HomeTheorieGeschiedenisAndrée Blouin: het bewogen leven van een Afrikaanse pasionaria!

Andrée Blouin: het bewogen leven van een Afrikaanse pasionaria!

De Brusselse Raadkamer besliste op 17 maart 2026 dat burggraaf Etienne Davignon zich voor de correctionele rechtbank moet verantwoorden voor zijn mogelijke aandeel in de moord op de Congolese premier Lumumba op 17 januari 1961. Volgens journalist Jan Antonissen van Humo was Davignon toen, ondanks zijn jonge leeftijd, zeer vertrouwd met alle hoofdrolspelers van dit dossier, hij bevond zich ook, kort na de feiten in Katanga. Concreet wordt Davignon beschuldigd van drie soorten oorlogsmisdaden: onrechtmatige gevangenhouding en overbrenging van een burger of krijgsgevangene, afwezigheid van regelmatige en onpartijdige berechting en vernederende en onterende behandelingen.

Davignon ging in beroep maar wanneer de kamer van inbeschuldigingstelling hetzelfde beslist als de raadkamer, kan men in januari 2027 van start gaan. Krijgen de kinderen van Patrice Lumumba nu eindelijk het proces waar ze al jaren om vroegen?

Waar weinigen van op de hoogte zijn, is dat de Pan-Afrikaanse activiste Andrée Blouin een medestandster was van Patrice Lumumba en samen met hem streed in Belgisch Congo. Het blijkt zelfs dat zijn beroemdste speech, die hij uitsprak bij het bezoek van Koning Boudewijn, van haar hand was! Nog een reden te meer om haar autobiografie, die in 1983 voor de eerste keer in het Engels verscheen en in 2025 opnieuw vertaald werd, met de grootste aandacht te lezen.

Een bevoorrechte getuige van haar tijd

Het eerste deel van haar boek beslaat haar kindertijd en jeugdjaren en als je de impact van de kolonisatie écht wil begrijpen, dan laat je je onderdompelen in wat zij beschrijft als “haar jeugdgevangenis”, het hardvochtige nonnenklooster waar “meisjes van gemengde rassen” zoals zij, moeten boeten voor de zonden van hun ouders. De ‘métiskinderen’ of ‘halfbloedkinderen’ worden dagelijks vernederd, krijgen amper te eten en mogen geen bezoek van hun zwarte bloedverwanten ontvangen. Pas op haar 17e verjaardag kan ze, samen met een aantal vriendinnen, uit het klooster ontsnappen en met vallen en opstaan aan haar leven beginnen. Het zal haar jaren kosten om het beeld van haar eigen minderwaardigheid, die er hardhandig werd ingestampt, kwijt te geraken en op haar eigen oordeel en inzicht te durven betrouwen.

Ze staat zeer kritisch tegenover het koloniale systeem maar wat haar uiteindelijk radicaliseert is de dood van haar tweejarig zoontje, die geen kinine krijgt tegen de malaria, “want dat is enkel voorbehouden voor de blanken”. Het politiseerde me, schrijft ze, zoals niets anders ooit had gekund en het trekt haar over de streep om zich politiek te engageren.

De Pan-Afrikaanse beweging

In haar derde huwelijk, met André Blouin, komt haar strijd in de dekolonisatie tot volle bloei. Ze verhuizen naar Guinee, waar Ahmed Sekou Touré campagne voert tegen het Franse voorstel om na de onafhankelijkheid deel te blijven uitmaken van de Franse invloedssfeer. Ze sluit zich aan bij de Pan-Afrikaanse beweging van Touré en zal al snel een belangrijke rol

spelen in de onafhankelijkheidsstrijd in Congo-Brazzaville, de Centraal-Afrikaanse republiek en ook in Belgisch Congo. Ze maakt kennis met Patrice Lumumba, Antoine Gizenga en Pierre Mulele, met wie ze aan de vooravond van de Congolese onafhankelijkheid door het land trekt met zijn Parti Solidaire Africaine. Ze organiseert vooral de Congolese vrouwen, wat leidt tot de grootste vrouwenbeweging van het land.

Nadia Nsayi, schrijft in het voorwoord: “In de geboorteregio van mijn vader mobiliseerde ze duizenden vrouwen en sprak een volksmassa toe tijdens de kiescampagne die voorafging aan de Onafhankelijkheidsdag op 30 juni 1960”. Het levert haar in de Westerse pers de bijnaam “de zwarte pasionaria” op, naar analogie met de beroemde Spaanse Communiste en anti-Franco strijdster Dolores Ibárruri. Ze komt ook op de radar van de Belgische geheime dienst, die haar omschrijft als “een fanaticus, ze is oprecht en onvermoeibaar, ze veracht geld en is niet omkoopbaar”.

Na de onafhankelijkheid wordt Andrée chef protocol van de eerste regering van Congo, onder leiding van Lumumba. Ze beschrijft hoe de eerste weken na de onafhankelijk verlopen als volgt: Niet alleen had Lumumba een rampscenario geërfd, vanaf dag één startte België een ondermijningsoperatie op. Experten vertrokken massaal, de Belgen hadden geen vervangers opgeleid. De beroepsbevolking bestond enkel nog uit klerken en ongeschoolde arbeiders. De meeste elementaire diensten brokkelden af, zoals de Belgen hoopten. In Leopoldstad bedroeg het aantal werklozen 100.000 op een bevolking van 350.000. De nieuwe regering kon onmogelijk binnen de twee dagen een oplossing vinden voor een catastrofe die de Belgen al 80 jaar voorbereid hadden.

Uiteindelijk pakken ze Lumumba op en wordt Andrée Blouin het land uitgezet. Haar man en kinderen blijven als gijzelaars achter, zodat ze zou zwijgen. Amper zes maanden na de onafhankelijkheid wordt Lumumba met Belgische medeplichtigheid vermoord. Kort daarna komt Mobutu aan de macht, uitgekozen door Amerika en België om Congo terug onder hun invloedssfeer te krijgen.

Andrée eindigt haar boek met een lofzang op Afrika, haar land. “Vertellen over mijn leven is mijn manier om over Afrika te vertellen. Ik wil mijn Afrika delen met mensen die nog niet weten wat Afrika voor hen kan betekenen. Ik wil dat er van Afrika gehouden wordt. Ik vertel over mijn land omdat ik wil dat het gekend is. We kunnen niet houden van wat we niet kennen. Eerst komt het weten, dan komt de liefde. Waar kennis is, zal zeker liefde zijn!” Een ontroerend einde van een opmerkelijk boek.

Auteur

vorig artikel
volgend artikel