HomeInternationaalEuropaScholierenstaking in Frankrijk

Scholierenstaking in Frankrijk

Sinds midden september blokkeren scholieren hun scholen. Ze ervaren tal van problemen, vaak als gevolg van een gebrek aan middelen. Leerlingen spreken over een tekort aan leraren, tafels en stoelen in de klaslokalen, maar ook over het ontbreken van toiletpapier en zeep. De beweging is gestart op scholen in de Parijse banlieues (voorsteden), waar verouderde en gebrekkige infrastructuur vaak de norm is. Ondertussen heeft de beweging een nationaal karakter ontwikkeld: scholieren uit heel het land, zowel uit het privé- als het openbaar onderwijs, komen massaal op straat. Ze zijn niet de enigen: ook studenten en onderwijspersoneel hebben zich bij de mobilisaties aangesloten.

Een explosieve situatie

Ondanks de harde repressie door de Franse ordediensten, een jongere verloor zijn hand en een andere zijn oog, blijven de scholieren massaal de straat op gaan. Ze hebben dan ook alle redenen om ontevreden te zijn. Naast een gebrek aan middelen is er ook de kwestie van ongelijkheid. Frank D’Hanis verwoordt het als volgt:

“De omstandigheden in het Franse onderwijs zijn heel nadelig als je in armoede geboren wordt (…) Hebben ouders weinig scholing, dan blijft dat voor hun kinderen vaak ook zo (…) Bovendien is er een diepe schoolsegregatie in Frankrijk: je hebt scholen met goed presterende leerlingen en scholen met leerlingen die slecht presteren. Ook dit is dus sterk gebonden aan het inkomensniveau van hun ouders (…). Dan is er in Frankrijk ook nog het tekort aan personeel, zijn de schooldagen langer dan het Europese gemiddelde, zijn de klasgroepen groter en zijn de schoolgebouwen vaak gewoon ruïnes. Dat alles maakt het niet alleen erg moeilijk om leerkracht te zijn op veel Franse scholen, maar veroorzaakt ook een wanhopige golf van schoolmoeheid bij de leerlingen.”

Macron en zijn regering zijn bang voor de beweging. Alles wordt dan ook in het werk gesteld om de scholieren te discrediteren. Daarbij kunnen ze rekenen op de media. Op de privézenders, die grotendeels in handen zijn van de extreemrechtse mediamagnaat Bolloré, ligt de focus uitsluitend op de rellen en op de allochtone jongeren die daarachter zouden zitten. Elke verbrande vuilnisbak is al ettelijke malen in beeld gebracht. Op de publieke omroep is het helaas niet veel beter. Volgens Acrimed, een mediaobservatorium, ging vorige week driekwart van de berichtgeving in het journaal van France 2 over de rellen. Slechts 8% van de berichtgeving ging over de eisen van de actievoerders. Het is een bewuste strategie, eentje die voorlopig niet echt haar vruchten afwerpt: volgens BFMTV steunt een meerderheid van de Fransen de beweging en vindt drie vierde de eisen van de scholieren zelfs gerechtvaardigd. Enkele maanden voor de verkiezingen komt de nadruk zo op de sociale strijd te liggen, wat voornamelijk in het voordeel speelt van LFI.

La France Insoumise (LFI) en le Rassemblement national (RN)

Le Canard enchaîné meldt dat Macron de opdracht zou hebben gegeven om de protesten af te schilderen als een beweging die wordt aangestookt door La France insoumise (LFI). In tegenstelling tot veel andere partijen, die enkel minachtend staan tegenover de jongeren, neemt LFI actief deel aan de beweging. De volksvertegenwoordigers begeven zich op straat en dienen vaak als buffer tussen de politie en de protesterende jongeren. Het geniet daarom ook van een enorme steun onder de betogende jeugd. De jongerenbeweging reduceren tot machinaties van LFI en haar leider Jean-Luc Mélenchon is echter belachelijk. LFI is weliswaar de sterkste kracht aan de linkerzijde, maar zonder de enorme woede die onder de scholieren en studenten leeft, zou Mélenchon geen enkele invloed kunnen uitoefenen. De enigen die verantwoordelijk zijn voor deze situatie, zijn de Franse machthebbers, die het onderwijs al decennialang verwaarlozen. Het Rassemblement national blinkt daarentegen uit door zijn afwezigheid. De volksvertegenwoordigers van de partij zijn nergens op straat te bespeuren. Zij hebben dan ook geen antwoord op de problematiek van de jongeren. Om toch garen te spinnen uit de situatie, bekijken ze alles vanuit het prisma van de zogenaamde probleemjongeren. Ze spreken over een verwildering van de jeugd, die volgens hen het gevolg is van de ‘losgeslagen’ migratie. Zo herleiden ze de problematiek tot migratie en veiligheid en pleiten ze voor nog meer repressie.

De beweging blijft druk zetten

De repressie, de pogingen tot beïnvloeding van de media en de diabolisering van LFI ten spijt, blijft de beweging populair. Op 6 oktober, de derde dag van de mobilisatie, kwamen in heel Frankrijk 450.000 mensen op straat. ’s Avonds kondigde premier Lecornu ‘de tijd voor democratie’ aan. De directeurs werden aangemoedigd een halve dag te besteden aan ‘het bevorderen van een dialoog tussen leerlingen en personeel’. Het is echter niets anders dan een hopeloze poging om de scholieren van de straat te krijgen. Veel leerkrachten zijn hier ook niet mee opgetogen:

“Wij, de leerkrachten, hebben gezegd dat we tegen deze schijnvertoning van schooldemocratie zijn. Ze willen dat we hen helpen om de leerlingen weer naar de klaslokalen te krijgen, maar het is niet onze taak om een oplossing te vinden voor de chaos die zij hebben veroorzaakt.”

De vierde mobilisatiedag, op 8 oktober, bracht weliswaar iets minder volk op straat, maar het zou fout zijn om daarin een verzwakking van de beweging te zien. De scholieren blijven strijdvaardig en hopen stand te houden tot 17 oktober. Op sociale media circuleert namelijk een breed gedragen oproep om op die dag de gelehesjesbeweging nieuw leven in te blazen. De realiteit is dat de beweging zonder steun van de Franse arbeidersbeweging dood dreigt te bloeden. Voorlopig ziet het er echter niet naar uit dat de CGT, de socialistische vakbond, de maat van de situatie neemt. De vakbond roept slechts op tot een staking op 5 november. Op die manier kopen de vakbondsleiders tijd voor de regering, die geenszins van plan is om zonder zware druk van onderuit toegevingen te doen aan de beweging. De vakbondstop moet zich resoluut achter de jeugd scharen. De beste manier om dat te doen, is een algemene staking die hernieuwbaar is tot er verandering komt.

De financiële markten dicteren de wet

Op de financiële markten gingen de langetermijnrentes voor Frankrijk de afgelopen weken flink omhoog. Frankrijk heeft een grote staatsschuld en een groot tekort. Premier Lecornu zoekt 54 miljard euro om het tekort van 5,4% naar 5% van het bbp te doen zakken. Daarmee hoopt hij de markten ervan te overtuigen dat zijn regering verantwoordelijk en serieus is. De scholierenbeweging maakt de markten echter zenuwachtig. De Financial Times verwoordde het mooi: Frankrijk zit klem tussen de obligatiemarkten en de barricades. Dat is de reden waarom de regering niet zomaar zal toegeven. Het geld dat vandaag naar de scholierenbeweging gaat, zal elders gehaald moeten worden, dans les poches du patronat…

De arbeidersbeweging mag niet naïef zijn. Het Franse patronaat verschuilt zich graag achter de markten. Het is namelijk handig om politieke keuzes voor te stellen als economische noodzakelijkheden. Het democratische debat wordt zo overbodig. De scholieren hebben misschien terechte eisen, maar er is nu eenmaal geen geld meer, kan men dan uit de mond van de bourgeoisie horen. Er wordt op die manier ook een signaal gestuurd naar de arbeidersbeweging en de linkse kandidaten voor de presidentsverkiezingen. Staken, betogen en pleiten voor sociale investeringen heeft geen zin, want er is geen geld. Het is dan ook hoogstens onverantwoordelijk. De vele protestbewegingen in het recente verleden, hoe groot die ook waren, zijn daarom telkens op een muur van onverschilligheid gebotst. ‘Er is geen alternatief’ is een mooie manier om de linkerzijde te disciplineren. De gehele linkerzijde, buiten LFI, heeft zich die doctrine dan ook al eigen gemaakt. Het programma van Mélenchon wordt dan regelmatig met de grond gelijkgemaakt door de ‘serieuze’ mensen.

De druk van de financiële markten wordt ook gebruikt om de politieke agenda van het patronaat door te voeren. Die pleiten voor een afslanking van de staat, met andere woorden: besparingen in de sociale zekerheid. De royale subsidies aan bedrijven blijven uiteraard buiten schot. Dat zegt veel over de politieke visie van de Franse ondernemers: zij zien zichzelf als de oplossing, terwijl de ‘luieriken’, de ‘hulpbehoevenden’ en het ‘gepeupel’ het probleem vormen. Het is een klassenstrijd. De verdienste van de scholieren- en studentenbeweging is dat ze die strijd aangaat en niet bang is om het ‘onmogelijke’ te eisen. Ze eisen niets minder dan een toekomst.

Auteur