Mannen en vooral vrouwen zijn door de eeuwen heen opgevoed in een geest van slaafsheid. We hebben geleerd dat we zwak zijn, onmachtig en dat, wat we ook doen, het toch allemaal niets uitmaakt: ‘de mens wikt, maar God beschikt’. De heersende geesteshouding was het fatalisme. De fatalistische aanvaarding en de slaafse eerbiediging van de stand van zaken ligt in alle religies vervat. De christen wordt aangeraden zijn andere wang aan te bieden als iemand hem in het gezicht slaat. ‘Islam’ betekent onderwerping. Uit deze onmacht vloeit de nood voort aan een Hoger Wezen dat alles is wat de mens niet is. De mens is sterfelijk, God is onsterfelijk; de mens is zwak, God is almachtig; de mens begrijpt de mysteries van het heelal niet, God is alwetend enzovoort.

Het geloof dat menselijke wezens in de hemel verlossing kunnen vinden, geeft aanleiding tot het geloof in mirakels. Dit bijgeloof blijft niet beperkt tot de klassen die geen hoger onderwijs hebben gevolgd. Men kan een zelfde soort bijgeloof terugvinden bij economen en beursspeculanten die het gedrag van de gewone gokker met een konijnenpoot in de ene hand en een dobbelsteen in de ander, gewoon kopiëren. In de bijbel worden de hongerigen gevoed, kunnen de blinden zien, de kreupelen lopen – allemaal vanwege de tussenkomst van goddelijke mirakels. Vandaag zijn dergelijke tussenkomsten in vele gevallen niet meer nodig. De realisaties van de moderne wetenschap en technologie laten ons toe vele van deze ‘goddelijke’ interventies zélf te verrichten. Enkel de kunstmatige beperkingen opgelegd door het privé-bezit van de productiemiddelen en de winsteconomie verhinderen de verbreiding van deze voordelen en weldaden naar alle vrouwen, mannen en kinderen op deze planeet.

Naargelang mannen en vrouwen meer en meer hun eigen levens in handen kunnen nemen en zich kunnen ontwikkelen tot vrije menselijke wezens, zal hun interesse in religie als troost voor een leven na de dood, vanzelf afsterven. Gelovigen zullen dit natuurlijk betwisten. Ondertussen moeten dergelijke meningsverschillen ons niet verhinderen om samen te werken met christenen, joden, Hindoes of islamieten die zich willen aansluiten bij de strijd tegen onrechtvaardigheid en voor een nieuwe en betere wereld.

“Mocht ik helemaal opnieuw moeten beginnen, dan zou ik (…) proberen om deze of die vergissing niet te maken, maar de globale lijn van mijn leven zou onveranderd blijven. Ik zal sterven als een proletarische revolutionair, als een marxist, als een dialectisch-materialist en dus ook als een onverzoenbare atheïst. Mijn vertrouwen in de communistische toekomst van de mensheid is niet minder groot, het is zelfs sterker vandaag, dan in de dagen van mijn jeugd. Het vertrouwen in de mens en zijn toekomst geven me zelfs nu zo’n kracht aan verzet als geen enkele religie me kan bieden.” (L. Trotsky, Stalin, NY 1967, p. 54)

In zijn boek ‘De Metafysica’ geeft Aristoteles een wonderbaarlijk diepzinnige opmerking wanneer hij stelt dat de mens begint te filosoferen als hij in zijn levensbehoeften voorzien is. Door de eliminatie van de oude afhankelijkheid van de mens van materiële zaken, zal het socialisme de basis leggen van een radicale verandering in de manier van denken en handelen. Trotski anticipeerde op wat er zou gebeuren in een klassenloze maatschappij: “Onder het socialisme zal de solidariteit de basis zijn voor de samenleving. Elke emotie die wij revolutionairen rond deze tijd kunnen benoemen (…) zoals belangeloze vriendschap, liefde voor de naaste, sympathie enzovoort, zullen de machtige akkoorden vormen van de socialistische poëzie. (Trotsky, Literature and Revolution, p.60)

De ketenen van de klassenonderdrukking en slavernij zijn niet alleen materieel, maar ook psychologisch. Het zal een tijdje duren, zelfs na de afschaffing van het kapitalisme, eer de psychologische en ethische littekens van deze slavernij zullen verdwijnen. Mensen die opgevoed zijn binnen een slaafse mentaliteit zullen hun geesten niet onmiddellijk kunnen bevrijden van oude vooroordelen. Maar eens de sociale en materiële voorwaarden zijn vervuld, dan kunnen mannen en vrouwen waarachtig menselijke verhoudingen aangaan. Hun gedrag en manier van denken zullen op dezelfde wijze veranderen. Als die dag komt, dan zullen mensen geen nood meer hebben aan politiemannen, noch van materiële noch van spirituele aard.

De oude Griekse sofisten, die in werkelijkheid scherpzinnige filosofen waren, stelden dat ‘de mens de maat is van alle dingen’. In een klassenloze samenleving zou dit echt bewaarheid worden. Als mensen hun eigen levens en lotsbestemming werkelijk leiden op een volledig bewuste manier, is er dan nog plaats voor het bovennatuurlijke? In plaats van te zoeken naar een denkbeeldig leven na de dood, zullen de mensen hun energie aanwenden om het leven zo mooi en bevredigend te maken als maar kan zijn. Dit is de uiteindelijke betekenis van het socialisme: het in de praktijk brengen van wat altijd al mogelijk was.

In deze hogere vorm van menselijke maatschappij zullen mannen en vrouwen zichzelf naar hun werkelijke vermogens kunnen ontwikkelen. Ze zullen onze wereld verlossen van armoede, haat en onrecht. Ze zullen onze planeet in haar glorie herstellen, haar rivieren, zeeën en watervallen zullen weer zuiver zijn en de wonderlijke diversiteit van het leven zal beschermd en gekoesterd worden. De lelijke, benauwende steden zullen vernietigd worden en herbouwd worden met de liefdevolle zorg en artistieke creativiteit die mensen op hun omgeving zullen loslaten. De dieptes van de oceanen zullen ontdekt worden en zullen hun laatste geheimen onthullen. En uiteindelijk zullen we onze handen uitstrekken naar de hemel, niet in een gebed, maar door middel van ruimteschepen die de mensheid tot de grenzen van ons melkwegstelsel zullen brengen, en misschien zelfs verder. Als mannen en vrouwen dergelijke onbegrensde visies koesteren over menselijke vooruitgang, bewerkstelligd door onze eigen inspanningen en hulpbronnen, zal er dan nog plaats zijn voor religie? De mensen zullen de oude ideeën langzaam loslaten en ontdekken dat zij ze niet langer nodig hebben.

In de bijbel kunnen we woorden terugvinden die getuigen van een grote wijsheid, zoals in de brief naar de Korinthiërs: “Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, ik begreep als een kind en ik dacht als een kind. Toen ik een man werd, zette ik dergelijke kinderlijke zaken aan de kant.” Hetzelfde gaat op voor de ontwikkeling van onze soort. Als de menselijke soort ooit haar lotsbestemming vervult, in staat is om op haar eigen twee benen te staan en haar leven ten volle te leiden, dan zal het niet langer de illusie van de religie nodig hebben, van bovennatuurlijke fenomenen die we aanbidden of van de valse troost die een leven na de dood ons biedt. Wanneer dat moment aanbreekt, dan zal de mensheid de religie afwerpen met hetzelfde gemak als volwassen mensen de sprookjes van hun kindertijd aan de kant zetten waar ze vroeger zo van hielden, maar die niet langer van enig nut zijn.