Engels stelde in zijn voorwoord tot ‘De burgeroorlog in Frankrijk’: “In verhouding tot de staat is religie een zuiver private zaak.” Lenin gaf in 1905 hierop het volgende commentaar: “De staat moet zich niet bemoeien met religie; religieuze gemeenschappen mogen niet aan de staat gebonden worden. Iedereen moet vrij zijn om de religie te beoefenen die hij wil, of om geen religie aan te hangen, dus atheïst te zijn, zoals elke socialist meestal is.” (Lenin, On Religion, p. 8)

In verhouding tot de partij wees Lenin er echter op dat Engels een revolutionaire partij aanraadde om ook te strijden tegen religie. “De partij van het proletariaat eist dat de staat de religie als een privé-zaak behandelt, maar daarom beschouwt de partij de strijd tegen de opium van het volk – de strijd tegen religieus bijgeloof, enzovoort – niet als een privé-kwestie. De opportunisten hebben deze stelling zo omgebogen dat het lijkt alsof de sociaal-democratische partij religie als een privé-zaak beschouwt.” (Lenin, On Religion, p. 18)

Hij voegde hier aan toe dat “de wortels van de moderne religie diep vervat liggen in de sociale verdrukking van de werkende massa’s, en in hun schijnbare volledige hopeloosheid tegenover de blinde krachten van het kapitalisme (…). Geen literatuur, hoeveel en hoe verlichtend ook, kan religie opheffen.” Enkel “wanneer de massa’s zélf leren vechten tegen de sociale omstandigheden waaruit religie voortvloeit, op een gezamenlijke, gedisciplineerde, geplande en bewuste wijze – wanneer ze leren te vechten tegen de heerschappij van de kapitalist in al haar vormen,” alleen dan kan de religieuze illusie uit het bewustzijn van de mensen verdwijnen. (Lenin, On Religion, p. 14-15)

Marxisten moeten echter alles in het werk stellen om alle arbeiders te betrekken in de strijd tegen het kapitalisme, ook degenen die religieus zijn. We mogen geen barrières oprichten tussen onszelf en deze werkers, maar we moeten hen aanmoedigen om actief deel te nemen in de klassenstrijd. De Russische arbeidersklasse verscheen wel op het toneel van de geschiedenis met een priester aan haar hoofd (cf. supra), religieuze iconen dragend en met een petitie gericht aan de tsaar, de ‘kleine Vader’. Ze wantrouwden de revolutionairen en sloegen hen soms zelfs in elkaar. Dit veranderde echter in een tijdspanne van 24 uur, na het bloedbad van de 9de januari. Dezelfde arbeiders kwamen ’s nachts bij de revolutionairen en vroegen hen om wapens. Zo snel kan het bewustzijn omslaan in het vuur van de gebeurtenissen! Vader Gapon, de priester die de petitie en de vreedzame betoging had georganiseerd en die voor de tsaristische politie had gewerkt, onderging ook een plotse verandering na deze Bloedige Zondag. Hij eiste de revolutionaire omverwerping van de tsaar en kwam dicht bij het gedachtegoed van de bolsjewieken. Lenin stootte hem niet af, maar trachtte hem juist voor de bolsjewieken te winnen, zelfs al was Gapon religieus.

Lenins flexibele houding komt goed tot uiting in zijn houding tegenover stakingen. Hij waarschuwde voor een sektarische houding tegenover de arbeiders die religieus waren, maar die deelnamen aan een staking: “Het atheïsme propaganderen op zo’n moment [tijdens een staking] en in dergelijke omstandigheden speelt enkel en alleen in het voordeel van de Kerk en de priesters, die niets liever willen dan arbeiders deelnemen aan de stakingsbeweging terwijl ze verdeeld zijn over religieuze lijnen.” (Lenin, On Religion, p. 16)

Dit is de essentie van de zaak. Wij vechten voor de eenheid van de arbeidersorganisaties zonder verdelingen op gebied van religie, nationaliteit, taal of cultuur. Onze taak is alle onderdrukten en elke uitgebuite te verenigen in één leger tegen de burgerij. Marxisten hebben nooit van de aanvaarding van het atheïsme een programmapunt gemaakt. Dit soort nonsens was het prerogatief van sommige anarchistische en radicale bewegingen. Het gebeurt vaak dat een gelovige arbeider nader tot de beweging komt, overtuigd van de algemene lijnen van haar programma en bereid om voor het socialisme te strijden, maar geen afstand wil doen van zijn godsdienst. Welke houding moeten we dan aannemen? We mogen hem of haar zeker niet afstoten. Zo iemand vervoegt de beweging immers niet om andere arbeiders te bekeren, maar om het kapitalisme te bevechten. Waarschijnlijk zal hij zelf in de loop van de tijd de tegenstelling zien tussen zijn politieke en religieuze overtuigingen. Deze kwestie is echter heel delicaat, en mag zeker niet geforceerd worden. Zoals Lenin uitlegt, zijn marxisten “absoluut tegen de minste belediging van de religieuze overtuiging van dergelijke arbeiders.” (Lenin, On Religion, p. 17)

Het is echter een heel andere zaak wanneer een intellectueel van de middenklasse die actief is in de beweging, ideologische verwarring wil zaaien, zoals het geval was toen Lenin over religie schreef. Een groep van extreem-linkse bolsjewieken (Bogdanov, Lunacharsky, enzovoort) probeerden het marxisme te herzien door mystieke filosofische begrippen en concepten te introduceren. Lenin verzette zich terecht met hand en tand tegen deze tendens.

De toekomst van religie

Wat is dan de toekomst van religie? Hierover bestaat natuurlijk een grondig meningsverschil tussen marxisten enerzijds en christenen en andere gelovigen anderzijds. Het is uiteraard onmogelijk om de toekomst te voorspellen, maar we kunnen wel een paar algemene perspectieven vooropstellen. Filosofisch gezien is het marxisme incompatibel met religie, maar het is evident dat we elke vorm van onderdrukking van religie veroordelen. We ijveren voor de volledige vrijheid van het individu om gelijk welke godsdienst of religie aan te hangen, of helemaal geen religie. We zeggen wel dat er een drastische scheiding tussen Kerk en staat moet zijn. De Kerken mogen echter niet direct of indirect gesteund worden via belastingen, noch mag religie op school onderwezen worden. Als mensen kiezen voor een religie, dan moeten ze hun Kerk onderhouden met het geld van hun geloofsgemeenschap en moeten ze hun leerstellingen prediken in hun vrije tijd. Deze eisen gaan op voor het christendom, de islam of gelijk welke andere godsdienst of religie.

De discussie over religie moet voortbestaan, maar mag het fundamentele probleem van onze tijd niet overschaduwen. Onze eerste en voornaamste taak is ons te verenigen met iedereen die een einde wenst te stellen aan de dictatuur van het Kapitaal, dat de mensheid in een toestand van slavernij houdt. Alleen een echt socialisme kan de vrije ontwikkeling van de individuen garanderen, zonder de hinder van materiële noden.

Gedurende eeuwen is georganiseerde religie gebruikt door de heersende klassen om de meerderheid van de mensen te bedriegen en te knechten. Met de regelmaat van de klok ontstonden er revoltes tegen deze situatie. Sinds de Middeleeuwen tot nu protesteerde men tegen de onderwerping van de Kerk aan de rijken en machtigen. Ook vandaag zien we protestbewegingen ontstaan. Het lijden van arbeiders en boeren, het martelaarschap van de mensheid onder het despotisme van het Kapitaal, leidt tot de verontwaardiging van brede lagen van de bevolking, waarvan de meesten niets afweten van de marxistische filosofie, maar die bereid zijn te strijden tegen onrecht en uitbuiting. Onder hen zijn er vele eerlijke christenen en ook delen van de onderste lagen van de clerus die vaak dagelijks getuige zijn van het lijden van de massa.

De bevrijdingstheologie is bijvoorbeeld een uitdrukking van het revolutionaire vuur in Centraal- en Latijns-Amerika. De onderste lagen van het priesterschap zijn geraakt door het lijden van de onderdrukte massa’s en verenigen zich met hen in de strijd om een beter leven. De kerkelijke hiërarchie die reeds honderden jaren een pact heeft gesloten met de rijke grootgrondbezitters, bankiers en kapitalisten, bestrijdt deze nieuwe tendens of moet haar wrokkig aanvaarden. De klassenstrijd is dus zelfs tot in de rangen van de Rooms-katholieke Kerk doorgedrongen. Ook onder islamieten begint het gedachtegoed van het marxisme wortel te schieten wanneer de onderdrukte massa’s van het Midden-Oosten, Iran, Indonesië, enzovoort, proberen hun levens te verbeteren en op zoek zijn naar een strijdprogramma om hun onderdrukkers omver te werpen.

De noodzakelijke voorwaarde is de omverwerping van kapitalisme, grootgrondbezit en imperialisme. Zonder dit is er geen vooruitgang mogelijk. Het enige programma dat de overwinning kan garanderen is dat van het revolutionaire marxisme. Een vruchtbare samenwerking tussen marxisten, christenen, islamieten, hindoes, boeddhisten, joden, enzovoort, in de strijd om de samenleving te veranderen is absoluut mogelijk en noodzakelijk, ondanks de filosofische verschillen die ons verdelen. Eerlijke christenen worden diep getroffen door de verschrikkelijke onderdrukking die de meerderheid van de mensen moet ondergaan. Camillo Torres, een vroegere Colombiaanse priester, verklaarde ooit: “Ik heb het priesterhabijt afgeworpen om een echte priester te worden. Het is de plicht van elke katholiek om een revolutionair te zijn; het is de plicht van elke revolutionair om de revolutie uit te dragen. De katholiek die geen revolutionair is, leeft in doodzonde.” Dit is een van de waardige opvolgers van de eerste revolutionaire christenen die voor de zaak van de armen en onderdrukten vochten, en die niet bang waren om hun levens te geven in de strijd tegen de onderdrukking. Zij zijn de moderne martelaars die het respect verdienen van iedereen die zich inzet voor vrijheid en rechtvaardigheid. Tussen 1968 en 1978 werden 850 priesters, nonnen en bisschoppen gearresteerd, gemarteld en vermoord in Latijns-Amerika. De Salvadoriaanse jezuïet Rutilio Grande zei voor hij werd gedood het volgende: “Vandaag is het gevaarlijk (…) en praktisch illegaal om een authentiek christen te zijn in Latijns-Amerika.” De nadruk ligt op het woord ‘authentiek’.