Jarenlang werden de Arabieren als een achterlijk volk afgeschilderd. Vrijheid, democratie, het zou allemaal niets voor hen zijn. Toen brak de Arabische revolutie uit. De dictators Ben Ali en Mubarak werden afgezet. De ‘achterlijke’ Arabieren in de gehele regio kwamen in opstand. Dat was moeilijk te bevatten voor veel cynische moslim- en Arabierenhaters. Echter, ze hebben een nieuwe mythe de wereld in gebracht. Die van de ‘Arabische Winter’.

“Ze hebben gewoon dictaturen nodig, die Arabieren. En als er dan toch dictaturen zijn in de Arabische wereld, dan liever pro-westerse. Dan wordt het gevaar van islamitisch fundamentalisme tenminste ingedamd...”

Dit soort gedachten hoorde men veel van de rechterzijde en de verdedigers van het buitenlandse beleid van de VS en de EU. Zij kregen het dan ook zeer benauwd toen de Tunesiërs in opstand kwamen en Ben Ali werd afgezet. Uitzondering misschien? Tunesiërs zijn relatief hoog opgeleid, in Egypte is een revolutie onmogelijk. Toen werd Mubaraks regime omvergeworpen. “De Moslimbroeders zitten achter deze samenzwering”, riepen de anti-islamitische fanatici. Helaas voor hen zijn revoluties niet het gevolg van samenzweringen, maar van spanningen die zich geleidelijk in de maatschappij opbouwen.

Voor de marxisten kwam de Arabische revolutie dan ook niet als een verrassing. Hoewel de frustratie jarenlang onder de oppervlakte bleef, kwam deze soms naar boven, zoals in de grote staking in de textielfabrieken van Mahalla in Egypte in 2007 en de massaprotesten tegen de Israëlische aanval op Gaza in de gehele Arabische wereld in 2009. De Arabische regeringen probeerden deze betogingen te kapen en te gebruiken als uitlaatklep. Dat nam niet weg dat de protesten tegen de Israëlische acties tevens een protest tegen de eigen regeringen werden. De woede van de Arabische massa’s is gericht tegen dictatoriale onderdrukking, corruptie, (jongeren-)werkloosheid en hoge voedselprijzen.

Arabische winter? Of slechts de eerste fase van de revolutie?

De commentatoren die willen bewijzen dat er een Arabische winter is begonnen, baseren zich op de toegenomen invloed van de islamisten in Tunesië, Egypte en Libië, en de aanvallen tegen koptische christenen in Egypte. Dit zou het bewijs moeten zijn voor een ‘Arabische winter’, een jarenlange heerschappij van middeleeuwse krachten in de Arabische wereld.

Wie echter de ontwikkelingen beter bekijkt, ziet dat de macht van de islamisten eerder het gevolg is van het gebrek aan een links alternatief dan een werkelijke macht die gebaseerd is op ‘islamitische achterlijkheid’. In Tunesië is het zo dat de islamistische Ennahda de grote winnaar is geworden bij de parlementsverkiezingen. Ondanks berichten in de media was de werkelijke opkomst bij de parlementsverkiezingen laag. Veel kiezers hadden geen vertrouwen in de partijen. De seculier-linkse partijen scoorden slecht, wat voor veel van hen het logische gevolg is van jarenlange steun aan de dictatuur van Ben Ali. Hun programma was voornamelijk gericht op ‘seculariteit’ en anti-islamisme. Zij presenteerden niets wezenlijk en aantrekkelijk rond sociaal-economische thema’s, terwijl Ennahda dat in enige mate wel deed. Ondanks dit is Ennahda een conservatief-burgerlijke partij, die de problemen van de massa’s niet kan oplossen. Partijleider Gannouchi is met Britse hulp teruggekeerd naar Tunesië, met garanties dat de buitenlandse investeringen veilig zijn. Hoewel zijn partij veel nadruk legt op islamitische normen en waarden als afleiding voor de bevolking, zullen er waarschijnlijk geen maatregelen genomen worden die westerse toeristen afschrikken. Hoewel de situatie nu op het eerste gezicht stabiel lijkt, zal deze dat niet zijn zolang de maatschappelijke problemen niet opgelost worden. Men moet echter niet vergeten dat de vakbonden een belangrijke rol hebben gespeeld in de revolutie. Als het voor de werkende bevolking duidelijk wordt dat Ennahda niets te bieden heeft, kan er groot verzet tegen de regering door de bonden geleid worden. Dit verklaart waarom sinds de val van Ben Ali en na de verkiezingen het aantal protestacties en stakingen exponentieel is gestegen. Op 12 maanden tijd werden er 22.000 protesten opgetekend en werden er door stakingen een totaal van 600.000 werkdagen verloren.

Het Franstalige Afrikaanse weekblad Jeune Afrique, maakt een scherpzinnig analyse van de toestand na de verkiezingen: “Zodra de revolutionair euforie was teruggevallen na de eerste democratische verkiezing in de geschiedenis van het land, splitste de bevolking in twee. Niet tussen seculieren en islamisten (…) maar eerder tussen armen en rijken, tussen diegenen die aan de ene kant overtuigd zijn dat de revolutie tot een einde is gekomen met de val van het Ben Ali-systeem en democratische verkiezingen en anderzijds de voorstanders van de verderzetting van de revolutie. Deze laatste vindt men terug onder de jeugd die zwaar wordt getroffen door de endemische werkloosheid (800.000 werklozen op een actieve bevolking van 3,5 miljoen mensen).” (Jeune Afrique 21/2/2012)

De situatie in Egypte heeft enige parallellen met die Tunesië. De Moslimbroederschap heeft in feite helemaal geen ‘monsterzege’ gehaald. De opkomst was ook hier laag, ongeveer de helft van de stemgerechtigde bevolking. Daarnaast was het verkiezingsstelsel zeer ingewikkeld gemaakt, op een manier waarbij de Moslimbroederschap een groot voordeel had over de andere partijen. Deze partij werd ooit gesteund door het Amerikaans imperialisme, als tegenwicht tegen de linkse nationalist Nasser. Onder Nassers opvolgers Sadat en Mubarak speelde de partij de rol van een loyale oppositie. Terwijl Sadat en Mubarak de welvaartsstaat afbouwden, kon de Moslimbroederschap (gesteund door geld vanuit Saudi-Arabië en de Golfstaten) via allemaal netwerken van armen- en ziekenzorg de Egyptische massa’s opvangen.
De partij heeft bijna geen rol gehad in de mobilisatie van Egyptenaren naar het Tahrirplein, en heeft zich vaak tegen verschillende demonstraties uitgesproken die voor (zoals de startbetoging van de Egyptische revolutie op de Dag van de Politie op 25 januari omdat er respect moest worden getoond voor dit korps) en na de val van Mubarak waren georganiseerd. Ze heeft achter de schermen een broze deal gesloten van machtsdeling met de Hoge Militaire Raad (SCAF). De partij is net als Ennahda een burgerlijke partij. Er zijn veel zakenmannen aangesloten en de partij zal geen maatregelen invoeren die het toerisme kunnen schaden. De Broederschap doet een onmogelijke spreidstand tussen haar bondgenootschap met de legertop en de overblijfsels van het oude regime aan de ene kant en de sociale en democratische verwachtingen van haar volkse achterban aan de andere kant. Vroeg of laat gaat de volkse en arme achterban zijn vertrouwen verliezen en in actie komen tegen die partijen waarvoor ze hebben gestemd.

Er zijn echter ook salafisten actief in Egypte. Deze extremisten werden echter altijd gesteund door de geheime diensten onder Mubarak, en worden dat nog steeds door Mubaraks opvolgers in de Militaire Raad. De mensen die zogenaamd opkomen voor de Kopten en stellen dat ze veilig waren onder Mubarak, vergeten de bomaanslag op 1 januari 2011 op een kerk in Alexandria en vele eerdere aanvallen op de koptische gemeenschap.

Moslims en kopten stonden echter samen op de barricades tijdens de protesten tegen Mubarak. Terwijl moslims hun gebed deden, stonden de kopten paraat om de biddende moslims te beschermen, en omgekeerd. Dat is dan ook de reden dat er na de val van Mubarak zoveel aanvallen zijn uitgevoerd op de Kopten, op initiatief van de geheime diensten. Het is simpelweg een verdeel-en-heersstrategie. Het doel is wanorde te creëren zodat de Militaire Raad haar macht terug kan krijgen. Om dezelfde redenen zagen we eerder een serie mysterieuze bankovervallen, en de moordpartij in het voetbalstadion van de Ultra’s die zich in de eerste linie bevonden van de gevechten met de politie op het Tahrirplein tijdens de revolutie.

Zolang de maatschappelijke problemen in Egypte niet opgelost worden, zullen we een strijd tussen revolutie en contrarevolutie zien. De liberalen en sociaal-democraten in het Westen die dachten een geleidelijke overgang naar ‘vreedzame democratie’ te zien, zitten ernaast. Het liberale denken gaat altijd uit van verandering door geleidelijke evolutie, terwijl het altijd revoluties zijn die de geschiedenis voortdrijven. Wanneer een revolutie niet voltooid is, is er geen sprake van geleidelijkheid maar van een hevige strijd tussen revolutie en contrarevolutie. De islamofoben en andere sceptici die denken dat de opkomst van de islamisten de ‘ware aard’ van de Arabische bevolking laat zien, zitten er even ver naast. In een revolutie leren de massa’s snel. Elke regering die vandaag aan de macht komt in deze regio komt onmiddellijk onder enorme druk te staan van de massa’s en hun verwachtingen in deze wereld en niet de volgende… Wanneer blijkt dat de islamisten de grote problemen niet kunnen oplossen, komt er een moment dat zij hun steun verliezen. Dit proces is al begonnen in Tunesië en Egypte, maar ook in Marokko, waar de islamistische partij PJD in de regering de trouwe waakhond is geworden van het Koningshuis en de imperialistische belangen. Het aan de macht komen van rechtse, burgerlijke islamitische regeringen betekent daarom niet de dood van de revolutie. Ze bereiden eerder nieuwe opstanden voor.

Er is echter wel nood aan een links-socialistisch alternatief. Zolang dit er niet is, kunnen allerlei krachten het vacuüm opvullen en zullen tijdelijke nederlagen onvermijdelijk zijn

In welke fase zit de revolutie?

Een revolutionair proces volgt nooit een rechtlijnig pad.  Elke revolutie kent verschillende fases. De eerste fase is deze van de euforie na de val van de gehate dictators Alles lijkt dan mogelijk, alles lijkt dan ook gewonnen. Dan volgt het besef dat er niet veel is veranderd en dat de revolutie werd verraden en de massa’s werden bedrogen met ronkende woorden. Dit bewustzijn start dikwijls bij de jongeren. Zij zeggen dat de revolutie moet voortgezet worden of dat er een tweede revolutie moet komen. Het is duidelijk dat de Arabische revolutie nog gedeeltelijk in deze beginfase zit. Maar de tweede fase is ook al gestart. In Tunesië en Egypte zijn de dictators afgezet, terwijl de staatsapparaten verder grotendeels hetzelfde zijn gebleven. Door deze strijd zijn echter wel meer democratische rechten afgedwongen. Dit heeft ervoor gezorgd dat de vakbewegingen en andere progressieve krachten in deze landen veel mogelijkheden tot organisatie hebben gekregen. Nog veel belangrijker is het dat de massa’s in de gehele Arabische wereld weten dat de dictaturen niet onoverwinnelijk zijn, en dat deze omvergeworpen kunnen worden door massa-actie. Jarenlang bestond de enige strijd tegen de dictaturen enerzijds uit terreuracties, anderzijds uit het werk van ngo’s die met zeer veel moeite enkele hervormingen teweeg proberen te brengen. Massa-actie heeft in één jaar veel meer bereikt dan al het terrorisme en het werk van de ngo’s in de voorafgaande decennia bij elkaar opgeteld.

Ondanks dat er nog veel Arabische landen zijn waar de dictatoriale regeringen nog overeind staan, heeft de revolutionaire actie in bijna alle landen tot grote hervormingen geleid.

Deze ‘democratische fase’ heeft echter ook haar limieten, wat duidelijk werd in Libië en Syrië. Gaddafi had in verschillende delen van Libië nog een massabasis, vanwege progressieve hervormingen die in het verleden bereikt waren op basis van een genationaliseerde planeconomie. Simpelweg oproepen tot de formatie van een democratie kan dan niet genoeg zijn om mensen over te halen tot de kant van de opstand. Dit werd nog eens gecombineerd met het feit dat de leiders van de Nationale Overgangsraad oude handlangers van Gaddafi waren, die een deal met het Westen sloten en de NAVO binnenhaalden. Op deze manier raakten revolutie (de volksopstand van Benghazi bijvoorbeeld) en contrarevolutie (de buitenlandse militaire inmenging) vermengd, wat de situatie zeer complex maakte. De val van Gaddafi zorgde echter wel voor een situatie waarin er ruimte is ontstaan om zich zelfstandig te organiseren. Een goed voorbeeld daarvan zijn de oliearbeiders die gestaakt hebben voor de verwijdering van Gaddafi’s handlangers uit het management van de olie-industrie.

In Syrië is er een soortgelijke situatie. In het verleden zijn er op basis van een genationaliseerde planeconomie veel progressieve hervormingen  en een verhoging van de levensstandaard doorgevoerd, dus zijn er nog vele groepen niet bereid om tegen Assads regime te strijden. Simpelweg ‘democratie’ is niet voldoende voor hen. Veel alawieten en christenen vrezen voor sektarisch geweld zoals in Irak. De mogelijkheid is er dus dat door gebrek aan steun de Syrische revolutie door het geweld onderdrukt wordt. De Syrische opstandelingen kunnen enkel winnen als zij een duidelijk politiek programma hebben van hoe zij de sociale problemen voor alle Syriërs gaan oplossen.

In geen enkel Arabisch land is er nog een duidelijk socialistisch alternatief. Hierdoor wordt de Arabische revolutie een lang proces met ups en downs. Het wordt zeker geen lange ‘winter’.

Sommige sceptici die vergelijkingen met de ‘islamitische revolutie’ in Iran maken, vergeten twee dingen. Ten eerste, de Iraanse revolutie van 1979 was geen ‘islamitische revolutie’, maar een arbeidersrevolutie tegen de Sjah. De linkerzijde had alle mogelijkheden om aan de macht te komen, maar droeg deze over aan Khomeini. Dit betekende echter niet het einde. Het duurde tot 1983 voordat Khomeini’s regime geconsolideerd was. Wat we hiervan kunnen leren is dat het niet de ‘islamitische aard’ van de bevolking was die Khomeini aan de macht bracht, maar de grote fouten van de linkse partijen. Zij steunden Khomeini als ware hij ‘progressief’ en ‘anti-imperialistisch’. Op deze manier kreeg Khomeini tijd om de contrarevolutie te organiseren en zijn macht te consolideren. Toen de grote linkse partijen dat door kregen, was het al te laat. Dit heeft zeer slechte gevolgen gehad voor alle progressieve krachten in Iran. Velen hebben het met de dood moeten bekopen. Ten tweede is het zo dat de Iraanse revolutie plaatsvond aan het einde van een revolutionair tijdperk. Dit tijdperk begon in 1968 in Frankrijk, Mexico en Pakistan, en eindigde begin jaren ’80. Vandaag de dag staan we juist aan het begin van een revolutionair tijdperk. Naast de Arabische revolutie hebben we de Indignado’s gezien, Occupy Wallstreet en massaprotesten in Griekenland en Israël. Dit is slechts het begin. We zullen nog veel meer zien als gevolg van de impasse waar het noodlijdende kapitalistische systeem de wereld in heeft gebracht.

De strijd gaat voort

Er is geen sprake van een Arabische winter. De conservatieven en sceptici die dit beweren snappen niets van hoe revoluties werken. Het zijn geen ‘samenzweringen’, maar processen met ups en downs. Een aantal van deze lieden is quasi-racistisch over Arabieren of moslims in het algemeen. De Arabische massa’s strijden echter gewoon verder. Zij zullen wel moeten. Democratie of hervormingen lossen op zichzelf niets op. Uiteindelijk zullen zij zich daarvan bewust worden. Het is het gehele systeem dat niet deugt. Als kapitalisme zelfs in het rijke Europa en Amerika enkel nog maar bezuinigingen en afbraak kan betekenen, hoeveel voordeel heeft het dan voor de veel minder ontwikkelde Arabische wereld?

Er is in de Arabische landen nood aan een links alternatief, een revolutionaire partij met een socialistisch en internationalistisch programma. Een programma dat democratisch is, dus voor gelijke rechten, een einde aan censuur enzovoort. Maar tevens moet het programma socialistisch zijn, dus staan voor de nationalisatie van de grondstoffen, banken en grote bedrijven onder democratische controle van de werknemers. Met het oplossen van de werkloosheid en de hoge prijzen zou dit een groot voorbeeld zijn voor de gehele regio. Met een internationalistisch programma kan er gestreefd naar worden om de kunstmatige koloniale opdeling in verschillende landen (ooit door de Britten en Fransen) ongedaan te maken en de Arabische landen te verenigen tot een socialistische federatie van het Midden-Oosten.

Tijdschrift Vonk

Vonk 292

Onze boeken

Onze boeken