Wat wil het marxisme?

Marxisten strijden voor een nationale en internationale socialistische omvorming van de maatschappij. Wij geloven dat de historische rol van het kapitalistische systeem uitgespeeld is en dat het kapitalisme gedegenereerd is tot een systeem van monsterlijke onderdrukking, onmenselijkheid en onrechtvaardigheid. De eerste stap in de richting van een nieuwe en hogere samenlevingsvorm is het beëindigen van de uitbuiting en het creëren van een harmonieuze socialistische wereldorde, gebaseerd op een rationele en democratische planeconomie.

Wij geloven dat het de taak van elk menselijk individu is om strijd te voeren tegen het kapitalisme, een systeem dat ellende, ziekte, onderdrukking en uitbuiting met zich meebrengt voor miljoenen mensen in de hele wereld. We zijn dan ook enthousiast over de deelname van elk progressief individu, ongeacht nationaliteit, huidskleur of geloof. We verwelkomen de mogelijkheid om de dialoog aan te gaan met christenen, moslims en andere groepen.

Om de strijd tegen de kapitalistische wereldorde efficiënt te voeren is het echter noodzakelijk een ernstig programma en perspectief uit te werken. Wij geloven dat enkel het marxisme zo’n perspectief kan bieden. Het vraagstuk van de religie is complex en kan benaderd worden van een aantal verschillende standpunten: historisch, filosofisch, politiek enzovoort. Het marxisme ontstond als een filosofie: het dialectisch materialisme. Een goede verklaring van deze filosofie kan men vinden in geschriften zoals Engels’ ‘Anti-Dühring’ en ‘Ludwig Feuerbach’, en een actuele uitwerking van dezelfde ideeën kan men terugvinden in ‘Reason in Revolt, Marxist philosophy and modern science’ [Geschreven door Alan Woods en Ted Grant, te verkrijgen bij de redactie van Vonk, n.v.d.r.].

Filosofisch materialisme en de wetenschap

Marxisten baseren zich op het filosofisch materialisme dat het bestaan van elke bovennatuurlijk wezen of alles wat ‘buiten’ of ‘boven’ de natuur staat, verwerpt. Er bestaat eigenlijk geen reden voor zo'n verklaring van het leven en het universum, zeker niet vandaag. De natuur verschaft haar eigen verklaringen en ze verschaft deze in overvloed. De wetenschap heeft aangetoond dat de mensheid zich, zoals elke andere soort, gedurende miljoenen jaren heeft ontwikkeld, en dat het leven zelf uit anorganische materie is geëvolueerd. De hersenen kunnen niet zonder een centraal zenuwstelsel functioneren, en dit zenuwstelsel kan niet bestaan zonder materieel lichaam, bloed, beenderen, spieren enzovoort. Het lichaam moet onderhouden worden door voedsel uit de materiële omgeving. De recente ontdekkingen in de genetica – the human genome project – hebben het materialistische standpunt onweerlegbaar versterkt. De onthulling van de lange en complexe geschiedenis van het menselijke genoom heeft voor een uitbarsting van discussies gezorgd over de aard van de mens.

Het is dus bijna niet te geloven dat in het eerste decennium van de 21ste eeuw de ideeën van Darwin verworpen worden door de zogenaamde creationistische beweging in de Verenigde Staten. Deze beweging ijvert ervoor dat Amerikaanse schoolkinderen leren dat God de wereld in zes dagen geschapen heeft, dat de man uit stof en as gemaakt is en de vrouw uit één van zijn ribben, conform het boek Genesis. De laatste ontdekkingen hebben echter de nonsens van het creationisme definitief aangetoond. Het onderzoek naar het menselijk genoom heeft de bewering dat elke soort apart geschapen werd en dat de mens met zijn eeuwige ziel het summum van de schepping was, definitief naar het rijk der fabelen verwezen. Men heeft nu immers aangetoond dat mensen geen unieke wezens of schepsels zijn. De resultaten van het project tonen juist dat we onze genen met andere soorten delen en dat we zijn wie we zijn mede dankzij deze oude genen. Mensen delen hun genen met andere soorten die vandaag zelfs al van de aardbodem verdwenen zijn. Een klein deel van deze gezamenlijke genetische erfenis, zo’n tweehonderdtal genen, gaat zelfs terug op primitieve organismen zoals bacteriën. In vele gevallen hebben mensen dezelfde genen als ratten, muizen, katten, honden en fruitvliegjes. Op deze manier is het laatste, fundamentele bewijs voor de evolutietheorie geleverd. We hebben geen goddelijke tussenkomst nodig om het bestaan en de ontwikkeling van het leven te verklaren.

Een leven na de dood?

Ondanks de wetenschappelijke vooruitgang heeft de religie nog steeds een grote vat op miljoenen mensen. Religie geeft mensen immers in vele gevallen de troost van een leven na de dood. Filosofisch materialisme ontkent echter de mogelijkheid van een leven na de dood. De menselijke geest, ideeën en ziel zijn slechts producten van gestructureerde materie. In een zeker stadium komt organisch leven voort uit anorganisch leven, en eenvoudige vormen van leven zoals bacteriën, eencelligen enzovoort, evolueren tot meer complexere organismen met een ruggengraat, een centraal zenuwstelsel en hersenen.

Het verlangen naar het eeuwige leven is op zijn minst zo oud als de beschaving, misschien zelfs nog ouder. Iets in ons wezen verwerpt het idee dat het ‘ik’ op een bepaalde dag zal ophouden met leven. Dit is heel begrijpelijk: het opgeven van deze wonderlijke wereld vol zon en bloemen – de waaiende wind, het geluid van water, het gezelschap van geliefden – om weg te zakken in een oneindig rijk van ‘niets’ is heel moeilijk te begrijpen, laat staan te aanvaarden. De mens zocht dus al in vroege tijden naar een denkbeeldige eenheid met een niet-materiële wereldgeest waar hij in voort kon leven. Het leven na de dood was een van de sterkste boodschappen van het christendom. Het probleem is dat het leven dat door een meerderheid van mensen in deze samenleving geleid wordt vaak zo hard, zo ondraaglijk en zo zinloos is, dat het idee van een leven na de dood soms de enige manier is om er zich bij neer te leggen. Later zullen we op deze belangrijke kwestie terugkomen. Laten we ondertussen de precieze betekenis van het leven na de dood analyseren. We zullen zien dat dit idee geen serieuze analyse doorstaat.

Dit probleem werd reeds lang geleden erkend door onder andere de Griekse neoplatonist Plotinus, die over onsterfelijkheid zei: “Je kan er niet over praten, want als je er iets van zou zeggen dan maak je het tot een specifiek feit.” Hetzelfde idee vindt men in Indiase teksten over de ziel: “Het zelf moet beschreven worden als ‘Nee, Nee’ (neti, neti). Het is onbevattelijk, omdat het niet begrepen kan worden.” (A.C. Bouquet, Comparative Religion, p. 162.) Voor filosofen en theologen is de ziel dus een “nacht waarin alle koeien zwart zijn” zoals Hegel stelde. Nochtans spreken in het alledaagse leven mensen die slechts weinig of soms helemaal geen onderwijs genoten hebben met grote zekerheid over de ziel en het leven na de dood. Ze denken bijvoorbeeld dat sterven is zoals wakker worden na een diepe slaap en dat ze dan herenigd zullen worden met hun verloren geliefden om daarna voor eeuwig gelukkig te leven.

De ziel schijnt immaterieel te zijn. Maar wat is leven zonder materie? De vernietiging van het fysieke lichaam van een wezen betekent tevens het einde van het leven van dat individueel wezen. Het is inderdaad waar dat de miljoenen atomen die het lichaam vormen niet zomaar verdwijnen, maar voortbestaan in andere combinaties. In die optiek zijn we onsterfelijk, aangezien materie niet gecreëerd of vernietigd kan worden. Bepaalde spiritisten beweren stemmen te horen hoewel er geen fysieke wezens aanwezig zijn. Als ze echter een stem horen, dan moet die stem bestaan uit geluiden – geluidsgolven meer specifiek – die door een bepaalde materiële actie (bijvoorbeeld trillende stembanden) worden opgewekt. Probeer zoveel je wil, je kan geen enkele manifestatie van ons menselijk leven en van onze menselijke activiteiten scheiden van het materiële lichaam.

De alledaagse idee van een ‘leven na de dood’ is min of meer een voortzetting van ons huidig leven hier op aarde. Nadat de ziel het lichaam is ontvlucht, wordt zij blijkbaar wakker in een prachtig land waar ze zich op wonderbaarlijke manier met haar geliefden herenigt. Daar zal de ziel een leven van eeuwige vreugde leiden. Voor ziekte en ouderdom is er geen plaats. Het is echter voldoende om de vraag naar het ‘leven na de dood’ wat concreter te stellen om te zien dat dit onmogelijk is. Als we alle zaken die het leven op aarde de moeite maken – goed eten en drinken, zingen, dansen, omhelzen, de liefde bedrijven, de natuur bewonderen enzovoort – in gedachten nemen, dan wordt het onmiddellijk duidelijk dat al deze activiteiten onlosmakelijk verbonden zijn met het lichaam en zintuigen. Ook meer ‘mentale’ bezigheden zoals praten, lezen, schrijven en denken zijn verbonden met fysieke organen. Hetzelfde gaat op voor ademhalen of gelijk welke andere activiteit die een aspect is van wat wij ‘leven’ noemen.

Een bestaan waarin alle lijden en pijn afwezig zijn, zou overigens ook ondraaglijk zijn voor mensen. Een wereld waarin alles wit is, zou eigenlijk hetzelfde zijn als een wereld waarin alles zwart is. Pijn heeft, vanuit een strikt medisch standpunt, een belangrijke functie. Het is niet gewoon een kwaal, maar een signaal van het lichaam om aan te duiden dat er iets mis is met de gezondheid. Pijn maakt deel uit van het menszijn. Pijn en genot zijn zelfs dialectisch met elkaar verbonden. Zonder het bestaan van pijn zou genot niet kunnen bestaan. Don Quichote verklaarde aan Sancho Panza dat honger de beste saus is. Evenzo rusten we beter na een krachtige inspanning.

Op dezelfde manier is de dood een integraal deel van het leven. Men kan ‘leven’ niet bevatten zonder ‘dood’. We beginnen te sterven het moment dat we geboren worden, aangezien het fenomeen van ontwikkeling, groei en ouderdom enkel het afsterven is van miljoenen oude cellen en de vervanging door triljoenen nieuwe cellen. Zonder dood zou er geen leven zijn, geen groei, geen verandering, geen ontwikkeling. De poging om de dood uit het leven te bannen – alsof deze twee zaken gescheiden kunnen worden – is dus een poging om de staat van absolute onveranderlijkheid, een statisch equilibrium te bereiken. Dit is echter gewoon een andere omschrijving voor… de dood. Er kan immers geen leven zijn zonder verandering en beweging.

Welk kwaad schuilt er in het geloof in een leven na de dood? Weinig, zou men op het eerste gezicht zeggen. Is het echter niet onverantwoord om mensen aan te moedigen om hun levens op te bouwen rond een illusie? Als we alle illusies achter ons laten en de wereld zien zoals ze werkelijk is, en onszelf zoals we werkelijk zijn, dan pas kunnen we de noodzakelijke kennis vergaren om de wereld en onszelf te veranderen. Wie we zijn als individuele persoonlijkheden is vast verbonden met ons materieel lichaam en onze omgeving, en onze persoonlijkheid leidt geen bestaan op zich. We worden geboren, we leven en we sterven, net zoals alle andere levende organismen in het heelal. Elke generatie moet zijn leven leven en dan plaats maken voor de volgende, nieuwe generaties wiens lot is onze plaats in te nemen. De ambitie om eeuwig te leven is uiteindelijk egoïstisch en onrealistisch. In plaats van te streven naar een niet bestaande ‘andere wereld’, een hemel of nirvana, is het nodig om te streven naar een betere wereld hier op aarde. Voor het grootste deel van de mensen die in deze wereld geboren worden is de belangrijkste vraag niet of er een leven is na de dood, maar voor de dood.

De wetenschap dat dit leven vergankelijk is, dat wij en onze geliefden hier niet altijd zullen zijn, mag geen oorzaak zijn van wanhoop, maar moet ons daarentegen inspireren met een passionele liefde voor het leven en een verlangen om het leven voor iedereen beter te maken. We weten dat elke bloem ontluikt om te verwelken en juist de vergankelijkheid van de bloem toont haar tragische schoonheid. Maar elke lente bloesemt de natuur opnieuw in alle frisheid, en de eeuwige cyclus van geboorte en dood, die de essentie is van alle leven, geeft het leven haar bitterzoete smaak. Die komedie en tragedie, lach en traan maken van het leven juist de rijke mozaïek van menselijke gewaarwordingen en sensaties dat het is. Dit is ons onvermijdelijke lot als menselijke wezens. We zijn immers mensen, geen goden, en we moeten onze menselijke aard aanvaarden. In vergelijking met goden hebben we het nadeel dat we sterfelijk zijn. Maar ons groot voordeel is dat we echt bestaan in vlees en bloed, terwijl zij enkel lichaamsloze verzinsels van onze verbeelding zijn.