onderdrukkers noch onderdrukten bestaan, waarin alle mannen en vrouwen broers en zussen van elkaar zijn. Zowel in de christelijke kerken als in de islamitische moskeeën wordt de illusie van de ‘communie’ of de broederschap van alle gelovigen gewekt en stelt men dat iedereen gelijk is voor God. De dag daarop herneemt de christelijke of islamitische baas nochtans zijn rol van uitbuiter en onderdrukker tegenover zijn arbeiders, die nochtans zijn medegelovigen zijn. Als je deze flagrante tegenstelling tussen theorie en praktijk van deze godsdiensten aankaart, dan zal men dit afschuiven op de onvolmaaktheid van de mens in deze zondige wereld, wat natuurlijk een magere troost is voor de arbeider.