Het is 100 jaar geleden dat André Breton het Manifest van het Surrealisme schreef, een gloedvol pleidooi tegen de moderne, kapitalistische wereld.

“Sedert méér dan een eeuw is de menselijke waardigheid gedegradeerd tot ruilwaarde… wij aanvaarden de wetten van de ruil en de economie niet, noch de slavernij van de arbeid!”

Nog tot midden juni lopen in Brussel twee tentoonstellingen over de geschiedenis van het surrealisme, door velen de meest fascinerende kunststroming van de 20e eeuw genoemd. In het Bozar ligt de focus op het surrealisme in België, doorheen zo’n 250 werken krijg je een beeld van de toenmalige kunstscène. Er is extra aandacht voor hun internationale contacten en ook de vrouwelijke surrealisten komen ruimschoots aan bod. Het Koninklijk Museum in de Museumstraat gaat dan weer de internationale tour op. Naast schilderijen kan je er ook sculpturen, objecten, assemblages en foto’s bekijken van onder andere Max Ernst, Salvador Dali, Man Ray, Joan Miro, Dorothea Tanning en Leonor Fini.

Op zoek naar een alternatief voor deze beschaving

Het surrealisme ontstond in Frankrijk na de eerste wereldoorlog en tevens als reactie erop. Door de oorlogsgruwelen rijpte ook bij André Breton, die hulparts was in de loopgraven, het besef dat het écht volledig mis was met deze maatschappij. Oplappen was niet meer mogelijk, totale vernieuwing was de enige oplossing. De taal is het basiselement van alle maatschappelijke betrekkingen, dus moest die eerst aangepakt worden. Door de taal te bevrijden van haar keurslijf van regeltjes kwam er een vernieuwingsbeweging in de poëzie die weldra ingang vond bij vele beoefenaars van andere kunstvormen.

Het surrealisme wil de tegenstrijdige en onlogische weergave van de werkelijkheid zijn. Het probeert het geweld en de barbaarsheid, die zich onder het dunne laagje beschavingsvernis van het kapitalisme bevinden, uit te drukken. De correcte omgangsvormen en “de goede smaak” van de burgerlijke maatschappij is enkel de façade om de onderdrukking en repressie te verbergen. Het surrealisme trekt de sluier van hypocrisie weg en onthult de lelijke en weerzinwekkende realiteit die erachter schuilgaat. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de surrealisten, na een kortstondige flirt met de theorie van Freud - vooral het onderbewuste en de bevrijding ervan sprak hen aan - op zoek gaan naar de ideeën van de Oktoberrevolutie.

André Breton werd in 1927, samen met vele van zijn vrienden, lid van de Franse Communistische Partij. De verhouding tussen de surrealisten en de communisten verloopt moeizaam, ondanks het feit dat ze de titel van hun toenmalige tijdschrift “La Révolution Surréaliste” veranderden in: ”Le surréalisme au service de la Révolution”. Ze weigeren zich blindelings neer te leggen bij de partijdiscipline en zien ook weinig heil in de stroming van het “socialistisch realisme”, dat door Rusland als nieuwe kunstrichting gepropageerd wordt. Na de Moskouse showprocessen van 1936-37, waarbij een groot aantal bolsjewisten van het eerste uur door Stalin van de meest onwaarschijnlijke misdaden worden beschuldigd, stappen veel surrealisten uit de partij. André Breton neemt echter geen afstand van Marx en Lenin, hij ziet in Trotski de belichaming van het échte marxisme-leninisme. In 1938 brengt hij een

bezoek aan Trotski’s ballingsoord in Mexico. Ze schrijven er samen een manifest “Voor een onafhankelijke, revolutionaire kunst”, dat eveneens ondertekend wordt door de Mexicaanse schilder en echtgenoot van Frida Kahlo, Diego Riviera. Het bevat een belangrijke paragraaf over de relatie tussen de staat en kunst:

“Ook al moet de revolutie ten behoeve van de materiële productiekrachten een centraal geleid socialistisch systeem opbouwen, ten aanzien van de intellectuele productiekrachten moet de revolutie vanaf het begin een anarchistisch bewind van individuele vrijheid bewerkstelligen en garanderen. Geen gezag, geen dwang, geen spoor van bevelen.”

Tot grote vreugde van de surrealisten erkende Trotski hiermee de autonome positie van de literatuur en de kunst binnen het kader van het internationale communisme.

De vrouw niet enkel als muze maar als zelfscheppend kunstenaar

Whitney Chadwick, emeritus-hoogleraar aan de San Francisco State Universiteit, belicht in haar boek een aantal vrouwelijke kunstenaars, die een integraal onderdeel waren van het surrealisme. Leonora Carrington, Léonor Fini, Frida Kahlo, Dorothea Tanning en vele anderen worden in hun historische context geplaatst, tegen de achtergrond van de turbulente jaren 1920, 30 en 40 en de oorlog die het surrealisme in ballingschap dwong in New York en Mexico. Zij interviewde en correspondeerde met de meeste vrouwen persoonlijk in de loop van haar onderzoek. Ondanks hun talent en het respect dat zij afdwongen van hun mannelijke tijdgenoten belandden veel vrouwelijke surrealistische kunstenaars in de marginaliteit. Deze baanbrekende studie leidde tot een grootschalige herziening van het verhaal van de surrealisten en geeft de vrouwen eindelijk de plaats die ze verdienen. Het boek is een echte schatkamer voor kunstliefhebbers, het bevat een overvloed aan uittreksels uit ongepubliceerde geschriften en talrijke illustraties die voor deze publicatie nooit eerder in druk waren gereproduceerd. Een waar genot om te lezen én te bekijken! “Histoire de ne pas rire” tentoonstelling surrealisme in België, Bozar van 21/2 tot 16/7/2024; “Imagine” tentoonstelling 100 jaar Internationaal Surrealisme van 21/2 tot 21/7/2024, Koninklijk Museum Bxl; Whitney Chadwick “Women artists and the Surrealist Movement” Herziene editie Thames&Hudson, London,2021.

Tijdschrift Vonk

layout Vonk 322 page 001

Activiteiten

Onze boeken

Onze boeken