HomeActualiteitSyndicale & sociale strijdArbeidsrecht in de uitverkoop

Arbeidsrecht in de uitverkoop

Aan de vooravond van 1 mei werden twee wetsontwerpen1 goedgekeurd die mikken op een verdere afbouw van de arbeidsduurreglementering en op een inperking van de opzeggingstermijnen. Over deze maatregelen circuleren intussen al tal van juridische analyses op allerhande websites. Dat gaan we dus niet dunnetjes overdoen. Wat volgt, zijn enkele kritische bedenkingen, waarbij de motivering van een aantal onrustwekkende regels onder de loep wordt genomen.

Flexibiliteit als dogma

Sinds het begin van de jaren tachtig worden door het patronaat de “rigide” arbeidsduurregelingen aangewezen als dé oorzaak van zowat alle economische problemen. Al decennialang klinkt de roep om het juridische kader te versoepelen. Stap voor stap werden regels afgevoerd, afgezwakt of uitgehold. Met de recent goedgekeurde wetgeving krijgen werkgevers waar ze al jaren om vragen.

De belangrijkste maatregelen zijn de volgende.

  • Verlaging van de minimale wekelijkse arbeidsduur

Tot vandaag geldt – behoudens enkele sectorale uitzonderingen – dat een arbeidsovereenkomst minimaal één derde van de wekelijkse arbeidsduur moet omvatten. Die ondergrens wordt nu herleid tot één tiende. Concreet: bij een werkweek van 38 uur moest een contract minstens 12 uur en 40 minuten tellen. Dat wordt nu teruggebracht tot 3 uur en 48 minuten per week. Het patronaat had liever nog een stap verder gezet richting nulurencontracten, naar Brits model. In het Verenigd Koninkrijk kan een werkgever immers iemand oproepen voor één of twee uur werk, bijvoorbeeld om “even” een vrachtwagen te lossen.

  • Afschaffing van het verbod op nachtarbeid

Tot nog toe gold het verbod op nachtarbeid als uitgangspunt, weliswaar met tal van uitzonderingen. Dat uitgangspunt wordt nu losgelaten. Nachtarbeid blijft echter formeel nog wel arbeid tussen 20 uur ’s avonds en 6 uur ’s morgens, en wie in die periode werkt, zal daarvoor hoger verloond worden. Voor bepaalde sectoren, zoals de detailhandel en het transport, wordt de grens opgetrokken tot 23 uur. Voor arbeid tussen 20 en 23 uur moeten in die sectoren dus geen nachttoeslagen meer worden betaald voor arbeidsovereenkomsten afgesloten na 1 juni 2026. Wat gisteren nog “nacht” was, wordt gewone arbeidstijd.

  • Vrijwillige overuren

In het verleden was de overheid gekant tegen overwerk. Werknemers moesten worden beschermd tegen overmatig werken. Zij kunnen echter nu “vrijwillig” tot 360 overuren presteren zonder motief en zonder inhaalrust. Voor de horecasector wordt het plafond zelfs opgetrokken tot 450 uur. Er zijn wel enkele mechanismen opgenomen om de pil te vergulden (we gaan hier niet op in) maar wegen die op tegen de nadelen?

De (drog)redenen

De regering – bij monde van minister Clarinval – verantwoordt de ingrepen met het mantra dat er “geen alternatief” zou zijn. E-commerce, digitalisering en nieuwe businessmodellen zouden ons dwingen om oude regels overboord te gooien. Zoals te verwachten, krijgt hij daarin de volle steun van de parlementsleden van de Arizonapartijen.

Hun narratief is altijd hetzelfde: het arbeidsrecht is verouderd en betuttelend, en het individu moet “meer ruimte” krijgen.

Volgens Axel Ronse (N-VA) bijvoorbeeld gaat het huidige arbeidsrecht grotendeels terug op historische structuren. Hij verwijst daarbij naar Napoleon, die – volgens hem:

“[E]en grote rol speelde in de vormgeving van talrijke juridische domeinen, waaronder het burgerlijk recht, het strafrecht, het publiekrecht en zelfs het onderwijssysteem. Ook het arbeidsrecht draagt nog sporen van die historische oorsprong. Dat leidde doorheen de tijd tot een reeks regels die ooit een duidelijke bedoeling hadden, maar die vandaag vaak eerder verstikkend werken, zowel voor werkgevers als voor werknemers.”

Dat is een bijzonder creatieve lezing van de geschiedenis. Napoleon heeft zich nooit beziggehouden met arbeidsrecht, behalve dan met het regelen van bepaalde arbeidsomstandigheden in de mijnbouw om de productiviteit in “het algemeen belang” op te drijven. De eerste echte arbeidswetgeving dateert pas van na de arbeidersopstand van 1886, en stelde aanvankelijk bijzonder weinig voor. Voor de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht in 1919 waren vertegenwoordigers van de arbeidersklasse immers nauwelijks aanwezig in het parlement zodat initiatieven ten voordele van werknemers geen schijn van kans hadden. Meer nog: verschillende kernwetten van het arbeidsrecht kwamen er op vraag van de ondernemers zelf. De arbeidsovereenkomstenwet van 1900 is daar een goed voorbeeld van: ze werd uitgewerkt omdat het Napoleontische Burgerlijk Wetboek simpelweg te primitief was om de realiteit van arbeidsverhoudingen te regelen. Dat het establishment het altijd al moeilijk heeft gehad met sociale verworvenheden, blijkt onder andere uit een brief van koning Albert I aan de minister van Industrie en Arbeid op 14 juni 1921, de dag waarop de achturenwet werd goedgekeurd. Hij schreef (onze vertaling):

“De achturige werkdag is dus juridisch verworven. Nu moet deze nog economisch worden verworven. (…) Ongetwijfeld beseffen veel werknemers al dat het noodzakelijk is hun werkzaamheden te intensiveren, productievere methoden toe te passen en loonformules te hanteren die tot een hogere productiviteit leiden.”

Dit had probleemloos door een fractievoorzitter van een Arizonapartij geschreven kunnen zijn.

Een tweede rode draad doorheen de wetsontwerpen is de overdreven nadruk op individuele keuzevrijheid. Dat hoeft niet te verbazen in een regering die ideologisch gedomineerd wordt door conservatief-liberale partijen. Florence Reuter (MR) stelt bijvoorbeeld dat werknemers in het verleden:

“[I]n overdreven strikte kaders geduwd” werden, “alsof de Staat beter dan de burgers zelf weet hoe zij hun leven of hun inkomsten moeten organiseren.”

Werknemers zouden dus meer vrijheid krijgen om zelf hun arbeidstijd te bepalen. Hoeveel werknemers krijgen echter die vrijheid daadwerkelijk?

Uitholling van het ontslagrecht Voor arbeidsovereenkomsten die ingaan na 1 juli 2026 wordt de opzeggingstermijn begrensd op maximaal 52 weken, wat overeenkomt met zeventien jaar anciënniteit. Alles daarboven wordt simpelweg afgetopt. Iemand die in 2025 in dienst is getreden, heeft na twintig jaar anciënniteit recht op 62 weken. Voor de nieuwe arbeidsovereenkomsten is dit 10 weken minder. Waarom deze beperking? In advies nr. 2462 van de Nationale Arbeidsraad verwijzen de werkgevers naar een OESO-studie waaruit zou blijken dat België de strengste regelgeving heeft inzake opzeggingstermijnen en opzeggingsvergoedingen. Ondernemers zouden klagen dat ze:

“[G]ewrongen zitten met (te) lange opzeggingstermijnen, hetgeen nadelig is voor de werknemer, werkgever en de arbeidsmobiliteit. Daarnaast biedt het geen oplossing voor de werkgevers die zich in het kader van stopzetting van hun activiteit (bijvoorbeeld bij pensionering) genoodzaakt zien een bijzonder lange opzeg te betalen.”

Over Jean-Luc Dehaene ging ooit het gerucht dat hij, telkens wanneer een moeilijke hervorming door het parlement moest worden geloodst, een OESO-rapport liet bestellen. Is dit opnieuw zo’n scenario? Het valt trouwens af te wachten of het Grondwettelijk Hof deze maatregel niet onverenigbaar zal achten met het standstillbeginsel van artikel 23 van de Grondwet. Nieuwe regelgeving mag immers geen substantiële sociale achteruitgang veroorzaken – en dat is hier duidelijk wel het geval. Het argument dat ontslag “te duur” zou zijn, houdt bovendien geen steek. De focus ligt enkel op de opzeggingsvergoeding, terwijl een opzeggingstermijn ook gewoon kan worden gepresteerd. In dat geval kost ze de werkgever geen euro. Waarom die termijn dan beperken? En een werkgever die op pensioen wil gaan – dus een bedrijfsleider van een KMO – kan dat perfect plannen en werknemers hun opzeggingstermijn laten presteren. Maar blijkbaar verkiezen sommigen om de confrontatie uit de weg te gaan: vlak voor Kerstmis de sluiting aankondigen, geld op tafel leggen en klaar. Happy New Year… althans voor de werkgever. België kent minder administratieve formaliteiten in geval van ontslag dan bijvoorbeeld Nederland of Frankrijk. En nu mogen ondernemers ook nog minder betalen.

Selfservice

Deze wetsontwerpen tonen andermaal aan dat het parlement functioneert als een zelfbedieningszaak voor ondernemers. En het einde is nog niet in zicht. De N-VA-fractievoorzitter liet verstaan dat

“[D]e voorliggende wetsontwerpen weliswaar kleine stappen vooruit betekenen en in zekere mate bemoedigend zijn, maar dat zijn fractie had gehoopt op een meer fundamentele hervorming.”

The worst is yet to come, tenzij… Actie!

  1. KAMER, 2025-2026, 3 februari 2026, nr. 1324 en KAMER, 2025-2026, 10 februari 2026, nr. 1333. ↩︎

Auteur