S&V: na de ontmaskering, tijd voor de grote bezemzwiep
Een onderzoeksreportage en 40 minuten, zoveel was er nodig om het gehypte extreem-rechtse studentengroepje Schild & Vrienden (S&V) in het nauw te drijven. Dit is het uitgelezen moment om er een schepje bovenop te doen en extreem-rechts van de campussen te verjagen. Verkondig je anti-racisme luid en duidelijk. Strijd luid en duidelijk voor een socialistische samenleving, die de voedingsbodem van deze verwerpelijke groeperingen naar de vuilbak van de geschiedenis kan verwijzen.
Lees verder
De economische theorie van Marx en de toekomst van de marxistische economie
Lees verder
Hoe strijden tegen alle vormen van onderdrukking?
Racisme, homofobie, islamofobie, vrouwendiscriminatie, zijn allen vormen van onderdrukking die ondanks alle ‘vooruitgang’ blijven bestaan in onze maatschappij. Wat er ook was gewonnen aan rechten op deze vlakken, en het was dan nog ruimschoots onvoldoende, komt vandaag op de helling te staan. De laatste jaren is er op deze terreinen een tegenreactie op gang gekomen.
Lees verder
Klimaatchaos, het kapitalisme treft schuld
De temperaturen blijven stijgen en de kapitalisten kunnen enkel machteloos toekijken. In laatste instantie is hun systeem verantwoordelijk voor deze vernietigende chaos.
Lees verder
  • 1
  • 2
  • 3
  • 4
  • S&V: na de ontmaskering, tijd voor de grote bezemzwiep
  • De economische theorie van Marx en de toekomst van de marxistische economie
  • Hoe strijden tegen alle vormen van onderdrukking?
  • Klimaatchaos, het kapitalisme treft schuld

 

Half september zal bovenstaande titel van onder meer Het Laatste Nieuws menig lerarenlokaal beroerd hebben. Want mogen wij dan wel klagen over onze werklast? HLN kopte in elk geval: “Onderwijspersoneel hoeft volgens OESO niet te klagen.”

 

HLN en enkele andere kranten haalden hun mosterd bij een nieuwe studie van de OESO, meer bepaald bij de voorstelling van het rapport door OESO-expert Dirk Van Damme op het kabinet van minister Crevits. Education at a glance 2017 gaat wel over veel meer dan leerkrachten. Het is een brede studie over de staat van het onderwijs in 34 OESO-landen en enkele partnerlanden. Dat HLN net dat deeltje eruit pikt, is veelzeggend. De website van ATV kopte daarentegen ‘Steeds meer Vlamingen halen diploma secundair onderwijs en hoger onderwijs’ en rept met geen woord over de ‘goedbetaalde Vlaamse leerkrachten’. Het is maar wat je wil beklemtonen.

 

Dat dergelijke titels het bedje spreiden voor een besparingsbeleid hoeft geen betoog. Van Damme heeft blijkbaar zelf de voorzet gegeven: “De schoolloopbaan van een kind in Vlaanderen, van zijn 6 tot 18 jaar, kost de belastingbetaler gemiddeld meer dan 125.000 euro. Dat is aanzienlijk meer dan het OESO-gemiddelde van 103.000 euro. Onze onderwijsuitgaven stegen tussen 2008 en 2014 sneller dan het bnp. Een erg groot deel van die onderwijsuitgaven gaat naar salarissen: 87% in het basisonderwijs en 89% in het secundair onderwijs. Daardoor blijft in ons land maar zeer weinig geld over voor didactische middelen, innovatie of het onderhoud van schoolgebouwen.” (HLN 13/09/17) De logische conclusie lijkt dan ook: het aperte gebrek aan middelen is een gevolg van de salarissen – en niet van onderinvestering door de overheid. Toch? En dus mogen ze bij een volgende besparingsronde wel wat extra uren van ons eisen en wie weet zelfs wat rechtstreeks beknibbelen op de lonen.

 

Herformuleren

 

Nochtans schuilt er een gevaar in zulke internationale vergelijkingen. Ze dienen vaak een race to the bottom. Terwijl we de redenering natuurlijk ook kunnen omkeren. Volgens HLN “eindigt Vlaanderen in de top 4 van duurste landen of regio's.” Wij zijn geneigd om te zeggen dat Vlaanderen de top 4 van best betalende landen of regio’s heeft gehaald. Dat is toch goed? Met het aantal gepresteerde lesuren “bengelen we onderaan de lijst”, aldus HLN. In een geest van vooruitgangsoptimisme zouden wij evengoed kunnen stellen dat wij bovenaan de lijst minst gepresteerde lesuren prijken. Dat andere landen daar maar eens een voorbeeld aan nemen en hun leerkrachten wat beter soigneren!

 

In de vergelijking zijn overigens landen opgenomen zoals Colombia, Turkije, Mexico, Tsjechië enzovoort, naast de ons omringende landen. Het zou maar erg zijn als wij op het vlak van welvaart en welzijn bij de middenmoot eindigen. Zoals Marc Vandepitte terecht schrijft in een opinie op DeWereldMorgen.be: “Wat de verloning betreft. De vergelijking met andere landen is zo goed als nietszeggend. Voor ongeveer elke beroepscategorie in België ligt het inkomen hoger dan het gemiddelde van de OESO omdat nu eenmaal de welvaart in België hoger ligt dan het gemiddelde in de OESO. Moest dat bij de categorie leerkracht niet het geval zijn, dan was er iets grondig fout. Vergelijkingen van lonen tussen de landen hebben weinig of geen nut, het is veel zinvoller om de lonen (met inbegrip van alle voordelen) binnen een land te vergelijken met beroepscategorieën die een gelijkaardig diploma hebben. En dan zouden we wel eens een heel ander plaatje te zien kunnen krijgen. Maar daar zal de krant wel niet te veel over spreken.” (14/09/17)

 

Wanneer je de statistieken van de OESO bekijkt dan springt Vlaanderen er eigenlijk niet opvallend uit. De leerkrachtenlonen zijn goed maar niet abnormaal in vergelijking met de omringende landen, hoger dan in Frankrijk, maar lager dan in Nederland en Duitsland. (OESO-rapport p.374) De teneur van bepaalde artikels doet nochtans anders vermoeden.

 

Een snelle blik op het eigenlijke rapport had de journalisten ook voor een ander euvel kunnen behoeden – maar dat had dan geen titel vol onderbuikgevoel opgeleverd, datgene wat HLN in de eerste plaats doet verkopen. Bij de grafiek over het aantal gepresteerde lesuren (p. 378) valt op dat de meting van het jaar 2000 voor Vlaanderen significant hoger ligt dan de meting van 2015. Nochtans was er geen reële daling van het aantal lesuren sinds 2000. Het heeft dus alles te maken met de meting. Minister Crevits liet aan de website newsmonkey weten dat “men in Vlaanderen vanaf 2001 wettelijk heeft bepaald dat er 30 dagen zijn voor het inrichten van examens, deliberaties enzovoort. De OESO laat die 30 dagen of 6 weken buiten beschouwing, terwijl leraren dan natuurlijk ook aan het werk zijn. Dit verklaart de sterke daling die te zien is tussen 2000 en 2005 in het rapport van de OESO.” Op pagina 381 van het rapport vermelden de auteurs eveneens dat enige voorzichtigheid geboden is bij de interpretatie van deze cijfers aangezien “40 procent van de deelnemende landen de examens wel bij het aantal lesuren telt en een bijkomende 20 procent zegt dat ze tijd voor examens niet kunnen inschatten en uit de lesuren kunnen houden.” Dat is 60 procent van het totaal! De vergelijking zou er dus volstrekt anders uitzien. Voor de goede orde: het aantal gepresteerde lesuren van Vlaamse leerkrachten bevond zich in 2000 (en nu dus evengoed) op hetzelfde niveau als het huidige OESO-gemiddelde. In een land dat prat gaat op zijn welzijnsniveau is dat in feite een blaam, op de werkvloer makkelijk te constateren door het aantal burn-outs en langdurig zieken.

 

Het meest pijnlijke aan de framing van HLN is echter dat ze de belangrijkste conclusie van het rapport wat betreft leerkrachten volstrekt negeren en zelfs omdraaien. Niettemin staat het klaar en duidelijk al in een titel van de inleidende Executive Summary (p.24): “Achterblijvende salarissen en een verouderend personeelsbestand maken het beroep van leerkracht ziek.” Daaronder lezen we: “De lonen van leerkrachten zijn laag in vergelijking met voltijdse werknemers met een gelijkaardige opleiding. Dit is een doorslaggevend obstakel om jongeren aan te trekken tot lesgeven.” In vergelijking met andere landen doet België het op dat vlak redelijk goed. Dat is volgens de redenering van het rapport een pluspunt, geen handicap.