HomeActualiteitSyndicale & sociale strijdVan rechtstaat naar rechtersstaat

Van rechtstaat naar rechtersstaat

In rechtse kringen leeft het idee dat rechters te veel beïnvloed worden door links-progressieve standpunten. Zij zouden zich te vaak mengen in politieke beslissingen doordat zij grondrechten (te) ruim interpreteren. Zo waarschuwt socioloog en N-VA-ideoloog Mark Elchardus in zijn columns regelmatig voor deze “juristocratie”. Vooral internationale rechtscolleges, zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, krijgen daarbij kritiek. Wat in dit debat echter vaak onderbelicht blijft, is dat de supranationale hoven zich geregeld uitspreken tegen werknemers, net zoals Belgische rechters dat dikwijls ook doen. Twee recente beslissingen van de voorzitters van de rechtbank van eerste aanleg in West-Vlaanderen (Brugge) en in Antwerpen zijn daar voorbeelden van. In deze bijdrage gaan we die zaken kort toe lichten. We baseren ons daarbij vooral op de uitspraak uit Brugge, omdat we de Antwerpse beschikking (nog) niet konden inkijken.

Het eenzijdig verzoekschrift

Op 10 maart werd een eenzijdig verzoekschrift ingediend door een aantal ondernemers actief in de haven van Zeebrugge, samen met werkgeversorganisatie Voka West-Vlaanderen en wel hierom. In Zeebrugge legden zowel de maritieme verkeersleiders als de loodsen al op 9 oktober het werk neer, waardoor het scheepvaartverkeer volledig stil was gevallen. De aangekondigde werkneerleggingen van 12 maart 2026 vormden de spreekwoordelijke druppel die de emmer doet overlopen. Er werd niet op superlatieven bespaard: de economische schade zou enorm zijn, de reputatie van de Belgische havens krijgt opnieuw een knauw, en – doemscenario – Duinkerken en Rotterdam staan klaar om trafiek over te nemen. De actie was – volgens de verzoekers – disproportioneel, des te meer omdat ze gericht was tegen regeringsmaatregelen waarop de ondernemers zelf geen enkele invloed hebben. Daarom vroegen zij dat een blokkade van de haven van Zeebrugge werd verboden en verzochten ze de rechter om het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust te verplichten een minimumdienstverlening te organiseren, zodat schepen binnen een redelijke termijn de haven konden in- of uitvaren.

In Brugge

In Zeebrugge legden zowel de maritieme verkeersleiders als de loodsen op 9 oktober het werk neer, waardoor het scheepvaartverkeer volledig tot stilstand kwam. Het havenpatronaat spaarde de grote woorden niet: de economische schade zou immens zijn, de reputatie van de Belgische havens liep opnieuw een deuk op en Duinkerken en Rotterdam zouden klaarstaan om trafiek over te nemen. De aangekondigde acties van 12 maart 2026 waren de druppel die de emmer deed overlopen. De staking zou disproportioneel zijn, temeer omdat ze gericht was tegen regeringsmaatregelen waarop ondernemers zelf geen enkele invloed hebben. Daarom dienden op 10 maart een aantal ondernemingen, samen met werkgeversorganisatie Voka West-Vlaanderen, een eenzijdig verzoekschrift in bij de rechtbank van eerste aanleg. Ze vroegen om een verbod op elke blokkade van de haven van Zeebrugge én om het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust te verplichten een minimumdienstverlening te garanderen, zodat schepen binnen een redelijke termijn de haven konden in- en uitvaren.

Een belangrijke vraag waarover de rechter zich moest buigen, was of hij een minimale dienstverlening tijdens de staking kon opleggen. Hij stelde echter vast dat er geen wettelijke basis bestaat om de overheid daartoe te verplichten. Sterker nog: hij suggereerde dat het invoeren van zo’n regeling zelfs een schending van het stakingsrecht zou kunnen vormen. Wat de rechter wél kon doen (en deed), was verbieden dat de toegang tot schepen of bedrijven in het havengebied werd geblokkeerd. Wie zich tussen 10 en 12 maart niet aan dat verbod hield, riskeerde een dwangsom van 1.000 euro per uur, met een maximum van 5.000 euro.

Op zichzelf is deze beschikking niet bijzonder opvallend. Het verbieden van fysieke hinder voor werkwilligen of het blokkeren van ondernemingen kan immers ook via bepalingen van het Strafwetboek; daarvoor is een rechterlijke tussenkomst eigenlijk niet noodzakelijk. Enkele argumenten van de verzoekers – waarop we hier niet verder ingaan – werden wel erg snel afgehandeld. Ook wordt niet stilgestaan bij de vraag welk concreet belang VOKA heeft om een dergelijke vordering in te dienen. Als lobbyorganisatie lijdt zij zelf geen schade door de staking; waarom mag zij dan toch optreden? Maar goed, het verzoekschrift werd ingediend om 17.05 uur en de beschikking lag al om 17.40 uur klaar. Veel tijd om hierover na te denken was er dus niet. Wanneer het om stakingen gaat, lijkt de versnelling plots een stuk hoger te kunnen.

In de metropool

Ook in Antwerpen werd een verzoekschrift ingediend. Men zou verwachten dat dit tot dezelfde uitkomst zou leiden als in Brugge, maar dat blijkt slechts gedeeltelijk het geval. Er is één groot verschil. Volgens een persbericht van de Antwerpse rechtbank werd het Agentschap voor Maritieme Dienstverlening en Kust verplicht om een minimumdienstverlening te garanderen, zodat schepen binnen een redelijke termijn de haven van Antwerpen konden in- en uitvaren. Op het eerste gezicht lijkt dit een overwinning voor de havenbazen. Een lezing van de beschikking toont echter een genuanceerder beeld. De rechtbank beveelt “om een minimumdienstverlening door de afdelingen Loodswezen en Scheepvaartbegeleiding te verzekeren”. Dat zou minimaal betekenen dat:

“[A]lle schepen die de haven van Antwerpen wensen in of uit te varen contact kunnen opnemen met de Scheepvaartbegeleiding, dat de loodsbestelling (waar nodig) kan worden geplaatst, dat het nodige zal worden gedaan om de scheepvaart in de Scheldemonding en het aanloopgebied van de haven van Antwerpen te monitoren en te begeleiden, zodat schepen (voor zover vereist, met bijstand van een loods) in elk geval de haven van Antwerpen binnen een redelijke termijn kunnen in- en uitvaren.”

Hoe dit in de praktijk moet of kan worden georganiseerd, blijft onduidelijk. De realiteit toont alvast dat het Agentschap vooral – of zelfs uitsluitend – heeft ingezet op vrijwilligers om de dienstverlening zo goed mogelijk te laten verlopen. Wat had het meer kunnen doen? Het beschikt niet over de bevoegdheid om personeel op te vorderen. Het onmiddellijke effect van de beschikking lijkt dan ook beperkt, maar er bestaat wel de vrees dat sommige advocaten hierdoor op ideeën worden gebracht om deze piste verder te onderzoeken. Wordt dus waarschijnlijk/helaas vervolgd.

En tot slot … in Vlaanderen

Binnen Vlaamse regeringskringen wordt nagedacht over een wettelijk kader om een minimale dienstverlening in de havens op te leggen met als voornaamste motivatie de grote economische belangen. Het financiële argument kan echter nooit dienen om het stakingsrecht aan banden te leggen. Zo’n beperking is alleen mogelijk wanneer de gezondheid of de veiligheid in het gedrang komen. Daarnaast zijn volgens het Committee on Freedom of Association van de Internationale Arbeidsorganisatie transportbedrijven onder normale omstandigheden geen sector waarin een minimale dienstverlening gerechtvaardigd is. Maar volgens Elchardus en co zal het CFA wel een onderdeel zijn van de verfoeide ‘juristocratie’.

Auteur