Ridley Scotts nieuwe film over Napoleon Bonaparte is vanuit vele hoeken bekritiseerd. Sommigen vinden de film saai, onverklaarbaar in sommige delen en onverstaanbaar in andere. Historische critici beweren dat het gewoon niet historisch correct is - waarop Scott antwoordde:

"Pardon, maat, was je daar? Nee? Nou, hou dan je bek."

Scott heeft duidelijk een goed begrip van het nut van historisch onderzoek.

Mijn kritiek op de film is echter dat er niet echt wordt uitgelegd waarom Napoleon aan de leiding kwam in de Franse revolutie, waarom hij zijn veldslagen won en waarom hij de oorlog uiteindelijk verloor. Bovendien, zoals anderen al aangaven, gaat de film uit van het standpunt dat de revolutie uitdraaide op terreur en vervolgens op dictatuur en dat dat de weg is van alle revoluties waar de ‘massa’' bij betrokken is. Deze conventionele reactionaire invalshoek gaat voorbij aan enkele van de belangrijkste veranderingen die de revolutie teweegbracht en die Napoleon introduceerde.

Napoleons oorlogseconomie

Wat ontbreekt in Scott’s biopic is de essentie van de zaak : de economische grondslag van Bonaparte's oorlog tegen de reactionaire grootmachten Groot-Brittannië, Oostenrijk, Pruisen en Rusland. Hij concentreert zich vooral op de veldslagen, zijn persoonlijkheid en zijn seksuele relatie met Joséphine de Beauharnais, de dochter van een slaveneigenaar van een suikerplantage. Ja, individuen kunnen de geschiedenis beïnvloeden, maar zoals Marx aangaf in zijn werk De 18e Brumaire van Louis Bonaparte (bij het analyseren van het aan de absolute macht komen van Napoleons neef 'keizer' Louis in 1852):

"Mensen maken hun eigen geschiedenis, maar ze maken haar niet zoals ze zelf willen; ze maken haar niet onder zelfgekozen omstandigheden, maar onder omstandigheden die al bestaan, gegeven en doorgegeven vanuit het verleden."

Napoleon begon als een radicale revolutionair die het Jacobijnse regime steunde en eindigde als 'keizer', tot afschuw van democraten zoals de componist Beethoven die Napoleons naam wegkraste uit de elogie die hij aan het componeren was. Napoleon kwam aan de macht als verdediger van de republiek, maar hij veranderde een verdedigingsoorlog in een veroveringsoorlog. Daar waar de Franse elite haar kolonies was kwijtgeraakt in India, het Caribisch gebied en Noord-Amerika in het laatste deel van de 18e eeuw, moest dat gecompenseerd worden door de uitbouw van een Europese dominantie. Miljoenen soldaten en burgers stierven in de 'napoleontische oorlogen', verhoudingsgewijs evenveel als in de Eerste Wereldoorlog.

De term Bonapartisme werd bedacht om te beschrijven hoe één leider de absolute macht kan krijgen in een situatie waarin de verhoudingen tussen de klassen zo evenwichtig en tegelijkertijd zo instabiel zijn dat de werkende klasse niet in staat is om direct te heersen tegenover de oppositie van de heersende klasse.

Vóór Bonaparte waren er andere Bonapartes. Zo was er de Romeinse Julius Caesar, een militair leider die het opnam tegen de aristocraten van de Senaat en uiteindelijk (zij het kortstondig) de alleenheerschappij kreeg. Dan was er in het Engeland van de jaren 1640 Cromwell, een landeigenaar die een militair leider werd in de parlementaire strijdkrachten die de royalisten versloegen en vervolgens tien jaar lang regeerde als 'Lord Protector'. Dan was er Stalin, een bolsjewistische revolutionair die uiteindelijk een wrede eenmansdictatuur vestigde die boven en tussen een verzwakte arbeidersdemocratie en de krachten van de kapitalistische reactie rond Rusland stond.

In zijn 18e Brumaire schreef Marx dat:

"Camille Desmoulins, Danton, Robespierre, Saint-Just en Napoleon de helden waren, evenals de partijen en de massa's van de oude Franse Revolutie" en dat zij "de taak vervulden om .... de moderne burgerlijke maatschappij te ontketenen en op te zetten. De eersten sloegen de feodale basis aan stukken en schaften de feodaliteit af. De volgende [Napoleon, nvdr.] schiep binnen Frankrijk de voorwaarden waaronder alleen vrije concurrentie kon worden ontwikkeld, verkaveld landbezit kon worden geëxploiteerd en de ontketende industriële productiekracht van de natie kon worden ingezet; en buiten de Franse grenzen veegde hij overal de feodale instellingen weg, voor zover dat nodig was om de burgerlijke maatschappij in Frankrijk een geschikte moderne omgeving op het Europese continent te bieden."

De jonge jakobijnse soldaat

Eén man kan geschiedenis schrijven, maar alleen binnen de gegeven omstandigheden. Het waren de economische omstandigheden en de krachtsverhoudingen die de 'Napoleontische oorlogen' beslisten. Napoleon won veel veldslagen, maar toch verloor hij de oorlog. Waarom? Het is aangetoond dat Frankrijk gewoon niet de middelen had aan mankracht, wapens en vooral financiën om een lange oorlog te voeren tegen de gecombineerde krachten van de absolute monarchieën gesteund door de vuurkracht en rijkdom van de opkomende grootmacht Groot-Brittannië.

Oorlog voeren hangt af van twee factoren: de economische middelen die beschikbaar zijn om de oorlog te financieren en het vermogen om wapens te leveren en fitte manschappen naar het slagveld te sturen.. Van 1789 tot 1815 stond Frankrijk tegenover zeven coalities en slaagde erin er zes te verslaan. Zoals de militair historicus Ioannis-Dionysios Salavrokas het verwoordde:

"Deze prestatie wordt vaak toegeschreven aan het tactische en strategische denken van Napoleon Bonaparte. Maar het land werd uiteindelijk verslagen onder de druk van de gecombineerde superieure economische, demografische en industriële kracht van de Geallieerden."

De Franse revolutionaire republiek werd na 1789 onmiddellijk geconfronteerd met een reactionaire contrarevolutie van de Royalisten thuis en een buitenlandse invasie. En ze had geen geld om de verdediging van de republiek te financieren. De leiders van de Jacobijnen hoopten dat de confiscatie van kerkelijke rijkdommen en koninklijke eigendommen soelaas zou bieden. Maar wat er werd ingezameld was gewoon niet genoeg om een succesvol strijdend leger op te bouwen en aan de sociale behoeften van een hongerende bevolking te voldoen. Dus drukte de revolutionaire regering geld bij - er werd zelfs al privégeld bijgedrukt waar ze geen controle over hadden. De geldvoorraad schoot omhoog en daarmee ook de inflatie.

In 1793, onder de Jacobijnse regering, werd de totale waarde van het geld in omloop geschat op bijna 3 miljard frank, meer dan het dubbele van het oorspronkelijke bedrag dat was opgebracht door confiscaties. De uitgehongerde bevolking plunderde winkels voor kleding en voedsel. De regering betaalde vervolgens sociale uitkeringen om de stabiliteit te herstellen. Tegen 1795 steeg de totale geldhoeveelheid tot 4,4 miljard frank en de wisselkoers van de frank met het Britse pond kelderde met 45%. Toen de Jacobijnen van de macht werden verdreven en het Directoraat werd opgericht, was de geldvoorraad verveelvoudigd tot 20 miljard frank, waarbovenop de regering nog eens voor 50 miljard aan obligaties uitgaf.

Maar het was niet alleen maar kommer en kwel, in tegenstelling tot wat historici tegenwoordig denken. De Franse republikeinse economie begon juist te groeien. De steenkoolproductie verdubbelde tussen 1794 en 1800, toen Napoleon de macht overnam. De ijzerproductie steeg met 50% en de zoutproductie zelfs nog meer. Dit waren belangrijke producten voor een ontluikende industriële en verstedelijkende economie. Deze industriële productie werd gedreven door de behoeften van de oorlogseconomie. De Franse oorlogsindustrie ontwikkelde zich snel. Bovenal herstelde de landbouw- en voedselproductie zich - zij het niet genoeg om de stijging van de voedselprijzen te stoppen. Terwijl de oorlogseconomie van Groot-Brittannië erin slaagde om de landbouwproductie in het eerste decennium van 1800 met 25% te laten stijgen, verhoogde Frankrijk onder Napoleon de landbouwproductie met 500% - maar de situatie was zo slecht dat zelfs die stijging niet genoeg was om aan de vraag van het leger en de burgerbevolking te voldoen.

Het rechtse Directoire maakte uiteindelijk plaats voor een Bonapartistische staatsgreep in 1799-1800, waardoor Napoleon de opperste macht kreeg om 'de revolutie te redden' en de royalistische reactie in binnen- en buitenland te verslaan. Als een goede 'bonapartist' balanceerde Napoleon tussen de burgerij, kooplieden en de 'massa's' van boeren en ambachtslieden (de zogenaamde sans culottes). Hij was vroeger een 'medestander' van Robespierre's Jacobijnen. Nu predikte hij ‘welvaart voor de massa’ als tegenpool van de belangen van de kooplieden en de aristocratie. Al balancerend tussen de klassenspanningen werd hij keizer van Europa.

Keizer Napoleon

Napoleon stond altijd aan de kant van de kapitalistische productiewijze tegenover die van het feodalisme en het oude regime, ondanks het feit dat hij zichzelf in 1805 tot keizer kroonde. Aan de andere kant was hij sterk gekant tegen alle 'socialistische' alternatieven die sommige radicalere krachten onder de Jakobijnen voorstelden. Napoleon was van mening dat in elke samenleving:

"De slimmere minderheid al snel de meerderheid zal regeren en het grootste deel van de rijkdom zal absorberen"

Of zoals het de vermeende menselijke natuur betaamt:

"Het is de honger die de wereld in beweging breng."

Zoals Napoleon het graag het stelde:

"Terwijl een individuele eigenaar, met een persoonlijk belang in zijn eigendom, altijd klaarwakker is en zijn plannen tot bloei brengt, is gemeenschappelijk belang inherent slaperig en onproductief, omdat individueel ondernemerschap een kwestie van instinct is, en gemeenschappelijk ondernemerschap een kwestie van publieke geest, wat zeldzaam is."

"Vóór 1789," zegt Taine (Franse geschiedkundige 1828-1893), "betaalde de boer, op 100 francs netto inkomen, 14 aan de seigneur, 14 aan de geestelijkheid, 53 aan de staat, en hield slechts 18 of 19 voor zichzelf; na 1800 betaalt hij niets van zijn 100 francs inkomen aan de seigneur of de geestelijkheid; hij betaalt weinig aan de staat, slechts 25 francs aan de gemeente en het departement, en houdt 70 voor zijn eigen zak." Vóór 1789 werkte de handarbeider 20-39 werkdagen per jaar om zijn belastingen te betalen; na 1800, van zes tot 19 dagen en "door de bijna volledige vrijstelling [van belastingen] voor hen die geen eigendom hebben, valt de last van de directe belastingen nu bijna volledig op hen die eigendom hebben."

Napoleon voerde een speciaal kadaster in dat tegen 1814 37.000.000 percelen met hun eigenaren had geregistreerd. Napoleon was van mening dat:

"Staatsfinanciën die gebaseerd zijn op een goed landbouwsysteem nooit falen."

Hij introduceerde beschermende tarieven, betrouwbare financiering en goed onderhouden transport via wegen en kanalen om de boeren aan te moedigen gestaag te werken, land te kopen, steeds meer land in cultuur te brengen en stevige jongeren te leveren voor zijn legers. Te veel Franse boeren waren deelpachters of ingehuurde landarbeiders, maar tegen 1814 waren een half miljoen van hen eigenaar van de hectares die ze hadden gezaaid.

Een Engelse dame die in 1814 door Frankrijk reisde, beschreef de boeren als mensen die een mate van welvaart genoten die hun klasse nergens anders in Europa kende. Deze grondbewerkers zagen Napoleon als een levende garantie van hun eigendomsrechten en bleven hem trouw totdat hun land wegkwijnende door de afwezigheid van hun dienstplichtige zonen.

Zoals Marx het verwoordde in de 18e Brumaire:

"Nadat de eerste Revolutie de semi-feodale boeren in vrije boeren had veranderd, bevestigde en reguleerde Napoleon de voorwaarden waaronder ze de grond van Frankrijk die ze nog maar net hadden verworven ongestoord konden exploiteren en hun jeugdige passie voor eigendom konden stillen... Onder Napoleon vulde de versnippering van het land op het platteland de vrije concurrentie en het begin van de grote industrie in de steden aan. De boerenklasse was het alomvertegenwoordigde protest tegen de onlangs omvergeworpen landadel. De wortels die het kleinbezit in de Franse bodem had geslagen, ontnamen het feodalisme alle voeding. De bakens van dit eigendom vormden de natuurlijke versterking van de burgerij tegen elke verrassingsaanval van haar oude overheersers."

De arbeiders die de kanalen groeven, de triomfbogen bouwden en de fabrieken bemande, mochten niet staken of vakbonden oprichten om te onderhandelen over betere arbeidsomstandigheden of een hoger loon. De regering van Napoleon zorgde er echter wel voor dat de lonen gelijke tred hielden met de prijzen, dat bakkers, slagers en fabrikanten onder staats prijsregulering vielen en dat - vooral in Parijs – aan de eerste levensbehoeften werden voldaan. Tot de laatste jaren van Napoleons heerschappij stegen de lonen sneller dan de prijzen en het proletariaat deelde (bescheiden) in de algemene welvaart en trots van Napoleons overwinningen. Er was geen werkloosheid, dus geen politieke opstand.

"Niemand is geïnteresseerd in het omverwerpen van een regering waarin alle verdienstelijken werk hebben", zei de grote man.

Terwijl de reactionaire monarchieën hun oorlog financierden door geld te drukken en te vertrouwen op de enorme oorlogskisten van het Britse imperium, moest het Frankrijk van Napoleon vertrouwen op binnenlandse belastingen, die nooit genoeg waren, en op de buit van veroveringen in Nederland, Italië, Oostenrijk en Pruisen. In eigen land saneerde Napoleon de financiën. Er werd een einde gemaakt aan het drukken van geld en de inflatie nam af. En tot zeker 1812 bracht de oorlogsbuit meestal meer op dan de veldslagen kostten. De verslagen landen moesten hoge vergoedingen betalen.

In 1811 pochte Napoleon dat hij 300 miljoen gouden franken had in de Grotten van de Tuilerieën. Hij gebruikte dit fonds om de krapte in de schatkist te verlichten, om de volatiliteit op de aandelenmarkt te corrigeren, om openbare werken of gemeentelijke verbeteringen te financieren en om zijn geheime politie te betalen. Er bleef genoeg over om zich voor te bereiden op de volgende oorlog en om de belastingen ver onder het niveau van Lodewijk XVI te houden. In 1805 reorganiseerde Napoleon de Bank van Frankrijk, die in 1800 onder privébeheer was opgericht. Deze nieuwe Banque de France opende filialen in Lyon, Rouen en Lille en begon haar sleutelrol in dienst van de Franse kapitalistische economie en de staat.

De Banque de France

Toen Las Cases (Frans historicus van de Napoleiontische oorlogen), een emigrant, in 1805 terugkeerde van een rondreis langs zestig departementen, rapporteerde hij dat:

"Frankrijk in geen enkele periode van haar geschiedenis machtiger, bloeiender, beter bestuurd en gelukkiger was geweest."

In 1813 beweerde de Comte de Montalivet, minister van Binnenlandse Zaken, dat deze voortdurende welvaart te danken was aan:

"De afschaffing van feodalisme, titels, voordelen en kloosterorden, (...) aan de meer gelijke verdeling van rijkdom, aan de duidelijkheid en vereenvoudiging van de wetten."

Maar de Franse economie was nog steeds inefficiënt vergeleken met die van Groot-Brittannië. De Franse industrie kon niet voldoen aan de eisen van de langdurige oorlog die Napoleon begon en dit dwong de Grand Armée om zwaar te leunen op oorlogsbuit. De ironie is dat het Groot-Brittannië was dat geld drukte en obligaties uitgaf om de oorlog te betalen. Maar Groot-Brittannië kon dat doen omdat obligatiehouders erop konden vertrouwen dat na de oorlog de inkomsten uit de Britse industrialisatie en het enorme koloniale rijk gemakkelijk zouden volstaan om die schuld af te betalen. Frankrijk had die economische geloofwaardigheid niet.

In werkelijkheid waren de Franse financiën veel lager dan die van Groot-Brittannië. In 1805 bedroeg het Franse budget slechts 27 miljoen pond, terwijl dat van Groot-Brittannië 76 miljoen pond bedroeg. In 1813 stegen de Franse uitgaven tot 46 miljoen pond, maar het Britse budget bereikte 109 miljoen pond. Ondanks de voortdurende uitbuiting van bezette landen vervijfvoudigde de Franse staatsschuld tussen 1809 en 1813.

In 1800 was het BBP per inwoner van de bevolking in Engeland twee keer zo hoog als in Frankrijk.

BBP/Inwoner

 Voor Frankrijk was oorlogsbuit het antwoord. Maar deze bedragen begonnen op te drogen door groeiende weerstand van en zelfs overwinningen door de Europese monarchieën. Het economische teken aan de wand. Het Frankrijk van Napoleon kon de oorlog niet winnen, hoeveel veldslagen hij ook won. De terugtrekking uit Rusland betekende het einde en Napoleon werd geconfronteerd met een nieuwe coalitie van Pruisen, Rusland en Groot-Brittannië, bijgestaan door Zweden en Oostenrijk. Napoleons laatste zet bij Waterloo werd mogelijk gemaakt door een enorme mobilisatie van steun en financiële leningen. In juni 1815, slechts drie maanden na de aankomst van Napoleon uit zijn ballingschap in Elba, was de sterkte van het Franse leger toegenomen van 224.000 man tot 662.331 man. Maar het was niet genoeg. 

Napoleon slaagde erin om bijna alle continentale vijanden van Frankrijk te verslaan, waaronder Oostenrijk, Pruisen, Rusland en Napels. Zijn tactische en strategische vaardigheden slaagden er echter niet in om de twee grootste Franse tekortkomingen te overstijgen. Ten eerste zette de economische plundering van Europa de veroverde gebieden onder druk en spoorde hen aan tot nationalistische opstanden tegen hem. Ten tweede was er een enorme onbalans in de economische macht tussen Groot-Brittannië en Frankrijk. Frankrijk bezette weliswaar Europa, maar Groot-Brittannië kon rekenen op de koloniale rijkdom uit Amerika, Canada, Afrika, India en Azië. Groot-Brittannië kon op basis van zijn internationale handel meer economische middelen, grondstoffen en arbeidskrachten mobiliseren dan Frankrijk. In een langdurige oorlog zou Groot-Brittannië langer en beter kunnen overleven dan Frankrijk.

Tijdschrift Vonk

Layout Vonk 321 1 page 001

Activiteiten

Onze boeken

Onze boeken