De oorsprong van het christendom

De rol van religie in de samenleving is vele malen veranderd doorheen de geschiedenis. Het is belangrijk dat we de oorsprong en de historische evolutie van de grote religies kennen en begrijpen.

Oorspronkelijk waren zowel het christendom als de islam revolutionaire bewegingen van de armen en onderdrukten. Ongeveer 2000 jaar geleden organiseerden de eerste christenen een massabeweging van de armste en laagste delen van de samenleving. Het is geen toeval dat de Romeinen het christendom als een slavenbeweging zagen. Engels schreef hierover: “De geschiedenis van het vroege christendom komt op vele punten overeen met de huidige beweging van de arbeidersklasse(…) Beide worden vervolgd en hun aanhangers worden veracht en onderworpen aan exclusieve wetten; de eerste groep (christenen) als vijanden van de mensheid, de andere groep (arbeiders) als vijanden van de staat, de religie, de familie, de sociale orde. Ondanks alle vervolging, of beter, aangemoedigd door elke vervolging, gaan ze de overwinning tegemoet.” (Marx en Engels ‘On Religion’, p.281)

In de ‘Handelingen van de Apostelen’ komt duidelijk de communistische aard van de eerste christenen naar voor. Christus zelf begaf zich onder de armen en bezitlozen en bekritiseerde geregeld de rijken. Het is geen toeval dat, toen hij Jeruzalem binnenkwam, hij eerst en vooral de geldwisselaars uit de Tempel dreef. Hij stelde ook dat het voor een kameel gemakkelijker is om door het oog van een naald te kruipen, dan voor een rijke man om het Rijk Gods binnen te treden. (Lucas 18:24) De eerste christenen schaarden zich aan de zijde van de armen en stonden op tegen de rijken en machtigen. In de Bijbel vindt men dergelijke passages veelvuldig terug.

Het communisme van de eerste christenen blijkt ook uit het feit dat in hun gemeenschappen alle rijkdom gemeenschappelijk goed was. Van ieder die christen wilde worden, werd verwacht dat hij zijn wereldse goederen opgaf. In de ‘Handelingen van de Apostelen’ staat: “En ze volhardden in de Leer van de Apostelen en de broederschap (‘koinonia’ in het Grieks; eigenlijke betekenis: communisme), en in het breken van het brood en de gebeden (…) En al degenen die geloofden waren tezamen, en bezaten alles gemeenschappelijk; en ze verkochten hun bezittingen en goederen en verdeelden ze over alle mensen, naar ieders behoefte.” (Handelingen 2:42) Men kan nog vele voorbeelden aanhalen: “En de massa gelovigen waren als één hart en één ziel: er was niemand onder hen die beweerde dat iets zijn bezit was, want ze bezaten alles gemeenschappelijk (…) noch was er iemand van hen die iets tekort kwam: want de eigenaars van landerijen of huizen verkochten hun bezit, en legden dit neer aan de voeten van de apostelen, en dit werd verdeeld aan elke mens naar gelang zijn behoefte.” (Handelingen 4:32)

Dit communisme had natuurlijk een vrij naïef en primitief karakter. Dit is geen verwijt aan de mensen uit die tijd, die heel moedig waren en niet bang waren hun leven op te offeren in de strijd tegen de monsterlijke Romeinse slavenstaat. Het bereiken van het echte communisme, een klassenloze maatschappij, was toen echter onmogelijk omdat de materiële voorwaarden voor een klassenloze samenleving ontbraken. Marx en Engels waren de eersten om het communisme een wetenschappelijk karakter te geven. Ze stelden dat de emancipatie van de mens afhing van het niveau van de ontwikkeling van de productiemiddelen (industrie, landbouw, wetenschap en technologie). De ontwikkeling van de productiemiddelen moet ervoor zorgen dat de werkdag verminderd wordt en dat door de gecreëerde vrije tijd, iedereen toegang krijgt tot cultuur en politiek. Dit is de enige weg om de houding van mensen tegenover elkaar, hun gedrag en gedachten, te veranderen. De materiële voorwaarden tijdens het vroege christendom waren nog niet voldoende ontwikkeld om zo’n evolutie mogelijk te maken. Het communisme van de eerste christenen bleef primitief en beperkte zich tot het niveau van de consumptie (voedsel, kleren, enzovoort verdelen). Echt communisme daarentegen is gebaseerd op het gemeenschappelijk bezit van de productiemiddelen. De vroege christenen hadden geen wetenschappelijk inzicht in de ontwikkeling van de samenleving en konden, ondanks hun enorm revolutionaire en heroïsche geest, hun idealen niet verwezenlijken. Hun communisme was utopisch en gedoemd te falen.

Christendom en communisme

Toen de Kerk ontstond, bleven haar vertegenwoordigers de originele – communistische – visie van de beweging belijden. St. Clementius schreef: “Het gebruik van alle zaken die in deze wereld bestaan, moet voor alle mensen gemeenschappelijk zijn. Alleen de grootste ongelijkheid maakt dat de een tegen de ander zegt: ‘Dit is van mij en dat is van jou.’ Dit is de oorsprong van twist tussen de mensen.” Dit is een terechte opmerking, en stelt duidelijk dat de oorsprong van de klassenstrijd het bestaan is van privé-eigendom.

Een zelfde idee werd door St. Basilus de Grote uitgedrukt: “Welk ding duid je aan als ‘het jouwe’? Van welke zaak kan je zeggen dat die van jou is? Van wie heb je het gekregen? Je spreekt en handelt als iemand die ooit eens vroeg naar het theater ging en die zich zo zonder probleem meester kon maken van de zitjes die bedoeld waren voor de rest van het publiek. Je protesteert tegen hun aankomst omdat ze niet op tijd waren en je verhindert hen te zitten. Je wijst jezelf de eigendom toe die in feite bestemd is voor gemeenschappelijk gebruik. Het is precies op deze manier dat de rijken handelen.”

Zo stelde ook St. Gregorius: “Als iemand zich meester wil maken van alle rijkdom, als hij alles wil bezitten en zijn broeders hiervan uitsluit, dan is zo’n ellendeling geen broeder meer, maar een onmenselijke tiran, een wrede barbaar, of eerder, een wild dier waarvan de mond altijd open staat om voor eigen gebruik het voedsel van zijn andere kameraden te verslinden.”

St. Ambrosius zei over deze kwestie: “De natuur schept al haar rijkdom gemeenschappelijk voor alle mensen. God in zijn goedaardigheid heeft alle zaken geschapen zodat alle levende wezens hiervan kunnen genieten en zodat de aarde gemeenschappelijk voor iedereen is. Het is de Natuur zelf waaruit het recht van de gemeenschap voortvloeit, terwijl het recht op privé-bezit enkel een onterechte toe-eigening is.”

St. Gregorius de Grote merkte op: “De aarde waarop iedereen geboren wordt, is gemeenschappelijk voor iedereen, en dus behoren ook de vruchten die de aarde voortbrengt aan iedereen zonder onderscheid.” St. Chrysostomos voegt hier aan toe: “De rijke man is een dief.”

Deze uitspraken illustreren op voldoende wijze de revolutionaire visie van het vroege christendom. De vroege christenen waren bereid om de meest wrede folteringen te ondergaan ter verdediging van hun geloof, om de staat en de heersende klasse uit te dagen en te sterven in de arena. De reden voor hun felle vervolging was dat deze beweging van de armen en bezitlozen een bedreiging vormde voor de bestaande orde. Op geen enkele manier kon deze beweging echter vernietigd worden, integendeel, de martelaren hielden het vuur van de beweging brandende.

Door het gebrek aan een materiële basis om een klassenloze samenleving op te richten en door de neiging van de heersende klasse om de beweging uiteindelijk te recupereren, veranderde de christelijke visie langzaam in het tegenovergestelde. De leiders van de Kerk en vooral de bisschoppen die de schatbewaarders waren, kwamen onder druk van de heersende klasse en de staat te staan, en ze dwaalden langzaam af van het originele communistische gedachtegoed. De heersende klasse realiseerde zich dat ze de christenen onmogelijk door zware repressie kon verslaan en veranderde van tactiek. De manier waarop de bovenste lagen van de Kerk werden gecorrumpeerd door Keizer Constantijn kom tot uiting in het verslag van Eusebius, een historicus van de vroege Kerk, over het belangrijke Concilie van Nicaea in 325 n.Chr. Dit concilie werd voorgezeten door de keizer zelf, “als een soort boodschapper van God”.

In Eusebius’ woorden: “Het banket was fantastisch en onbeschrijfelijk. Lijfwachten en andere troepen stonden met getrokken zwaarden voor de ingang van het paleis en de mannen van God liepen zonder vrees langs hen naar de keizerlijke kamers. De gezellen van de keizer zaten aan tafel of lagen langs weerszijden op banken. Men kon zich indenken dat dit een beeld was van Christus' koninkrijk, eerder een droom dan realiteit.” (T. Ware ‘The Orthodox Church’ p.27)

Deze methodes zijn de socialisten en de vakbondslieden van vandaag maar al te bekend. Het zijn precies dezelfde methoden waarmee de leiders van de vakbonden en de arbeidersbeweging onder invloed van de burgerij gebracht worden, gecorrumpeerd worden en geabsorbeerd worden door het systeem. De top van de beweging wordt uitgenodigd op dure diners en feesten waar ze in aanraking komen met de rijken en beroemdheden. Sinds het Concilie van Nicaea is de Kerk een van de grootste voorstanders geworden van rijkdom, privileges en onderdrukking. De winst die het keizerrijk met deze uitverkoop verkreeg, was tastbaar. De eerste christenen weigerden de staat te erkennen of in het leger te dienen. Dit werd nu omgedraaid. De Kerk werd een van de belangrijkste pijlers van de staat en vervolgde fel iedereen die haar nieuwe doctrines in vraag stelde. Toen Arius van Alexandrië de doctrine van Nicaea verwierp, werden zijn volgelingen verschrikkelijk afgeslacht. Ongeveer drieduizend christenen werden vermoord door hun christenbroeders – meer dan in drie eeuwen van Romeinse vervolging! Hierdoor veranderde de Kerk van de armen en onderdrukten in een van de voornaamste instellingen van hun knechting.

Hoe zonden vergeven… en winst maken

Gedurende een lange periode werd de christelijke Kerk geabsorbeerd, via haar bovenste lagen, door de staat. Doorheen de rest van haar bestaan maakte de Kerk gebruik van de menselijke zwaktes en de angst voor de dood om de geesten van de mensen te knechten en op deze manier een enorme macht en rijkdom op te bouwen. Dit stond in fel contrast met de leerstellingen van de arme rebel uit Galilea in wiens naam ze beweerde te spreken. Van een revolutionaire beweging van de armen en onderdrukten evolueerde ze naar een bolwerk van reactie en de spreekbuis van de rijken en machtigen. De geschiedenis van de Kerk is eigenlijk de volledige en absolute ontkenning van haar originele ideeën, geloofsopvattingen en tradities. Over de daden van het pausdom in de Middeleeuwen en de Renaissance – een ongeëvenaarde kroniek van schande en misdaad – is al genoeg literatuur verschenen. We beperken ons hier tot één voorbeeld dat de situatie samenvat en dat de diepe kloof aantoont tussen werkelijkheid en hypocriete mythe.

In het jaar 1517 organiseerde Paus Leo X de ‘Taxa Camerae’, zodat de Kerk aflaten kon verkopen. Dit betekende dat iemands ziel gered kon worden voor een bepaalde som geld. Er was geen misdaad die zo erg was dat hij niet kon opgeheven worden door een bepaalde aflaat. Dit zijn een paar van de 35 artikelen van de Taxa Camerae:

1. De geestelijke die de zonde van het vlees begaat, zowel met nonnen, zijn neven, nichten of dochters of met welke vrouw dan ook, zal verlost worden door de betaling van 67 ponden en 12 schellingen.

2. Als de geestelijke, naast de zonde van overspel, ook nog absolutie zoekt voor zonden tegen de natuur of bestialiteit, dan moet hij 219 ponden en 15 schellingen betalen. Als hij echter zich enkel aan onnatuurlijke zonden met jongens en dieren heeft schuldig gemaakt, dan moet hij slechts 131 ponden en 15 schellingen betalen.

3. De priester die een meisje ontmaagt moet 2 ponden, 8 schellingen betalen.

4. De non die abdis wil worden, maar zichzelf aan een of meerdere mannen tegelijkertijd of opeenvolgend heeft gegeven, binnen of buiten haar convent, moet 131 ponden, 15 schellingen betalen.

7. De overspelige vrouw die absolutie zoekt, zal van elk proces vrijgesproken worden (…) moet de Paus 87 ponden, 3 schellingen betalen. De man zal dezelfde som betalen. Maar als hij incest pleegt met zijn kinderen, zal hij een bijkomend gewetensbedrag van 6 ponden betalen.

8. Absolutie en zekerheid van niet-vervolging voor de misdaden verkrachting, beroving en brandstichting zal de schuldige 131 ponden, 7 schellingen kosten.

9. Absolutie voor een eenvoudige moord gepleegd door een leek bedraagt 15 ponden, 3 penningen.

10. Als de moordenaar de dood van twee of meer mensen op dezelfde dag heeft gepleegd, zal hij betalen alsof hij slechts één iemand had gedood.

11. De man die zijn vrouw slecht behandelt zal aan de schatkist van de kanselarij 3 ponden, 4 schellingen betalen; als hij haar heeft vermoord, zal hij 17 ponden, 15 schellingen betalen, en als hij haar heeft gedood om met een andere vrouw te trouwen, dan zal hij aanvullend 32 ponden, 9 schellingen betalen. Degenen die de echtgenoot hebben geholpen, zullen worden verlost door de betaling van elk 2 ponden.

12. Degene die zijn kind verdronken heeft, zal 17 ponden en 15 schellingen betalen en indien de vader het met toestemming van de moeder gedood heeft, dan zullen ze 27 ponden, 1 schelling betalen.

13. De moeder die haar eigen kind doodt als ze het uit haar baarmoeder verwijdert en de man die aan deze misdaad heeft bijgedragen, zullen elk 17 ponden, 15 schellingen betalen. Hij die de abortus van een kind dat niet het zijne is toestaat, zal één pond minder betalen.

Veel erger dan moord, verkrachting of kindermoord, was echter de veile misdaad van ketterij; het er op na houden van andere ideeën dan de officiële doctrine van de Kerk. Zelfs als een ketter zich bekeerde, moest hij nog steeds 269 ponden betalen, en “de zoon van een ketter die verbrand of opgehangen werd of op een andere manier werd geëxecuteerd, kan niet worden gerehabiliteerd tenzij hij 218 ponden, 16 schellingen en 9 penningen betaalt”. (19) De lijst gaat voort met misdaden zoals fraude, het niet betalen van schulden, smokkelarij, vlees eten op heilige dagen, bastaardzonen van priesters en eunuchen die priester willen worden. Deze laatsten moesten niet minder dan 310 ponden, 16 schellingen betalen. (33)

Ondanks deze cynische lijst van misdaden, werd Paus Leo X door katholieke geschiedkundigen omschreven als de hoofdrolspeler in “de meest briljante en gevaarlijke periode van het pausdom in de geschiedenis van de Kerk.” (P. Rodrïguez, (1997) ‘Mentiras fundamentales de la Iglesia católica.’ Barcelona: Ediciones B., Anexo, pp. 397-400)