Het Duitse politieke establishment heeft de afgelopen maand een harde realitycheck gekregen. In drie deelstaatverkiezingen (vergelijkbaar met de Belgische gewesten) werden de gevestigde partijen genadeloos afgestraft.
In Saksen-Anhalt kreeg de extreemrechtse AfD 43,8% van de stemmen, in Mecklenburg-Voorpommeren 38,2%. In Berlijn kreeg “Die Linke” (een links-reformistische partij) met 25,7% de meeste stemmen.
De gevestigde partijen verloren massaal, vooral de CDU. In Mecklenburg-Voorpommeren haalde ze voor het eerst sinds de Tweede Wereldoorlog de kiesdrempel van 5% niet en mag dus niet in het deelstaatparlement plaatsnemen. Maar waarom?
Waarom de hoge score van de AfD?
De AfD is tegenwoordig de enige van de prominente partijen die nog nooit regeringsverantwoordelijkheid heeft gedragen. Dat komt door de “Brandmauer” (zoals het cordon sanitaire), die coalities met radicaal-rechtse partijen taboe maakt.
Daardoor kon de AfD jarenlang vanuit de oppositie de regering en de economische neergang van Duitsland scherp bekritiseren. Ze stelt zich strijdvaardig op en buigen niet voor de vele aanvallen van politiek en media. Ze noemt politici corrupt, benoemt de leugens van de media en hekelt ondemocratische toestanden, de oorlog in Oekraïne en het beleid tijdens de coronapandemie. In de ogen van velen is ze zo de anti-establishmentpartij bij uitstek geworden, de enigen die de misstanden in Duitsland openlijk en rechtstreeks aankaart.
Bijzonder opvallend is de opkomst bij deze verkiezingen, die in alle deelstaten tussen 74 en 78% lag. De grootste winst voor zowel de AfD als Die Linke kwam van niet-stemmers, dus van mensen die al diep teleurgesteld zijn in en vervreemd van het Duitse parlementarisme.
Waarom ze teleurgesteld zijn, is snel te begrijpen. Saksen-Anhalt en Mecklenburg-Voorpommeren behoren samen met Thüringen tot de drie armste en oudste deelstaten van Duitsland. Over het algemeen zit Duitsland in een diepe crisis van deïndustrialisering. De economische groei stagneert, er verdwijnen in totaal 10.000 industriële banen per maand en de sociale zekerheid wordt al decennialang meer en meer afgebouwd.
Antivluchtelingenbeleid en criminaliteit
Een centraal standpunt van de AfD is haar vluchtelingenhetze, samen met criminaliteit en binnenlandse veiligheid. Maar voor veel kiezers zitten achter de angst voor migranten vooral economische problemen.
Zo stemde in Saksen-Anhalt 59% van degenen die zeggen financiële problemen te hebben op de AfD, en 57% van degenen met een Hauptschulabschluss (het laagste schooldiploma), tegenover ‘slechts’ 24% van degenen met een hogeschool- of universitair diploma. Zorgen over inflatie, angst voor sociale achteruitgang en toekomstpessimisme komen bij AfD-kiezers veel vaker voor dan gemiddeld. Statistisch gezien neigen dus de slechtst betaalde, meest precaire, industriële lagen van de arbeidersklasse het sterkst naar de AfD.
Bovendien is de antivluchtelingenretoriek grotendeels een directe herverdelingsredenering: “Jij krijgt geen job, loon, partner of sociale uitkering meer, want die krijgen nu de Syriërs en Oekraïners.” Deze redenering is intussen niet meer exclusief voor de AfD, maar door alle partijen en grote mediahuizen als consensus overgenomen.
Daar komt bij dat de AfD het sterkst scoort in landelijke kiesdistricten met een aanzienlijk lager aandeel migranten. Dat wijst erop dat abstracte buitenlanders in de hoofden van veel van haar kiezers een projectiescherm worden voor allerlei (economische) toekomstangsten.
Wat met Die Linke?
Als de stemmen voor de AfD vooral hun oorsprong vinden in directe en indirecte economische zorgen, waarom kan Die Linke daar dan niet meer van profiteren? Die Linke heeft zich in het verleden in veel deelstaten in coalities begeven en daardoor bezuinigingsbeleid mee moeten beheren. In Saksen-Anhalt verklaart ze zich als “kleiner kwaad” zelfs bereid samen te werken met de CDU, alleen maar om de AfD te verhinderen. In Thüringen leidde ze onder Bodo Ramelow tot 2024 zelfs tien jaar lang de regering. Daar kreeg ze in 2019 31%, in 2024 nog maar 13,1%.
In Saksen-Anhalt zakte ze tussen 2011 en 2026 van 23,7% naar 8,6%, in Mecklenburg-Voorpommeren van 18,4% naar 6,5%.
Alleen in Berlijn heeft de partij nog enige anti-establishmentuitstraling, omdat ze daar sterk inzet op de thema’s huur en onteigening van grote bouwconcerns, waarvoor 59,1% van de Berlijners zich in een referendum in 2021 hebben uitgesproken. Dat is de heersende partijen een doorn in het oog. Het feit dat Die Linke zich desondanks zo sterk inzet voor de uitvoering van dit referendum, geeft haar in de ogen van veel Berlijners veel legitimiteit.
En nu?
Door de enorme verkiezingsresultaten van de AfD is het bijna onvermijdelijk dat zij binnenkort regeringsverantwoordelijkheid zal dragen. Zoals we elders hebben uitgelegd, betekent dat niet de terugkeer van het fascisme, maar ze kan toch veel schade aanrichten en het leven van veel mensen zwaarder maken.
Toch is het potentieel voor een ruk naar links enorm, vooral zodra de kiezers van de AfD zich teleurgesteld van haar beginnen af te wenden. Dat gebeurt echter niet vanzelf. Hoe sneller een echt linkse klassenstrijdbeweging betere antwoorden kan geven op de reële problemen in Duitsland, hoe sneller de AfD weer zal verdwijnen.
Als Die Linke haar koers van klassencollaboratie echter voortzet en zich ook in Berlijn onbekwaam toont om het kapitalistische systeem effectief iets in de weg te leggen, zal ze die rol niet vervullen. Op dat punt moet er een georganiseerde, communistische kracht bestaan die op straat en in de bedrijven de omverwerping voorbereidt van dit systeem van de happy few, ten gunste van een systeem van ons allemaal. Dat is wat onze kameraden van de RKP in Duitsland en de RCO in België doen.
