Op 30 mei doopte de Algemene Centrale der Liberale Vakverbonden van België (ACLVB) zichzelf om tot SYNOVA. Maar wat betekent die facelift werkelijk? Is dit gewoon oude wijn in nieuwe zakken, of probeert de liberale vakbond zichzelf fundamenteel opnieuw uit te vinden?
Een nieuwe marsrichting?
Historisch bleef het liberale syndicalisme altijd een kleinere speler. In 1920 telde de voorloper van SYNOVA amper 2.000 leden. Tegen 1960 waren dat er ongeveer 110.000, goed voor zo’n 7% van alle syndicaal georganiseerde werknemers. Vandaag zegt de organisatie 310.000 leden te vertegenwoordigen, ongeveer 9% van het totaal (ter vergelijking: ABVV en ACV zouden elk 1,5 miljoen leden hebben). Wie ooit met de ACLVB op de werkvloer in contact kwam, weet hoe uiteenlopend dat publiek is. Dat maakt het moeilijk om een duidelijk ideologisch profiel vast te pinnen op de organisatie. Met zijn boek Waarom een nieuwe vakbond? probeert voorzitter Gert Truyens daar verandering in te brengen. Hij wil SYNOVA een herkenbare smoel geven.
Defaitisme verpakt als moderniteit
Truyens heeft een achtergrond in communicatiewetenschappen, en dat merk je. Zijn “blauwe boekje” leest vlot, de ideeën zijn helder verpakt en het verhaal is strategisch opgebouwd. Eerst krijgt de lezer een beknopt overzicht van de geschiedenis van het liberale syndicalisme — hier en daar wat kort door de bocht, maar daar waarschuwt de auteur zelf voor. Volgens Truyens is zijn tekst geen manifest, geen academische analyse en geen politiek pamflet. Maar wie de inhoud leest, merkt snel dat het discours wel degelijk ideologisch geladen is. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de vijftien doelstellingen van zijn “vakbond 2.0”. Sommige voorstellen zijn klassiek: minder precaire arbeidsovereenkomsten, strijd tegen discriminatie bij aanwerving, het wegwerken van de loonkloof tussen vrouwen en mannen, …. Maar tegelijk schuift hij standpunten naar voren die minder syndicaal getint zijn en evengoed uit een of ander politiek partijprogramma hadden kunnen komen (klimaattransitie, mobiliteit,…). Soms klinkt Truyens opvallend berustend. Een frappant voorbeeld is zijn houding tegenover de versoepeling van het verbod op zondagwerk. Volgens hem kan die evolutie toch niet meer worden teruggedraaid. De rol van de vakbond bestaat er vooral in ervoor te zorgen dat dit “in de best mogelijke omstandigheden” gebeurt.
“Laten we eerlijk zijn”, schrijft Truyens, “veel van onze leden, ikzelf inbegrepen, doen ook wel eens op zondag inkopen.”
Er is geen alternatief. Maar daarmee wordt de maatschappelijke kost van permanente flexibiliteit volledig genegeerd: de afbraak van collectieve rustmomenten, de druk op gezinsleven om er maar enkele te noemen. Nog opvallender is hoe Truyens de rol van de vakbond hertekent. SYNOVA moet volgens hem ook (vooral ?) een soort sociaal secretariaat zijn waar leden terechtkunnen voor belastingbrieven, administratieve hulp en jobbegeleiding. De vakbond als “multi-bijstandsverzekering”, in zijn eigen woorden. De collectieve strijd maakt plaats voor individuele dienstverlening. De militant wordt klant.
Geen klassenstrijd, geen conflict De scherpste passage in het boek gaat over de klassenstrijd. Volgens Truyens is die “niet meer van deze tijd” en levert ze niets op. SYNOVA kiest liever voor onderhandelen dan voor actievoeren:
“[V]an slag om slinger op straat komen en het openbaar leven verlammen, mist steeds meer de gewenste impact.”
Die houding ligt volledig in de historische traditie van de organisatie. Tijdens de grote staking tegen de Eenheidswet in 1960-61 bleef de liberale vakbond aan de zijlijn staan. Ook bij andere sociale conflicten trad ze vaak terughoudend op of schitterde ze door afwezigheid. Wie de klassenstrijd dood verklaart, heeft gekozen aan welke kant hij staat. Truyens’ discours sluit naadloos aan bij het patronale en politieke verhaal dat vandaag overal opduikt.
Bart De Wever stelde het recent nog in zijn essay Over Welvaart:
“Niet stakers maar makers zullen ons redden.”
Wanneer morgen weer eens honderden jobs verdwijnen naar aanleiding van de zoveelste sluiting en de politiek – zoals steeds – machteloos toekijkt, zal blijken dat klassenstrijd springlevend is.
Naast de mensen — maar aan welke kant? Truyens eindigt zijn boek met een pleidooi voor een vakbond “die naast mensen staat”. Niet een organisatie die collectief richting geeft, maar een die individuen ondersteunt zodat ze “zelf kunnen kiezen, spreken en handelen”. Een staaltje van sterke communicatie maar wat blijft er van een vakbond over als collectieve strijd vervangen wordt door coaching, dienstverlening en individuele begeleiding? Een vakbond staat niet alleen naast werknemers. Ze moet ook tegenover werkgevers durven staan. En het is maar de vraag of SYNOVA dat zal waarmaken.
