HomeTheorieFilosofieMarx vs het onderwijssysteem: Weg met de scheiding tussen intellectuele en handenarbeid!

Marx vs het onderwijssysteem: Weg met de scheiding tussen intellectuele en handenarbeid!

Net zoals de andere instellingen van de klassensamenleving, zoals de staat, de markt en het gezin, bekritiseerden de grondleggers van het marxisme ook het onderwijssysteem. Onderwijs maakt tenslotte deel uit van de ideologische dominantie:

“De ideeën van de heersende klasse zijn in elk tijdperk de heersende ideeën (…). De klasse die over de middelen tot materiële productie beschikt, beschikt daarmee tegelijk over de middelen tot intellectuele productie, zodat in het algemeen gesproken ook de ideeën van hen die niet in het bezit zijn van de middelen tot geestelijke productie, aan haar onderworpen zijn.” (De Duitse ideologie, 1845)

Ongelijke arbeidsdeling

Naast de ideologische functie om de moraal van de heersende klasse te verspreiden, identificeerden Marx & Engels nog een andere functie van het onderwijs. Het  bestendigt de arbeidsdeling tussen intellectueel ‘leiderschap’ en praktische arbeid die eigen is aan elke klassensamenleving. Terwijl de heersende klasse zich het privilege aanmeet de samenleving te leiden (intellectuele arbeid), profiteert ze van de praktische arbeid van de onderdrukten. Scholen bekrachtigen meer dan enig andere instelling deze scheiding tussen intellectueel en praktisch werk, tussen mentale en manuele arbeid, tussen theorie en praktijk.

Daar waar het kapitalisme aan de ene kant nood heeft aan hoogopgeleide kaders, is er ook nood aan goedkope laaggeschoolde werknemers in grote sectoren zoals de logistiek. Met andere woorden: onderwijs dient de noden van de ongelijke kapitalistische arbeidsmarkt ten koste van het algemene scholingsniveau.

De marxistische analyse gaat dan ook lijnrecht in tegen idealistische visies die stellen dat het onderwijs losstaat van het economisch systeem en op zichzelf meer gelijkheid kan creëren of ‘bewuste’ burgers kan vormen die op hun beurt de samenleving kunnen verbeteren. Deze illusies worden tegengesproken door de statistische realiteit die het onderwijs, ondanks alle goede intenties van het onderwijspersoneel, creëert: de sociaaleconomische status van de moeder bepaalt in bijzonder grote mate het onderwijsniveau dat een kind zal behalen in die mate dat het Belgisch onderwijs de sociale ongelijkheid regelrecht verhoogt!

De onderwijsstrijd voor de werkende klasse komt dus neer op niets minder dan het:

“Onttrekken van de opvoeding aan de invloed van de heersende klasse.” (Communistisch Manifest, 1848)

Polytechnisch onderwijs

Tijdens het grootste deel van de negentiende eeuw vocht de arbeidersbeweging voor het elementaire recht op onderwijs. Het Communistisch Manifest nam deze eis ook over:

“Openbare en kosteloze opvoeding van alle kinderen. Afschaffing van de kinderarbeid in fabrieken in zijn huidige vorm.”

Net zoals we in de onderwijsstrijd vandaag zien, gaat de invraagstelling van het onderwijs verder dan een organisatorische of financiële kwestie. Het onderwijs onder het kapitalisme is ook gebrekkig omwille van wat het ons aanleert, en hoe het dat doet. In het Communistisch Manifest voegden Marx en Engels dan ook een programmapunt toe over de pedagogische aanpak: “Verbinding van de opvoeding met de materiële productie.”

Ze werkten dit punt verder uit onder impuls van de discussies in de Eerste Internationale (IAA) over het onderwijssysteem van de toekomst. Marx beklemtoonde steevast de pedagogische noodzaak om komaf te maken met de scheiding tussen mentale en manuele arbeid. Het onderwijsprogramma van het eerste congres van 1866 in Genève sprak daarbij over polytechnisch onderwijs. Het kan verrassend lijken, maar hoewel de eerste communisten absoluut gekant waren tegen de gruwelijke kinderarbeid die het kapitalisme organiseerde, waren ze niet tegen het idee om in een communistische samenleving kinderen vanaf jonge leeftijd in contact te brengen met de werkwereld. Onderwijs moet dan ook drie zaken combineren: theoretisch onderwijs, lichamelijk onderwijs en technologisch onderwijs dat kinderen doet kennismaken met de werkvloer in álle sectoren.

“De opvoeding zal de jonge mensen in staat stellen snel het gehele systeem van de productie te doorlopen, ze zal hen in staat stellen om van de ene productietak naar de andere over te stappen, al naargelang de behoeften van de maatschappij of hun eigen voorkeur.” (Beginselen van het communisme, 1847)

Iedereen nodig, iedereen inwisselbaar

Hoe anders zouden kinderen op deze manier geschoold worden? De inzet voor communisten is dan ook niet min. De ongelijke arbeidsdeling wegwerken, betekent dat beroepen en functies zoveel mogelijk inwisselbaar moeten zijn:

“De mens is [in de klassensamenleving] jager, visser, herder of kritische criticus en moet dit blijven als hij zijn middelen van bestaan niet kwijt wil raken. In de communistische maatschappij daarentegen (…) regelt de maatschappij de algemene productie en geeft mij daardoor net de mogelijkheid om vandaag dit en morgen dat te doen, ‘s ochtends te jagen, ‘s middags te vissen, ‘s avonds veeteelt te bedrijven en na het eten de kritiek te beoefenen, al naar gelang ik verkies, zonder ooit jager, visser, herder of criticus te worden.” (De Duitse ideologie, 1845)

Concreet ziet Friedrich Engels het als volgt:

“Op een dag zal er geen handarbeider of architect van beroep meer zijn, zodat de MENS die een half uur lang aanwijzingen als architect heeft gegeven, ook een tijdje de kruiwagen zal duwen, totdat hij gevraagd wordt om opnieuw als architect op te treden! Wat een prachtig socialisme dat de inwisselbaarheid van beroepen zou vereeuwigen.” (Anti-Duhring, 1878)

Dit is geen pleidooi tegen expertise, maar voor de veralgemening ervan. Een socialistische samenleving heeft immers op elk vlak zoveel mogelijk experts nodig. Expertise mag niet langer angstvallig worden afgeschermd; experts moeten juist een sleutelrol krijgen in het opleiden van anderen. Wie kan er immers ontkennen dat een ervaren operatieassistent, met de juiste aanvullende scholing, uiteindelijk zelf chirurg kan worden? 

Het is een houding die tijdens de arbeidersstrijd boven komt drijven. Een voorbeeld hiervan zijn de Venezolaanse arbeiders van Inveval, een ventielproducent voor de olie-industrie. Toen ze onder impuls van de Bolivariaanse revolutie in 2005 hun fabriek onder arbeiderscontrole namen, besloten ze komaf te maken met de concurrentie tussen de verschillende departementen. Er werd een opleidingsronde georganiseerd zodat elke collega de taken van de andere departementen leerde kennen en kon uitvoeren. 

En er is meer. Jobrotatie lijkt deel uit te maken van ons menselijk DNA. Een meta-studie (Mlekus & Maier, 2021) over de gevolgen van jobrotatie kwam tot de conclusie dat het een significante positieve impact heeft op de werktevredenheid, het psychologische welzijn, de individuele prestaties en de fysieke gezondheid bij risicoberoepen. Rotatie verlaagt ook stress en burn-out. En dat binnen de kapitalistische werkorganisatie waarvan we de problemen maar al te goed kennen.

Om een nog hoger niveau van jobrotatie te kunnen bereiken, moet het intellectuele en praktische niveau van de samenleving naar ongekende hoogtes worden gestuwd:

“Deze combinatie van productief werk, gekoppeld aan intellectueel onderwijs, lichamelijke oefening en polytechnische vorming zal de arbeidersklasse ver boven het niveau van de burgerlijke en aristocratische klassen verheffen.” (Beslissingen van het Eerste Congrès van de IAA in Genève, 1866)

Toevoeging: Marx’ kritiek op examens

De inwisselbaarheid van functies is een belangrijke voorwaarde om de staatsbureaucratie overbodig te maken. Of zoals Lenin het in een boutade stelt: in het communisme moet elke kok in staat zijn president te worden. Enkel wanneer de werkende klasse volledig mee kan denken en beslissingen op maatschappelijk niveau kan nemen, kan de staat uitsterven.

Het examensysteem is daarentegen net onderdeel van deze versmachtende staatsbureaucratie:

“De hiërarchie is die van de kennis. De top draagt de zorg voor het kennen van de details over aan de lagere sferen, in ruil waarvoor de lagere sferen de intelligentie van het algemene perspectief afstaan aan de top.” (Marx, Kritiek op Hegels rechtsfilosofie, 1843).

In een burgerlijke rechtsstaat vormen examens de toegang tot bureaucratische posities en privileges. Het vormt dan ook een afstompende vorm van kenniscontrole:

“Het examen is niets anders dan het bureaucratische doopsel van de wetenschap (…) elk examen veronderstelt als vanzelfsprekend de alwetendheid van de examinator.”

De pedagogie van een examenstelsel gaat dan ook volledig in tegen de communistische visie op kennisverwerving. De waarachtigheid van theoretische kennis wordt immers geëvalueerd naar haar praktische uitwerking, die dan weer in vraag gesteld en uitgediept kan worden. Dit is een creatief proces dat gedrevenheid met vallen en opstaan, met fouten en herzieningen vereist. Het loskoppelen van kennis en de productieve activiteit en ze onder autoriteit plaatsen van een examinator – de bureaucraat van het moment – is het precieze tegenovergestelde van wetenschappelijke innovatie.

Auteur

vorig artikel
volgend artikel