HomeActualiteitBelgische politiekArizona: Achteruitgang, maar niet ongrondwettig…

Arizona: Achteruitgang, maar niet ongrondwettig…

Arizona heeft in 2025 via een programmawet de werkloosheidsuitkeringen in de tijd beperkt. Die maatregel, samen met enkele andere bepalingen waarop we hier niet ingaan, werd aangevochten voor het Grondwettelijk Hof. Op 10 september volgde een ontnuchterend verdict.

Het arrest telt meer dan vijftig bladzijden en gaat uitvoerig in op de technische aspecten van de zaak. Dat hoeft niet te verbazen: de werkloosheidsreglementering staat niet bepaald bekend om haar helderheid. De kern van het debat draait echter rond artikel 23 van de Grondwet. Dat artikel werd in 1994 ingevoerd en waarborgt voor iedereen het recht op een menswaardig leven, waaronder het recht op sociale zekerheid.

Artikel 23 bevat volgens de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof een zogenaamde standstill-verplichting. Die houdt in dat de wetgever het bestaande beschermingsniveau niet aanzienlijk mag afbouwen zonder redelijke verantwoording. In gewone mensentaal: de overheid mag de sociale bescherming van burgers niet zomaar verminderen. Achteruitgang kan alleen wanneer daarvoor een overtuigende rechtvaardiging bestaat. Hoewel dat principe nergens letterlijk in de Grondwet staat, vormt het al decennialang een hoeksteen van de rechtspraak van het Hof.

De Raad van State had bij de bespreking van het wetsontwerp al opgemerkt dat de beperking van de werkloosheidsuitkeringen in de tijd een aanzienlijke vermindering van het beschermingsniveau inzake sociale zekerheid meebrengt. De vraag was dan ook niet óf er sprake was van een achteruitgang, maar wel of die voldoende kon worden verantwoord.

Volgens de regering wel. De maatregel zou bijdragen tot een hogere werkzaamheidsgraad, de houdbaarheid van de sociale zekerheid versterken en bovendien een gunstig budgettair effect hebben.

Het Hof volgt die redenering. Daarbij benadrukt het dat de wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid beschikt in sociaaleconomische aangelegenheden, in het bijzonder op het vlak van de werkloosheidsverzekering. Die redenering reikt echter veel verder dan de werkloosheid alleen. Wie haar consequent doortrekt, beschikt over een vrijgeleide om ook elders in de sociale zekerheid te besparen: bij pensioenen, ziekte-uitkeringen of andere sociale rechten.

Opvallend is dat het Hof veel belang hecht aan het argument dat mensen die hun werkloosheidsuitkering verliezen, nog steeds een beroep kunnen doen op maatschappelijke dienstverlening van het OCMW. Daarbij wordt echter voorbijgegaan aan een fundamenteel verschil tussen beide systemen. Een werkloosheidsuitkering is een socialezekerheidsrecht. Een leefloon daarentegen wordt slechts toegekend na een onderzoek naar de bestaansmiddelen. Wie over wat spaargeld beschikt, een kleine woning bezit …. Alsof beide stelsels zonder meer uitwisselbaar zouden zijn.

Eind 1944 schreef Henri Fuss, een van de geestelijke vaders van het Sociaal Pact:

“Los van de vele vragen betreffende de financiering, de controle, de professionele organisatie en de nationale solidariteit, gaat het er in de eerste plaats om de economisch sterken te doen bijdragen ter ondersteuning van de economisch zwakken.”

Dat uitgangspunt lijkt vandaag verder weg dan ooit. Arizona heeft het principe van solidariteit ingeruild voor een beleid waarbij de rekening wordt doorgeschoven naar de economisch zwakkeren. Zij betalen de prijs voor het wanbeleid van opeenvolgende regeringen. De magistraten van het Grondwettelijk Hof stonden erbij en keken ernaar.

Auteur

Posttag