De afgelopen maanden genoot de dramatische toestand van de bevolking van de provincie Darfoer in West-Soedan heel wat aandacht van westerse regeringen, politici, journalisten en media. Grafieken en berichten schetsten een beeld van de hongersnood, de ziekten en sterfte die de Darfouri treffen, van de moordlustige praktijken van de Janjawid-milities die bewapend worden door het regime in Khartoum, en van de duizenden wanhopige mannen, vrouwen en kinderen die hun land moesten verlaten en hun toevlucht zochten in buurland Tsjaad of in geïmproviseerde ‘humanitaire’ kampen.

Helaas is de situatie in Darfoer allesbehalve uitzonderlijk. In de hele onderontwikkelde wereld en in het bijzonder in Afrika zijn hongersnood, massale volksverplaatsingen, foltering, verkrachting, plundering en slachtpartijen dagelijkse kost. Nochtans worden deze toestanden zelden onder de aandacht van het Westen gebracht. De verslaggeving en het ‘profiel’ dat aan de crisis in Darfoer wordt gegeven zijn dan ook erg uitzonderlijk.

De crisis in Darfoer sleept al lange tijd aan. Nochtans zou men vanuit puur praktisch oogpunt gemakkelijk aan de meest pertinente noden van de lokale bevolking tegemoet kunnen komen. Honderdduizenden mensen lijden honger. Zuigelingen, ouderlingen en zieken sterven aan een alarmerende tempo. Sommige rapporten gewagen van 2.000 doden per dag. Waarom wordt er geen voedsel voorzien? De praatjes over ‘slechte wegen’ en ‘gewapende bendes’ die zogezegd verhinderen dat voedsel en voorraden de kampen bereiken zijn niet bepaald overtuigend. In werkelijkheid zouden voedsel, water, onderdak en medische zorg de kampen gemakkelijk kunnen bereiken door vrachtvliegtuigen en helikopters. Vorig jaar brachten de Amerikaanse en de Britse regeringen in amper een paar weken tijd 250.000 man militair personeel, compleet met tanks, voertuigen, vliegtuigen en een volledige militaire industrie, ter plekke voor de invasie van Irak. Is het dan niet mogelijk om een paar duizend ton voorraad naar Darfoer te brengen?

De waarheid in dat de Amerikaanse regering de situatie van de stammen in Darfoer niet wil verbeteren, precies omdat ze wordt aangewend als een argument voor het blokkeren van het land. Verscholen achter de officiële verontwaardiging over de ‘etnische zuivering’ en ‘genocide’, hebben de westerse regeringen erg weinig geld geschonken en nog minder werd feitelijk aangewend om de slachtoffers van Darfoer te bevrijden van honger en geweld. Al deze geveinsde ‘humanitaire’ bezorgdheid van Bush en Blair – die nooit hebben geaarzeld, zoals in Irak, om pijn en dood toe te brengen wanneer de belangen van hun bedrijven op het spel staan – gaat in werkelijkheid over imperialistische hebzucht naar winst en olie.

Met name het Amerikaanse imperialisme probeert de situatie van de bevolking van Darfoer aan te wenden om een handelsembargo tegen Soedan te verkrijgen zodat de toegang tot de Soedanese olievelden wordt afgesneden voor hun grootste rivalen in deze industrie en in dat deel van de wereld. Het dreigende embargo is voornamelijk gericht tegen China, Frankrijk, India en Maleisië, die alle oliebelangen hebben in Soedan. Tezelfdertijd wordt de situatie gebruikt als een middel om de druk op de Soedanese overheid te vergroten en de militaire en strategische positie van de VS te versterken in dat deel van de wereld. Ten noordoosten van Soedan liggen de Rode Zee en de strategisch belangrijke olievelden van de westkust van Saudi-Arabië.

De intensieve druk die wordt uitgeoefend om een invoering van een internationaal embargo tegen Soedan mogelijk te maken is al voldoende bewijs voor de totale hypocrisie achter de ‘humanitaire’ propaganda van de Amerikaanse administratie. De gevolgen van zo een embargo zullen ertoe leiden dat de gehele Soedanese bevolking in een situatie terecht komt gelijkaardig aan de huidige toestand in Darfoer. Soedan is een extreem achtergesteld land. Zelfs zonder de verschrikkelijke gevolgen van een embargo is de overgrote meerderheid van de bevolking straatarm. Een internationaal embargo zou niets minder betekenen dan een massale hongersterfte.

Een ander argument dat door de Amerikaanse regering wordt aangedragen ter verdediging van economische sancties, is de beschuldiging dat de Soedanese regering een ‘genocide’ pleegt in Darfoer. Op de bijeenkomst van de VN Veiligheidsraad begin september domineerde deze aantijging het ‘debat’ over Soedan. Niemand bracht olie ter sprake. Toch wisten alle betrokken partijen heel goed dat dit de eigenlijke inzet was, inclusief uiteraard de Chinese delegatie, die hevig protesteerde tegen de invoering van een embargo. De delegatie van de VS bleef halsstarrig het woord ‘genocide’ in de mond nemen ten einde hun eis om een economische blokkade kracht bij te zetten en om de mogelijkheid te scheppen voor een directe militaire interventie in een later stadium.

De term ‘genocide’ werd op gelijkaardige wijze gebruikt met betrekking tot Albanië, om de oorlog tegen Servië in 1999 te rechtvaardigen, terwijl de regering van Clinton weigerde het woord ‘genocide’ in de mond te nemen wanneer het ging over Rwanda – een land van betrekkelijk weinig belang voor de VS – waar tot 1 miljoen Tutsi’s genadeloos werden afgemaakt. De dakloze en hongerlijdende bevolking van Darfoer is eenvoudigweg een van de vele pionnen in het machtsspel om winsten en olie.

De strijd om de controle over Soedanese olie

In 1980 verwierf Frankrijk de exploratie en olieproductierechten in de sector ‘Blok B’ (tegenwoordig ‘Blok 5’), die zich uitstrekt over 120.000 vierkante kilometer, van het noorden naar het zuiden tussen Malakal en Bor, en oostelijk in de richting van de grens met Ethiopië. Seismisch onderzoek door Franse ingenieurs onthulde dat het Blok behoorlijk wat potentieel had voor olieproductie. Tegenwoordig gelooft men dat Soedan Afrika’s belangrijkste onontgonnen oliereserves herbergt, groter zelfs dan die van de Golf van Guinee. De olie-export is nu verantwoordelijke voor 70 procent van het BBP in Soedan. In 1985 zag Frankrijk zich echter verplicht de operatie op te schorten omwille van de ophanden zijnde oorlog tussen de Soedanese gewapende macht en het Sudanese Peoples Liberation Army (SPLA). Gedurende de afgelopen decennia was het Franse imperialisme de grootste internationale steunpilaar van het Soedanese regime, door het te voorzien van wapens, tanks, vliegtuigen en militaire inlichtingen in zijn oorlog tegen de rebellen in het zuiden.

De Verenigde Staten daarentegen maakten gebruik van huurlingen en handelden via intermediaire Afrikaanse staten om militaire ondersteuning te voorzien voor rebellenlegers die opereren vanuit Oeganda, Ethiopië en Eritrea, in een poging om de positie van de Soedanese regering te verzwakken, om te verhinderen dat Total-Fina-Elf hun werkzaamheden hervatten in Blok 5, en om meer invloed uit te kunnen oefenen bij de toewijzing van olie-exploratie- en productiecontracten. Terwijl ze de militaire druk in stand houdt en de destabilisatie van het land in de hand werkt, is de Amerikaanse regering vastberaden om te verhinderen dat elke andere macht haar positie met betrekking tot de Soedanese olie zou kunnen consolideren. Zoals we hebben gezien, heeft Frankrijk ondanks haar 24 jaar oude contracten niet kunnen verder werken omwille van de oorlog in het zuiden. Het Canadese bedrijf Talisman Energies werd eveneens zwaar onder druk gezet door de Verenigde Staten en het wordt momenteel beschuldigd van ‘medeplichtigheid aan genocide en oorlogsmisdaden’ in een Amerikaanse rechtbank, met betrekking tot operaties van het bedrijf in Soedan in het verleden.

De exploratie van petroleum in Soedan begon in de jaren ‘60, maar de olie-export kwam pas op gang in 1993. De Amerikaanse groep Chevron trok zich terug uit Soedan in 1985, nadat ze 1,5 miljard dollar had geïnvesteerd. Chevron ontdekte olie op verschillende sites maar op een te kleine schaal om hun concessie in een oorlogszone te kunnen rechtvaardigen. Tegen de tijd dat de werkelijke omvang van de oliereserves duidelijk werd, stonden de Amerikaanse bedrijven al buitenspel. In 1997 werden Amerikaanse investeringen in Soedan illegaal door economische sancties die de VS oplegde. Sinds dat moment is de Soedanese olieproductie gestegen tot 500.000 vaten per dag, ten opzichte van 270.000 in 2003, en zou wel eens kunnen oplopen tot 750.000 vaten per dag tegen einde 2006. De winsten en olierijkdommen gaan naar rivalen van de VS en in het bijzonder naar China.

Het opdoemen van China als grote macht in de wereld vormt een directe bedreiging voor de belangen van het westerse imperialisme in het algemeen en voor het Amerikaanse imperialisme in het bijzonder. In 2003 steeg de olie-import in China met een duizelingwekkende 40 procent in verhouding tot het jaar ervoor. Vandaag heeft China ongeveer 50 grote internationale petroleum en petrochemische projecten op stapel staan. China moet zijn eigen olierijkdommen beschermen. Deze essentiële behoefte kan alleen ingevuld worden door het hoofd te bieden aan de dominante positie van de VS.

Op dit moment beslaat de olie-invoer uit Soedan 6 procent van de totale olie-invoer in China. Dit percentage zal waarschijnlijk zeer snel toenemen gezien de enorme investeringen die China deed in de Soedanese olie-industrie sinds de jaren ‘90. China’s staatsoliebedrijf, China National Petroleum Corporation (CNPC), bezit een 40 procent van de Greater Nile Petroleum Operating Company (GNPOC), die twee van de belangrijkste olievelden in de westerse provincie van de Opper-Nijl in Soedan in handen heeft. Vanaf midden 2005 zal de CNCP olie beginnen produceren in het Melut Basin ten oosten van de Nijl. Andere Chinese bedrijven zijn ook betrokken bij de constructie van een 1.400 kilometer lange pijplijn, lopend van het Melut Basin tot Port Soedan, waar China ook bouwt aan een olie-uitvoerhaven. China is Soedans belangrijkste handelspartner geworden. De enige oliecontracten in de Darfoer-regio zijn dan ook in handen van de CNPC. Geografisch gezien beslaat Soedan een strategisch belangrijk gebied. China is bezig zijn greep op Soedan te verstevigen om het land dan te gebruiken als een uitvalsbasis voor handel en olietransporten tussen Centraal-Afrika, het Midden-Oosten en China zelf. Deze situatie is onaanvaardbaar voor Washington, dat zelfs bereid is Soedan in twee of meer afzonderlijke delen te splitsen, als dat de enige manier is om toegang tot de olievelden te verkrijgen. Van de verschillende groeperingen die deel uitmaken van de zuidelijke milities, hebben de VS net diegenen gepromoot die een afscheiding van noordelijk Soedan voorstaan, naast enkele bijzonder reactionaire ‘christelijke missies’, die met machtige financiële steun uit de VS al jaren hun best doen om de raciale haat tegen Arabieren aan te zwengelen.

Maar de Amerikaanse regering laat niet toe dat religieuze overwegingen in het vaarwater van de echte belangen terecht komen. Niet alleen heeft de regering van de VS militaire training, wapens en geld voorzien voor de SPLA, zij steunt ook de in Darfoer gevestigde ‘Justice and Equality Movement’ (JEM), die verbonden is aan de Islamitische fundamentalist Al Turabi. Al Turabi hielp Al Bachir aan de macht in 1989. Al Bachir ontzette hem in 2000, waarna Al Turabi een contract tekende met de SPLA in 2001. Hij wordt momenteel vastgehouden door de overheid in Karthoum.

Dictatuur, instabiliteit en regionale oorlogen

Het regime van Al Bachir is een kwaadaardige, reactionaire islamitische dictatuur. De geschiedenis van het regime is er een van arbitraire arrestaties, geselingen, amputaties, folteringen en executies. Zoals de regimes die eraan voorafgingen, is de huidige dictatuur zwak en labiel. In essentie berust zij op de steun van de Arabische moslimelite in het noorden en op het repressieve apparaat van leger en politie.

Soedan is een frappant voorbeeld van gecombineerde en ongelijke ontwikkeling. Moderne industrie en moderne sociale netwerken bestaan er naast de meest primitieve economische en sociale vormen. Er bestaat niet zoiets als een Soedanese natie. In het noorden bestaat de voornamelijk Arabisch sprekende en moslimbevolking uit een aantal verschillende volken, die verspreid leven in een uitgestrekte gebieden van woestijn en semi-woestijn. Buiten de steden gelden nog steeds voornamelijk de wetten van de stammen. Zelfs in de steden zijn stammenrelaties nog altijd een belangrijke factor in sociale relaties. In het zuiden strekt Soedan zich uit tot het niet-Arabische en niet-moslim ‘zwart Afrika’, waar de stamverbanden een nog primitievere economische en sociale basis hebben. Het zuiden heeft geleden onder economische, politieke en religieuze discriminatie omwille van de belangen van de noordelijke heersende elite. De sharia – de islamitische wet – is zowel opgelegd aan moslims als aan niet-moslims. Spanning en conflicten tussen noord en zuid zijn altijd een wederkerend element geweest in de geschiedenis van Soedan, maar het begin van de huidige oorlog en de opkomst van de SPLA ligt in 1983.

De heersende klasse en het zwakke staatsapparaat in Khartoum zijn er nooit in geslaagd het land te verenigen en hun autoriteit te doen gelden over de volken van dit extreem achtergesteld deel van Afrika. In de jaren ‘80, tijdens de dictatuur van Nimeiri die in 1969 aan de macht kwam, bestond het Soedanese leger uit niet meer dan 50.000 soldaten, voor zo’n 38 miljoen inwoners. De instabiliteit van de dictatuur wordt geïllustreerd door het feit dat tussen 1969 en 1985, wanneer ze werd omvergeworpen door een opstandige algemene staking in Karthoum en Omdourman, er niet minder dan 25 pogingen tot militaire staatsgreep werden vermeld, waarvan er achttien plaatsvonden tijdens de eerste zes jaar. Eén ervan was een linkse staatsgreep, gesteund door de Communistische Partij in juli 1971. Nimeiri overleefde de coup en verpletterde de CP. Aanvankelijk had de CP Nimeiri gesteund, ondanks de aanwezigheid van de ultrareactionaire Moslimbroederschap in de regering. De Moslimbroederschap ondernam zelf nog een staatsgreep, in juli 1976.

Geconfronteerd met een groeiende sociale onrust in het hele land, probeerde het regime van Nimeiri interetnische conflicten uit te lokken in Darfoer en in het zuiden door een ‘herverdeling’ van het grondgebied op basis van stammen. Het zuiden was eveneens gedestabiliseerd door de aankomst van zo’n 30.000 gewapende vluchtelingen uit Oeganda na de val van Idi Amin. In het Soedanese leger nam de onrust toe, vooral binnen de troepen van zuidelijke origine. In januari 1983 voerde Nimeiri een golf van arrestaties uit van zuidelijke oppositieleiders, en rebelse troepen in Bora werden bevolen het zuiden te verlaten. Zij zouden vervangen worden door pro-regeringtroepen uit het noorden. Toen zij weigerden te vertrekken, beval Nimeiri de loyale troepen de muiters te verpletteren. Als gevolg braken in nagenoeg alle garnizoensteden muiterij en desertie uit, die leidden tot de oprichting van de SPLA onder leiding van kolonel John Garang.

Eén jaar na de algemene staking van 1985 werden er wetgevende verkiezingen gehouden en werd de regering van Sadiq Al Mahdi gevormd. De oorlog in het zuiden woedde voort. Sadiq Al Mahdi beloofde de invoering van de sharia te herzien, maar slaagde hier niet in. De SPLA nam de stad Bor in het zuiden in. In 1989 werd de regering eindelijk omvergeworpen door een staatsgreep onder leiding van Al Bachir, die sindsien aan de macht is.

Net als zijn voorganger Nimeiri heeft Al Bachir geprobeerd zijn positie in het noorden veilig te stellen door een beleid van gedwongen ‘arabisatie’ en ‘islamisering’ van Soedan. Dit programma kan in de praktijk niet uitgevoerd worden. De volken van zuidelijk Soedan zullen nooit de invoering van de sharia aanvaarden en de regering in Khartoum is te zwak om de zuidelijke troepen te verslaan met militaire middelen. Anderzijds heeft de SPLA bewezen te zwak te zijn om het noorden in te nemen, na meer dan twintig jaren van oorlog, tijdens welke zo’n twee miljoen mensen het leven lieten.

De voorwaarden van de ‘vredesovereenkomst’

Onder druk van Washington werd uiteindelijk eerder dit jaar een verdrag getekend met betrekking tot de oorlog in het zuiden, op basis van het ‘Machakos Protocol’ uit 2002. Het voorzag in een gelijke opdeling van de olierijkdommen tussen de regering in Khartoum en een ‘autonome administratie’ in het zuiden, met de belofte van een referendum over de onafhankelijkheid van het zuiden na een overgangsperiode van zes jaar. Als dit verdrag ooit tot uitvoering wordt gebracht, zou dat betekenen dat het ‘autonome’ zuiden, terwijl het in naam onder het gezag van de politieke vleugel van de SPLA valt, in feite een satellietoliestaat van het Amerikaans imperialisme wordt. Door de overeenkomst werd Frankrijk doeltreffend aan de kant geschoven en werd een zeer groot deel van de gekende oliereserves overgedragen aan bedrijven uit de VS. Toch zijn de Amerikaanse strategen zelfs hiermee niet bereid genoegen te nemen en ze oefenen momenteel druk uit om nog meer territoriale controle te verkrijgen, met inbegrip van de drie provincies in centraal Soedan. En dan nog zal enkel de totale controle over Soedan de hebzuchtige honger van de Amerikaanse vennootschappen en militaire strategen kunnen stillen. Hun eigenlijke doel is het bewerkstelligen van een ‘regimeverandering’. Door middel van politieke en economische destabilisatie en door steun te verlenen aan eender welke gewapende groepen die bereid zijn tegen de regering in Khartoum te vechten, hopen de Amerikaanse imperialisten het huidige regime te ondermijnen en uiteindelijk omver te werpen.

De installatie van een pro-Amerikaanse marionettenregime zal Soedans geweldige oliereserves toegankelijk maken voor Amerikaanse bedrijven ten koste van hun rivalen. Groot-Brittannië, Noorwegen en Italië steunen de strategie van de VS, in de hoop te kunnen delen in de koek bij de verdeling van de buit op een later tijdstip. Tony Blair heeft verklaard bereid te zijn 5.000 Britse troepen naar Soedan te sturen. Uiteraard gebeurt dit alles officieel in de naam van ‘humanitaire hulp’ en het ‘bewaren van de vrede’, zoals vaak het geval is wanneer grootmachten zich voorbereiden op plunderingen en oorlog.

De recente gewapende conflicten in Darfoer zijn uitgebroken tegen die achtergrond van de patstelling in de oorlog tussen het noorden en het zuiden, gecombineerd met de desastreuze gevolgen van hongersnood en droogte. Twee afzonderlijke gewapende bewegingen zijn betrokken in een strijd tegen de regering in Khartoum. Het Soedanese Bevrijdingsleger (SLA, Sudanese Liberation Army) is geallieerd met de SPLA in het zuiden. De Amerikaanse regering heeft deze organisatie opgericht en bewapend. Daarnaast is er de JEM, die banden heeft met Al Turabi, en die eveneens geniet van Amerikaanse steun, ondanks het feit dat ze geleid wordt door hard-line Islamitische fundamentalisten. Al Turabi is een onverholen voorstander van Bin Laden en hij juichte de aanval toe die in 2001 werd gepleegd op het World Trade Center. Al Bachir bewapende en financierde de zogeheten janjawid, die met de hulp van de reguliere troepen moordlustige razzia’s uitvoeren op dorpen die ervan verdacht worden sympathie te hebben voor de SLA of de JEM, terwijl ze er land, gewassen en vee stelen. Aanvallen van de Janjawid werden vaak voorafgegaan door luchtaanvallen van het leger. Regeringsvliegtuigen bombardeerden bijvoorbeeld herhaaldelijk de dorpen Al Tina, Kornoy en Kutum in Noord-Darfoer tijdens de zomer van 2003. Kuthum werd drie dagen na de terugtrekking van de gewapende oppositie gebombardeerd. Resolutie 1556 van de VN-Veiligheidsraad, die de Soedanese overheid met sancties bedreigde als de janjawid niet ontwapend werden, heeft niets opgelost. Al Bachir versterkte gewoonweg de veiligheidstroepen in het gebied en incorporeerde vele Janjawid in deze troepen.

De regimes van Tsjaad en Libië hebben ook hun belangen bij de verdediging van Darfoer. Het territorium van de Zaghawa strekt zich uit over beide kanten van de grens tussen Soedan en Tsjaad en deze etnische groep vormt de machtsbasis van dictator Idriss Deby in Tsjaad, net zoals van de vorige dictatuur van Hissène Habré. Gebeurtenissen in Darfoer hebben daardoor rechtstreekse gevolgen voor het lot van het regime in Tsjaad. Het Libische regime, dat in conflict ligt met Tsjaad over het betwiste grensgebeid tussen de twee landen, is betrokken bij de gebeurtenissen in Darfoer waar het probeert de basis van Idriss Deby te ondermijnen.

De Franse regering zou graag een vredesakkoord in Soedan zien dat haar toelaat de velden in Blok 5 te exploiteren. Toch begrijpt ze dat op basis van de huidige onderhandelingen Frankrijk zal worden uitgesloten van enige vooruitzichten op verdere ontwikkelingen in het land, gezien de positie van de VS in het zuiden en de groeiende invloed van China in het gebied. De gebeurtenissen in Darfoer hebben gemeen met een aantal andere gewapende conflicten op andere plaatsen in Afrika dat ze voor een deel de voortzetting zijn van de strijd tussen het imperialisme van de VS en dat van Frankrijk. Het is een strijd waarbij Frankrijk al heel wat terrein verloren heeft.

Het grondbeginsel van het beleid van de VS ten opzichte van Soedan is gelijkaardig aan wat ze met betrekking tot Libië voerden en aan het vooroorlogse beleid tegen Irak. Het bestaat eruit economische sancties te combineren met militaire pesterijen, en vervolgens opheffing van de economische sancties te gebruiken als lokmiddel, maar tezelfdertijd te dreigen met een volledige economische blokkade en zelfs een directe militaire interventie. Het zwakke Soedanese regime zal deze imperialistische pesterijen niet eeuwig kunnen blijven weerstaan. Al Bachir heeft geprobeerd tegemoet te komen aan de eisen van Washington, zoals uitgestippeld in de genereuze voorwaarden van het Machakos Protocol, dat één derde van het land effectief onder het gezag van de VS plaatst. In de hypocriete taal van de internationale diplomatie zou het zuiden onder ‘actief Amerikaans leiderschap’ worden geplaatst, als een onderdeel van de ‘aanhoudende internationale aandacht’ die nodig zou zijn om de ‘vrede te waarborgen’. Maar dan werden, net zoals bij Saddam Hoessein en de ‘wapeninspecteurs’, steeds meer en almaar verlammender toegevingen geëist. Zoals in Libië zouden de strategen van het Amerikaanse imperialisme graag de sancties opheffen, maar alleen als ze de Soedanese olie en pijpleidingen in handen kunnen krijgen.

China doet zijn voordeel met de patstelling in de strijd tussen Frankrijk en VS om een sterke positie op de Soedanese olievelden. Vanwege die positie van China kunnen de doelstellingen van de VS enkel gerealiseerd worden mits een totale omverwerping van de regering van Al Bachir en de installatie van een regime dat bereid is de belangen van de VS te dienen. De poging tot staatsgreep op 24 september was het werk van agenten die dicht bij Al Turabi en de JEM staan. Zelfs als de coup aanvankelijk succesvol was geweest, is het zeer onwaarschijnlijk dat Al Turabi de macht zou hebben kunnen vasthouden gezien de vijandigheid van het volk jegens hem in de hoofdstad. De Amerikaanse regering zou hem evenmin hebben kunnen steunen vanwege de associatie met Bin Laden en zijn reputatie als Islamitisch fundamentalistische leider. Washington is bereid verdere aanvallen van de JEM in Darfoer aan te moedigen op dit ogenblik, om zo moeilijkheden te creëren voor het huidige regime. Maar Amerikaanse steun aan de JEM kan niet verder gaan dan dat.

Momenteel is de geheime dienst van de VS aan het proberen te rekruteren in de legertop en bereiden ze in de VS een team voor dat bestaat uit omgekochte burgeragenten van Soedanese afkomst. Wegens de huidige situatie in Irak is het niet erg waarschijnlijk dat de VS een volledige militaire interventie in Soedan kan organiseren. Daarom is het wel erg waarschijnlijk dat de Amerikaanse administratie haar best zal doen om de regering te doen wankelen van binnenuit, om vervolgens de VS te dwingen een ‘vredesmacht’ te sturen ter militaire bescherming van een ‘interim’ marionettenregime. Inmiddels zal de crisis in Darfoer gaande worden gehouden, als een handig excuus voor sancties tegen Soedan en om de aanwezigheid van buitenlandse troepen in de regio te versterken. De ‘scramble for Africa’ door de grootmachten gaat voort. De bevolking van Soedan en de rest van het continent betalen nog steeds de prijs: honger, ziekte en dood.

Tijdschrift Vonk

Vonk 292

Onze boeken

Onze boeken