HomeTheorieFilosofieTerug naar (de kapitalistische) school

Terug naar (de kapitalistische) school

In wiens belang werd het onderwijssysteem onder het kapitalisme ontwikkeld? Dat is de vraag die Cécile Gorré en Nico Hirtt zich in hun nieuwste boek “A l’école du capitalisme” (2026, nog niet vertaald) stellen. Het duo maakt deel uit van de Oproep voor een Democratische School (OVDS). De vereniging waar veel strijdbare vakbondsmilitanten actief zijn, vindt haar oorsprong in de grote lerarenstakingen van de jaren 1990. Net zoals dat het geval is tijdens de massale acties in het Franstalige onderwijs vandaag, stelden de meest radicale leerkrachten zich toen niet tevreden met eisen rond financiering of werkomstandigheden – hoe belangrijk die ook zijn. Ze stellen ook het educatief systeem op zich in vraag.

Daarvoor is het nodig om na te gaan of de emancipatorische waarden die aan onderwijs toegedicht worden, ook echt nagestreefd worden. Gorré en Hirt komen tot de conclusie dat het onderwijssysteem steeds de noden van de kapitalistische arbeidsmarkt heeft gediend. De grote veranderingen in het onderwijs, vallen dan ook samen met de veranderende noden aan arbeidskrachten.

Veranderingen in het onderwijs

Elke generatie wordt opgevoed, gevormd, gedisciplineerd en voorzien van de nodige kennis om te functioneren in het dagelijkse en maatschappelijke leven; ze wordt met andere woorden gesocialiseerd. Vandaag gebeurt dit via het onderwijs. Ons huidige schoolsysteem in Europa ontwikkelde zich geleidelijk vanaf de 19de eeuw.  Staatshoofden en beleidsmakers maakten zich zorgen om het ‘toenemende morele verval’ van de arbeidende klasse. De lagere scholen richtten zich tot het ‘gewone volk’ en waren in de eerste plaats socialisatie-instituten.

“Het openen van een school is het sluiten van een gevangenis”, filosofeerde Victor Hugo.

Leopold I, meer een pragmaticus dan een poëet, vond publieke instructie van uitermate groot belang om de sociale orde te bewaren. Het lager onderwijs bracht de Belgische jongeren:

“Liefde en respect bij voor de principes waarop onze vrije instellingen zijn gebaseerd“, oreerde Leopold II.

Meer dan een flinke dosis religie en lezen – schrijven – rekenen kwam er niet aan te pas. Volgens de auteurs had het schoolsysteem in deze periode een ideologische en politieke functie:

“De school is niet ontstaan omdat het zegevierende kapitalisme geschoolde arbeiders nodig had”, stellen Gorré en Hirt, “maar juist om de omgekeerde reden: omdat het nood had aan ongeschoolde en dociele arbeiders.”

Nood aan een gekwalificeerde loonarbeid

Vanaf het begin van de 20ste eeuw zorgden de verbetering en ontwikkeling van industriële technologieën voor een vraag naar meer gespecialiseerde arbeidskrachten en technische scholing. Het onderwijs diende een deel van de jongeren uit de arbeidersklasse voor te bereiden op de arbeidsmarkt; onderwijs kreeg naast een ideologische, ook steeds meer een economische functie. De toenmalige veranderingen in het onderwijs moeten uiteraard niet overdreven worden. De grote meerderheid van de jongeren uit de lagere sociale klassen bleef slechts genieten van lager onderwijs; verder studeren was weggelegd voor een kleine minderheid jongeren, zij die goed presteerden. Op die manier ontstond het idee dat het onderwijs voor sommigen een middel kan zijn om de sociale ladder op te klimmen.

Na de Tweede Wereldoorlog neemt de economische functie van het onderwijs steeds meer de bovenhand. De economische groei is gigantisch en er is nood aan meer en beter gevormde arbeidskrachten, vooral in administraties en commerciële functies. Het middelbaar onderwijs wordt uitgebreid; steeds meer jongeren uit de minder gegoede klassen vinden een plek in het algemeen secundair onderwijs. Sommigen kunnen zelfs hogere studies ondernemen. Belangrijk is wel, schrijven de auteurs, te beseffen dat de toegankelijkheid van het onderwijs voor steeds meer jongeren grotendeels het resultaat is van economische factoren en niet zozeer van een plots moreel bewustwordingsproces bij beleidsmakers. 

Massificatie is geen democratisering

Tussen 1950 en 1980 werd het onderwijs toegankelijker voor steeds meer mensen. In die jaren werd de nadruk voornamelijk gelegd op de kwantiteit, meer jongeren onderwijzen, eerder dan op de kwaliteit van het onderwijs (doelen, inhoud, methodes, structuur, …). De arbeidsmarkt had steeds meer geschoolde arbeidskrachten nodig; de massificatie van het onderwijs was hier het antwoord op.

Het is echter foutief, schrijven de auteurs, te denken dat de massificatie van het onderwijs hetzelfde is als de democratisering ervan. Beide termen worden vaak door elkaar gebruikt, toch zijn er verschillen. Hoewel steeds meer jongeren uit alle sociale lagen van de maatschappij inderdaad de weg naar de schoolbanken vonden, bleef de relatieve ongelijkheid tussen de verschillende sociale klassen grotendeels intact. Jongeren uit de arbeidersklasse hadden minder slaagkansen dan jongeren uit hogere kringen. De sociale achtergrond bepaalt grotendeels het succes. Het verhaal van mijn familie langs moeders-en vaderskant is hiervoor illustratief. Afkomstig uit de immigratie en onderdeel van de arbeidersklasse hebben mijn nonkels en tantes weliswaar genoten van de massificatie van het onderwijs; geen van hen heeft echter hogere studies ondernomen. De arbeidsmarkt heeft hen allemaal op jonge leeftijd allemaal verslonden.

Deze persoonlijke anekdote wordt ook bevestigd door de cijfers: aan het eind van het middelbaar onderwijs heeft een leerling 95% kans om in het ASO te zitten als de moeder een universitair diploma heeft, en 80% kans om in het BSO te zitten als de moeder alleen maar lager onderwijs heeft genoten. Een kind van een ongeschoolde arbeider heeft 19 keer meer kans op BSO dan een kind van een kaderlid.

Een nieuwe economische context zorgt voor veranderingen in het onderwijs

Er stroomden steeds meer jongeren in het secundair onderwijs, waarvoor de overheid meer onderwijsbudget moest vrijmaken. Vanaf de crisis van de jaren 1970 werd er echter bespaard, aanvankelijk met de bedoeling om in betere tijden de massificatie van het onderwijs en de daarmee gepaard gaande stijgende budgetten verder te zetten. Vanaf de jaren 1980 groeide het besef dat de kapitalistische economie zich in een zware crisis bevond (met hoge werkloosheidscijfers, veel faillissementen en dit op wereldschaal) en bleef men verder snijden in de onderwijsbudgetten. Het onderwijsbeleid werd geherdefinieerd. 

De Europese instanties spelen hierin een belangrijke rol. Zij zijn een stuwende kracht in het proces van de onderwijsvernieuwing ten dienste van de noden van de economie. Ze leggen druk op regeringen om bepaalde maatregelen te nemen. In elke lidstaat worden hervormingen in het onderwijs doorgevoerd met de richtlijnen van de Europese instanties als leidraad. Ook in het Vlaamse onderwijs zien we deze evolutie. 

Kapitalistische contradicties

Marx schreef al dat:

“de burgerij noch de middelen nog de wens heeft om daadwerkelijk onderwijs te voorzien aan het proletariaat.”

Gorré en Hirt komen tot dezelfde conclusie: veranderingen in het onderwijs komen voort uit de noden van de kapitalistische arbeidsmarkt, die vermomd worden als ‘emancipatorisch’ en ‘gelijke kansen’. In werkelijkheid doorklieven de klassenlijnen het onderwijs en zorgen die voor de onoplosbare tegenstelling tussen:

“Het aanleren van basiswaarden die de bourgeoisie voor haar eigen kinderen eist – individuele vrijheid, zelfverzekerdheid en persoonlijk succes – en  de noodzaak om toekomstige arbeiders waarden bij te brengen zoals werkdiscipline, gehoorzaamheid en bescheidenheid in sociale ambities.”

Auteur