Nog tot 9 oktober loopt in het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika de tentoonstelling “Het geheugen van Congo”, over de koloniale periode. De tentoonstelling is een rijke en mooi gepresenteerde bron aan informatie geworden en is een grote stap vooruit ten opzichte van de vaste collectie van het museum. Een afrekening met het bloedige koloniale verleden van België is het echter niet geworden. Hoe verder men door de zalen vordert en hoe dichter men bij het heden komt, hoe meer men de indruk krijgt dat het verhaal niet alleen onaf is maar toch ook nog altijd paternalistisch en tendentieus. Nog steeds heeft België zijn koloniale verleden niet verwerkt.

Congo Vrijstaat

Van Leopold II mag worden gezegd dat hij een grootmeester was op het schaakbord van de internationale koloniale wedloop. Niet eens voor België, maar voor hemzelf wist hij een kolonie in de wacht te slepen die tachtig maal groter was dan het Europese land waarover hij heerste, in het hart van Afrika, en bij nader inzien ook in het economisch interessantste deel ervan.

Bovendien wist de vorst het nog te brengen ook: als een bevrijdende veldtocht tegen de door de Arabieren beheerste slavenhandel. De tentoonstelling maakt het opportunisme daarvan erg duidelijk: aanvankelijk waren de Afro-Arabische slavenhandelaars de bondgenoten van Leopold in zijn bloedige onderwerping van de inheemse volkeren van Congo. Pas later, toen zijn greep op Congo Vrijstaat zich versterkte en het territorium ervan zich steeds verder naar het oosten uitbreidde begon hij ze als concurrenten en als vijanden te beschouwen. Bovendien verving hij de Arabische slavernij door een even erge en nog systematischer georganiseerde dwangarbeid opgelegd door westerse koloniale maatschappijen. Vooral de brutale ontginning van woudrubber via het opleggen van belastingen in natura veroorzaakte duizenden slachtoffers in Congo zelf en een schandaal in het buitenland. De beweegredenen van die buitenlandse aanklagers waren daarbij niet altijd even zuiver op de graat: zo voelde Groot-Brittannië van waaruit de wereldwijde campagne tegen Leopold werd opgezet zich vooral gefrustreerd dat het zelf het rijke Congo had laten schieten. Stanley had de buit immers eerst aan de Engelsen aangeboden maar die waren niet geïnteresseerd, tot nadien bleek hoe rijk Congo wel was. Dit maakte het voor Leopold mogelijk om de beschuldiging van 'genocide' te neutraliseren door de aandacht af te leiden naar de Britse gruweldaden tijdens de Boerenoorlog in Zuid-Afrika.

Maar of de omschrijving 'genocide' in de zin van een systematische liquidatie van de bevolking nu al dan niet terecht was, of het een door de Engelsen gecreëerde perceptie was of niet, vast staat dat de bevolking van Congo tussen 1875 en 1920 afnam met twintig procent. Dit geeft een duidelijk beeld van de omvang van de ramp die de kolonisatie voor Congo betekende.

Modelkolonie

Ook het protest in België zelf was halfslachtig: de sociaal-democraat Vandervelde protesteerde tegen de belasting in natura die tot 40 uren per maand opliep, maar verdedigde wel de overname van Congo door België als oplossing voor het probleem. In de zogenaamde “modelkolonie” die België vooral na de Eerste Wereldoorlog zou stichten herhaalde de tragedie zich echter opnieuw. In de jaren dertig ontwikkelde er zich op de wereldmarkt een grote vraag naar palmolie, vanwege de ontwikkeling van een aantal nieuwe producten zoals margarine en zeep. Lokale chefs werden toen gedwongen tot het recruteren van dwangarbeiders voor de Huileries du Congo Belge. Dit leidde onder andere tot de opstand van de Kwango in 1931, die door de koloniale “Weermacht” bloedig werd onderdrukt.

De Tweede Wereldoorlog betekende opnieuw een hoogtepunt in het leegplunderen van Congo, omdat de kolonie talrijke grondstoffen bezat die cruciaal waren voor de oorlogsinspanning zoals koper, tin, diamant en rubber. Op de tentoonstelling wordt hiervan vooral de heroïek in beeld gebracht, zodat na het doorlopen van alle expositiezalen de valse indruk overheerst dat met de overname van Congo Vrijstaat door België in 1908 het voornaamste leed wel was geleden.

De economische essentie van het kolonialisme

Wat vanuit marxistisch oogpunt de relatie tussen een kolonie en haar moederland typeert is niet de organisatievorm die de onderdrukking aanneemt zoals bv. de “colour bar” (rassensegregatie) die in Belgisch Congo ook zeker een feit was, of het verstikken van de culturele eigenheid, maar een analyse van de kapitaalstromen van en naar het moederland. Een kolonie in de marxistische zin van het woord levert een onmiskenbare bijdrage aan de kapitaalaccumulatie van het moederland. We geven een tegenvoorbeeld om het verschil tussen een marxistische en een burgerlijke opvatting over het begrip kolonie helder te stellen. In de literatuur worden de voormalige Centraal-Aziatische republieken die deel uitmaakten van de USSR vaak omschreven als “kolonies van Rusland”. Wij gaan hiermee niet akkoord. Hoe erg de politieke en culturele onderdrukking in deze gebieden onder het stalinisme ook moge geweest zijn, vanuit economisch oogpunt waren het nooit kolonies: integendeel, de netto-kapitaalflux vanuit Moskou naar deze gebieden in termen van industrialisering, transportinfrastructuur, onderwijs, gezondheidszorg enzovoort, min de economische 'opbrengsten' ervan is altijd positief geweest.

Van Congo kan dit niet worden gezegd. Een tentoonstelling over het koloniale verleden van Congo begint in feite al in de stations van Antwerpen of Schaarbeek, of in het stadhuis van Sint-Gillis, gigantische openbare gebouwen die stille getuigen zijn van de enorme bijdrage die Congo heeft geleverd aan de opbouw van het Belgische kapitalisme en de kapitaalaccumulatie in ons land. De Generale Maatschappij, de ruggengraat van het Belgische kapitalisme, zou niets geweest zijn zonder Congo.

Een andere manier om deze relatie te visualiseren is een studie van het Congolese spoorwegennet. Eduardo Galeano schreef in De aderlating van een continent dat “het Argentijnse spoorwegennet zich vanuit Buenos Aires uitstrekt als de vingers van een hand die het land leeggraait ten voordele van het westen”. Met de spoorwegen in Congo was het nooit anders gesteld: zij werden enkel aangelegd daar waar er grondstoffen weggevoerd moesten worden.

Wat een eerlijke economische balans betreft over de relaties tussen Congo en België blijven we in de tentoonstelling op onze honger zitten. Weliswaar vinden we een tabel terug met de steeds stijgende investeringen van de Generale en andere internationale kapitalisten in Congo, en we krijgen ook een idee van de ‘return on investment’, de winst, door de spectaculair stijgende grafieken van de export van koper, kobalt, tin, rubber, koffie, palmolie, hout en uranium. Maar een heldere en eenduidige uitspraak over de eindbalans wordt vermeden.

Lastpak Lumumba versus Mobutu de verzoener

Als je dan daarna het laatste deel van de tentoonstelling betreedt, het deel gewijd aan de onafhankelijkheid, dat vooral een indruk geeft van de chaos, de verwarring en het verval in de neokoloniale periode, dan laat de expositie op zijn minst de vraag open of die onafhankelijkheid wel een aanwinst was voor Congo. Die tendentieuze vrijblijvendheid wordt nog versterkt door de partijdige en onvolledige manier waarop die onafhankelijkheid wordt belicht. Zo blijkt Patrice Lumumba een controversiële figuur, wiens toespraak op de onafhankelijkheidsdag vooral “roet in het eten gooide” in tegenstelling tot de naadloos op elkaar afgestemde toespraken van koning Boudewijn en president Kasavubu. Mobutu daarentegen is de man die “een harmonie tot stand brengt tussen de elite en het volk”, en die het dekolonisatieproces voltooit door een “terugkeer naar de authenticiteit” en de “zaïrisering van de economie”. Het enige probleem lijkt daarbij te zijn dat die zaïrisering aspecten van nationalisatie met zich meebracht. Daarbij vergeet men wel net iets te veel te vermelden dan eigenlijk welvoeglijk is. Ten eerste was het regime van Mobutu de grootste kleptokratie (dievenregime) die het Afrikaanse continent ooit gekend heeft. De mate waarin hij tot nationalisaties overging beperkte zich tot de onteigening van Libanese, Oegandese en Indiase tussenhandelaren wiens zakenbelangen werden verdeeld onder Mobutu’s getrouwen. De grote internationale bedrijven bleven daarbij netjes buiten schot. Ook is Mobutu de man die met een staatsgreep in 1965 een einde stelde aan het Congolese streven naar echte onafhankelijkheid in tegenstelling tot de formele onafhankelijkheid die aan het land verleend werd in 1960. Na die door de CIA gesponsorde staatsgreep werd Congo, later Zaïre, na Zuid-Afrika de voornaamste pion en politieagent van het westerse imperialisme in zwart Afrika. De tentoonstelling geeft hoog op over de “naar schatting 7,4 miljard euro die van 1960 tot 1990 in de vorm van overheidssteun van België naar Congo/Zaïre vloeide.” Dat die overheidssteun ging naar het overeind houden van een corrupt regime, diende voor de bevordering van Belgische zakenbelangen, en ook gebruikt werd om de revoluties in Angola en Namibië de kop in te drukken, lezen we nergens. In feite werd de economische uitbuiting van Congo ook na 1960 gewoon verder gezet, en ligt dit aan de basis van de schrijnende situatie waarin het land zich anno 2005 bevindt.

De gespannen relatie tussen de tentoonstelling en de huidige Congolese realiteit wordt misschien nog het best samengevat door het vlagvertoon. Naast veel Belgische vlaggen zien we oude vlaggen van Congo Vrijstaat, de vlag van Zaïre onder Mobutu en zelfs een vlag van de schertsrepubliek Katanga, een kortstondige, door Belgische zakenbelangen gesponsorde afscheuring van deze rijke mijnprovincie die bedoeld was om haar uit handen van de 'communist' Lumumba te houden. Een vlag van de huidige Democratische Republiek Congo zien we echter nergens.

We hadden natuurlijk niet verwacht dat een officiële Belgische tentoonstelling over dit onderwerp een verhelderend licht zou werpen op de volledige geschiedenis van het koloniale en neokoloniale tijdperk tot op heden. Toch is zonder dit inzicht elke echte solidariteit met het Congolese volk onmogelijk.

Tijdschrift Vonk

Vonk 292

Onze boeken

Onze boeken