Doorheen de eeuwen heeft de Kerk steeds de zijde van de onderdrukkers tegenover de onderdrukten gekozen. De Engelse landeigenaars werkten nauw samen met de predikers van de Protestantse Kerk. In Frankrijk, Spanje en Italië waren de priesters de kruiperige dienaren van de landeigenaars en later de kapitalisten. De klassentegenstellingen in een samenleving hebben zich vaak uitgedrukt onder een religieuze vermomming.

Trotski schreef hierover het volgende: “Religieuze ideeën worden, zoals alle andere ideeën, geboren uit de materiële omstandigheden van het leven en uit de klassentegenstellingen. Ze kunnen zich hier slechts gradueel van losmaken en dankzij de krachten van het conservatisme langer voortleven dan de noden die hen deden ontstaan. Ze verdwijnen slechts volledig na de effecten van serieuze sociale conflicten en crisissen." (Trotsky, Brailsford and Marxism, On Britain, vol. 2, p. 167)

Op verschillende momenten hebben verschillende religies, kerken en sekten verschillende rollen gespeeld, die, in laatste instantie, verschillende en zelfs tegengestelde klassenbelangen weerspiegelden. De eerste oprispingen van de grote revolte tegen het feodalisme waren de aanvallen op de macht en autoriteit van de Rooms-katholieke Kerk. Een katholieke historicus merkte dat de “revolutionaire geest van haat voor de Kerk en clerus de massa in haar bezit had genomen in verschillende delen van Duitsland… De kreet ‘dood aan de priesters!’, die lang in het geheim werd gefluisterd, werd nu het wachtwoord van de dag.” (Geciteerd in W. Manchester, A World Lit only by Flame, p. 161.)

Eerdere uitbarstingen zoals die van de Lollards in Engeland en de Hussieten in Duitsland hadden de weg vrijgemaakt voor Luthers Reformatie. In al deze bewegingen was er ook een communistische tendens die terugging naar de vroege tradities van de Kerk, en deze werd te allen tijde brutaal onderdrukt. Tijdens de Engelse boerenrevolte van 1381, rapporteert de kroniekschrijver Froissart de activiteiten van een beweging van dissidente ‘hagepriesters’ die geleid werden door een zekere John Ball. Deze propagandeerde communistische ideeën onder een bijbelse vermomming met zijn gevierde slogan:

"When Adam delved and Eve span, Who was then the gentleman?" (Toen Adam groef en Eva spinde, wie was dan de edelman?)

In de periode van de opkomst van de burgerij weerspiegelde de protestantse religie de revolte van deze nieuwe klasse tegen het aftakelende feodalisme. Het protestantisme speelde hier zeker een progressieve rol. De nieuwe religie was echter al van bij haar geboorte verdeeld. In deze turbulente tijden ontstonden een heleboel sekten die de ideeën en verwachtingen van verschillende klassen en onderklassen vertegenwoordigden: anabaptisten, mennonieten, bohemiërs, congregationalisten, presbyterianen, unitariërs enzovoort. De linkervleugel vertegenwoordigde duidelijk een communistische tendens, zoals bij Thomas Müntzer en de anabaptisten in Duitsland. Müntzer brak met Luther en riep de boeren op om in opstand te komen. Luther zelf stond heel erg vijandig tegenover de revolutionaire beweging van Duitse boeren, die door zijn leerstellingen in actie waren geschoten. Met een gewelddadig discours riep hij de aristocratie op om deze beweging te verpletteren. Dit gebeurde dan ook. De meest christelijke prinsen slachtten zo’n honderdduizend boeren af. Alleen al in Saksen werden vijfduizend mensen over de kling gejaagd. Driehonderd mannen werden gespaard, maar enkel nadat hun vrouwen ermee instemden de hersenen in te slaan van twee priesters die ervan beschuldigd waren de opstand aangestoken te hebben. Müntzer werd gefolterd tot hij bijna dood was, waarna hij werd onthoofd.

De activiteiten van de Heilige Inquisitie, de Gestapo van de Contrareformatie, zijn te bekend om van veel commentaar te voorzien. In de Spaanse Nederlanden was het een zware misdaad om een bijbel in huis te hebben. Veroordeelde ketters werden levend verbrand, maar als ze hun dwalingen toegaven, toonde de Inquisitie genade: de mannen werden dan ‘genadevol’ onthoofd en de vrouwen levend begraven. Minder bekend zijn de activiteiten van de protestanten op het gebied van onderdrukking van de dissidentie. Calvijn, die in Genève een theocratische dictatuur had gevestigd, liet Michael Servetus levend verbranden toen hij op het punt stond om de bloedcirculatie te ontdekken. Servetus vroeg om genade, niet voor zijn leven, maar hij wilde onthoofd worden. Deze genade werd hem ontzegd en hij werd gedurende een half uur geroosterd.

De Engelse en Franse Revoluties

In de Engelse Revolutie van de 17de eeuw vond de meest revolutionaire vleugel, die de belangen verdedigde van de onderste lagen van de samenleving, de handwerkers en de embryonale arbeidersklasse, haar uitdrukking in een religieuze vorm. De linkervleugel van de beweging was georganiseerd in een paar radicale en democratische sekten zoals de ‘Fifth Monarchy men’, de ‘Ranters’ en de anabaptisten. In de gegeven historische context hadden deze bewegingen een progressief en revolutionair karakter. Ze weerspiegelden de eerste verwarde oprispingen van het bewustzijn van een klasse die nog maar in haar kinderschoenen stond.

Na de Restauratie verschenen deze radicale volksstrekkingen onder de vorm van religieuze dissidenten. Ze werden vervolgd door de monarchie met de enthousiaste steun van de Anglicaanse Kerk en velen van hen emigreerden naar Amerika, waar hun revolutionaire energie opging in de immense taak van het opbouwen van een thuis aldaar. Doorheen de jaren verloren ze hun radicale en revolutionaire oorsprong. Sommigen onder hen, zoals de Quakers, houden nog steeds enkele elementen van de oude ideeën in ere, maar deze zijn erg verwaterd en verzwakt zodat ze niet in conflict kunnen komen met hun zakenbelangen. In de meeste gevallen echter veranderden deze bewegingen in bolwerken van reactie en felle verdedigers van rechts. In Latijns Amerika werden de evangelistische sekten de stoottroepen van de reactie en de verdedigers van militaire dictaturen, terwijl sommige priesters van de Rooms-katholieke Kerk dan de zaak van de armen en onderdrukten verdedigden.

Een eeuw later, ten tijde van de Franse Revolutie, was het bewustzijn van de mensen op het punt gekomen dat religie geen rol meer speelde in hun denken. De nauwe relatie tussen Kerk en de absolutistische staat was voor iedereen duidelijk. In de periode die leidde tot de bestorming van de Bastille wisten materialistische filosofen als Diderot en Holbach ook de spirituele Bastille van de religie te vernietigen. De Franse Revolutie ontdeed zich van de Kerk. De jacobijnse staat was officieel atheïstisch, alhoewel Robespierre dit trachtte te verbergen door het vijgenblad van ‘het Opperwezen’, dat niemand – behalve hemzelf misschien – overtuigde.

Het Franse volk werd verondersteld fervent katholiek te zijn, maar in de meeste regio’s, behalve in de meest achterlijke en reactionaire districten, verdween de religie praktisch in haar geheel. De meeste mensen haatten de priesters, die ze terecht beschouwden als vertegenwoordigers van de heersende klasse. Slechts op het einde van de 19de eeuw, na de schok die de Commune van Parijs de burgerij had toegebracht, begon deze laatste een reactionaire religieuze heropleving aan te moedigen, en maakte ze gebruik van trucjes zoals de verzonnen ‘mirakels’ in Lourdes.

Tijdens de Russische revolutie was de situatie nog duidelijker. Hoewel de Russische arbeidersklasse aanvankelijk op het toneel van de geschiedenis verscheen in januari 1905, met aan haar hoofd een priester, en terwijl ze religieuze iconen met zich meedroeg, was dit allemaal snel weggevaagd na het bloedbad op 9 januari, toen de christelijke tsaar zijn kozakken het bevel gaf het vuur op de ongewapende mensen te openen. Ze kwamen enkel een petitie afgeven. Hierna speelde religie geen enkele rol meer in de beweging, die georganiseerd en geleid werd door marxisten. Na de overwinning van de Oktoberrevolutie stortte de macht en invloed van de Kerk nog sneller en vollediger ineen dan in Frankrijk.

Trotski schreef: “De orthodoxe Kerk kon de primitieve boerenmythologie niet opheffen en werd een apparaat van het tsarisme. De priester liep hand in hand met de politieagent en elk sektarisch meningsverschil werd beantwoord met repressie. Het was hierom dat de wortels van de orthodoxe Kerk zwak in het bewustzijn van het volk verankerd waren, vooral in de industriecentra. Door het van zich afschudden van het bureaucratische geestelijke apparaat, gooide de Russische arbeider en de boer meteen ook het religieuze denken overboord.” (Trotsky, Brailsford and Marxism, On Britain, vol. 2, p. 164)

Het stalinisme gooide echter het bewustzijn van de samenleving enkele decennia terug. Onmiddellijk na de val van de USSR werd al de oude rommel immers opnieuw uit de kast gehaald: nationalisme, antisemitisme, fascisme, monarchisme, religie en bijgeloof. Deze restanten van de middeleeuwse barbarij verspreidden zich als een plaag door het zieke en uiteengereten lichaam van Rusland. De echte natuur van de ‘markt’ en het feit dat de burgerij in Rusland niets te bieden heeft dan het vooruitzicht van economische, sociale en culturele ineenstorting, is nu voor de gehele wereld zichtbaar.