HomeTheorieGeschiedenisRevolutie en contrarevolutie in Spanje

Revolutie en contrarevolutie in Spanje

Op 17 juli 1936 riepen fascistische en monarchistische officieren in Noord-Afrika een militaire opstand uit tegen de republikeinse regering. Dit was echter het onvermijdelijke gevolg van een proces dat vijf jaar eerder was begonnen, toen de reactionaire Bourbon-monarchie viel als een overrijpe vrucht en de massa’s op 14 april 1931 de straat op gingen om de Republiek uit te roepen.

[Dit artikel werd in 2014 gepubliceerd, naar aanleiding van de nieuwe uitgave van Felix Morrow’s geschiedenis van de Spaanse burgeroorlog Revolution and Counter-Revolution in Spain. – N.v.d.r.]

De bourgeoisie was niet in staat de problemen van de Spaanse samenleving op te lossen. Net als de Russische bourgeoisie had zij zich te laat ontwikkeld om de progressieve rol te vervullen die de Franse bourgeoisie in de 18e eeuw had gespeeld. De republikeinse en liberale bourgeois leefden in angst voor de arbeiders en boeren die voor hun eigen eisen streden. Toen de Spaanse heersende klasse eenmaal begreep dat ze niet langer via ‘democratische ’middelen konden regeren, bereidden ze zich voor op de omverwerping van de regering.

Toen de fascistische officieren hun contrarevolutionaire opstand tegen de Republiek lanceerden, hielden ze opzettelijk de verspreiding van het nieuws tegen en weigerden ze de arbeiders te bewapenen. Dit was geen toeval. Het vloeide voort uit hun klassenstandpunt. De Republikeinse bourgeoisie was banger voor de arbeiders dan voor de fascisten.

Maar de overwinning van Franco was niet onvermijdelijk. Wat Spanje ontbrak, was de aanwezigheid van een werkelijk revolutionaire partij en een leiderschap dat bereid was tot het bittere einde te gaan. In Rusland werd die rol in 1917 vervuld door de Bolsjewistische Partij onder leiding van Lenin en Trotski. De tragedie van de Spaanse Revolutie was dat een dergelijke partij niet bestond. Op het moment van de waarheid verraadden alle bestaande leiders de revolutie en leverden ze de arbeiders en boeren over aan de genadeloze macht van de fascisten.

Het Volksfront

Tegenwoordig verwarren veel mensen ter linkerzijde het Volksfront met Lenins idee van een verenigd front. Dit is een zeer ernstige vergissing. In werkelijkheid heeft het Volksfront niets te maken met een verenigd front, een arbeidersfront of een links front. Het vertegenwoordigt een beleid van klassensamenwerking, waarbij de arbeiderspartijen ondergeschikt worden gemaakt aan de partijen van de liberale bourgeoisie. Lenin bracht het idee van een verenigd front oorspronkelijk naar voren als een gezamenlijk front voor actie tussen arbeiderspartijen (socialistische en communistische) tegen de burgerlijke partijen. Het waren de Mensjewieken, niet de Bolsjewieken, die een “democratisch” front bepleitten tussen de arbeiderspartijen en de partijen van de zogenaamde progressieve en liberale bourgeoisie – een beleid dat Lenin fel veroordeelde.

Het Volksfront in Spanje was niet gebaseerd op Lenins concept van “alle macht aan de Sovjets” maar op dat van de Mensjewieken en het had rampzalige gevolgen. In 1936 verenigden de socialisten en communisten zich, niet met de “progressieve bourgeoisie”, maar met de schaduw van de bourgeoisie. De echte kapitalisten, bankiers en landeigenaren waren aan het begin van de burgeroorlog grotendeels naar de kant van Franco gevlucht. De enige sociale kracht die overbleef om tegen het fascisme te vechten, waren de arbeiders en boeren. Na de overwinning van het Volksfront in 1936 kwam de arbeidersklasse, die door bittere ervaringen tussen 1931 en 1933 had geleerd de liberalen te wantrouwen, onmiddellijk in actie. Binnen enkele dagen voerden zij door middel van directe actie het programma van het Volksfront van onderaf uit. Er waren voortdurend conflicten tussen arbeiders en patroons. De boeren begonnen land in bezit te nemen en richten in veel delen van Spanje collectieven op. De reactie werd meer en meer gealarmeerd.

Achter de schermen, onder de bescherming van de Volksfrontregering, begon onmiddellijk de samenzwering van de generaals, monarchisten en fascisten. De Volksfrontregering ondernam geen actie tegen de fascistische legerofficieren. Hoe konden ze dat ook, als het de vernietiging van het staatsapparaat betekende waarop de heersende klasse steunde? Terwijl de regering niets deed, zetten de grote kapitalisten hun reservewapen in: de fascistische bendes tegen de arbeidersorganisaties, die ze van geld en wapens voorzagen. Als het aan de liberalen had gelegen, zouden de fascisten zonder slag of stoot hebben gewonnen.

Gelukkig namen de massa’s het heft in eigen handen. Toen de fascistische generaals probeerden hun oproep tot muiterij over het Spaanse vasteland uit te zenden, werd het bericht onderschept door de radio-operators van de Spaanse vloot. De bemanning lichtte het anker, seinde Madrid om de regering te waarschuwen en gooide hun officieren overboord. Het was de arbeidersklasse die de situatie redde. Socialistische, communistische en anarchistische milities en hun kameraden in het leger en de marine leidden het tegenoffensief tegen de fascistische aanval.

Hoe de Revolutie had kunnen slagen

De enige weg vooruit was te breken met de burgerlijke Republikeinen en een arbeidersregering te vormen, gebaseerd op de socialisten, communisten en de CNT. De enige manier om Franco te verslaan was door de militaire strijd tegen het fascisme te verbinden met de revolutionaire strijd voor de liquidatie van de economische dictatuur van de landeigenaren en kapitalisten.

Alle krachten van de oude maatschappij spanden samen om de heldhaftige beweging van de Spaanse arbeidersklasse te ondermijnen. Op het moment van de waarheid liepen ook de leiders van alle arbeidersorganisaties over naar het kamp van de kapitalistische klasse. Ze rechtvaardigden hun beleid van klassensamenwerking met het argument dat het fascisme bestreden moest worden, “voor de democratie”. De arbeiders begrepen de noodzaak om tegen het fascisme te vechten en de democratische rechten te verdedigen die ze hadden verworven in de strijd tegen de “republikeinse” werkgevers, bankiers en kapitalisten.

De bewapening van de arbeidersklasse en de oprichting van georganiseerde arbeiderscomités zouden van elke fabriek, arbeiderswijk en dorp een bolwerk van de revolutie en een geduchte weerstandsmacht tegen de fascisten maken. De arbeiders waren praktisch de enige gewapende macht. Ze namen de fabrieken over en de boeren trokken eropuit om het land in bezit te nemen. De massa’s waren de grenzen van de burgerlijke democratische revolutie allang voorbij en streefden instinctief naar de socialistische revolutie. Wat ontbrak was een revolutionaire partij en leiderschap. Maar wie kon dat bieden?

De rechtse socialisten onder leiding van Prieto en Besteiro stonden openlijk achter samenwerking met de republikeinse bourgeoisie. Maar ze zouden nooit succesvol zijn geweest zonder de steun van Largo Caballero en de linkervleugel van de Socialistische Partij. Als Caballero en de linkse socialisten een onafhankelijke positie hadden ingenomen, zou de hele situatie anders zijn geweest. Maar ze klampten zich vast aan de rechtervleugel, die zich op haar beurt weer vastklampte aan de republikeinen, die streefden naar een akkoord met de reactie en alles in het werk stelden om het verzet van de arbeiders te verlammen.

Revolutie in Catalonië

In juli 1936 redden de arbeiders van Barcelona Spanje van de fascisten. Toen het plaatselijke legergarnizoen zijn steun betuigde aan de fascistische opstand, kwamen de arbeiders spontaan in opstand. Ze grepen messen, stokken en oude jachtgeweren en gingen de straat op. Na een bloedig gevecht versloegen ze de fascisten. Op dat moment lag de macht in handen van de arbeidersklasse van Barcelona. De openbare diensten functioneerden naar behoren onder leiding van de vakbonden, die alle transportmiddelen, inclusief de Catalaanse spoorwegen en belangrijke industrieën hadden overgenomen.

Het oude leger werd effectief vernietigd en vervangen door arbeidersmilities. Dit waren de enige gewapende strijdkrachten die op het grondgebied van de Republiek bestonden. Het enige dat de arbeidersklasse ervan weerhield de macht te grijpen, was de leiding van hun eigen organisaties. De leiders van alle arbeiderspartijen – anarchisten, socialisten, communisten en zelfs de POUM – traden toe tot de burgerlijke volksfrontregering en vormden daarmee het grootste obstakel voor de revolutie.

En de anarchisten dan? De ’theorieën’ van het anarchisme zijn, zoals Trotski ooit opmerkte, als een lekkende paraplu – nutteloos juist wanneer het regent. De Spaanse Revolutie bewees de waarheid van deze woorden in een experimenteel stadium. Op het moment van de waarheid verraadden de anarchistische leiders elk principe van het anarchisme en het socialisme. Zelfs toen ze de macht in hun handen hadden, weigerden ze een arbeidersregering in Catalonië te vormen. Diezelfde leiders traden vervolgens toe tot de burgerlijke regering, juist op een moment dat het draagvlak voor zo’n regering was verdwenen.

De POUM (Arbeiderspartij van de Marxistische Eenheid) was een partij die, in woorden, een socialistisch beleid vertegenwoordigde. Maar het gebrek aan theoretische helderheid en de inconsistentie van Nin, Andrade en de andere voormalige trotskistische leiders van de POUM bleken fataal voor de arbeidersbeweging. In slechts zes weken tijd groeide de partij van om en bij de 1500 leden naar 30.000. Volgens sommige bronnen liep dit zelfs op tot 60.000 leden. Dat waren er in verhouding veel meer dan de bolsjewieken in de beginjaren van de Russische revolutie hadden.

De POUM omschreef zichzelf als marxistisch. De POUM-leden waren echter geen trotskisten, maar eerder centristen, dat wil zeggen een stroming die zich tussen reformisme en marxisme bevind. In plaats van een onafhankelijke klassenpositie in te nemen, sloten de POUM-leiders in Catalonië zich aan bij de anarchisten en traden ze toe tot de burgerlijke regering in Catalonië. Daarmee bereidden ze de weg tot hun ondergang voor door de stalinisten en verzekerden ze de nederlaag van de revolutie. Zelfs toen ze onder druk van de stalinisten uit de Volksfrontregering werden gezet, eisten ze heropname.

Grote delen van de CNT – met name de jongeren – walgden van het verraad van hun leiders en zochten een alternatief. Er ontstond interne verdeeldheid binnen de gelederen van de anarchistische arbeiders. De “Vrienden van Durruti” vertegenwoordigden een oprecht revolutionaire stroming die zich aan het losmaken was van het anarchisme en zich in de richting van het marxisme bewoog. Hadden de leiders van de POUM een werkelijk revolutionair beleid gevoerd, dan hadden ze de meerderheid van de CNT-activisten voor zich kunnen winnen. Maar het beleid van de POUM desoriënteerde de linkse arbeiders die naar hen uitkeken voor leiding. Door zich bij het Volksfront aan te sluiten, verspeelde de POUM-leiding de kans om dat alternatief te bieden.

Stalins buitenlands beleid

“Howard: Betekent deze uitspraak van u dat de Sovjet-Unie haar plannen en intenties om een wereldrevolutie teweeg te brengen in enige mate heeft laten varen?

Stalin: We hebben nooit zulke plannen of intenties gehad.

Howard: U beseft ongetwijfeld, meneer Stalin, dat een groot deel van de wereld al lange tijd een andere indruk heeft?

Stalin: Dit is het gevolg van een misverstand.

Howard: Een tragisch misverstand?

Stalin: Nee, komisch. Of misschien tragikomisch…”

(Roy Howard, Stalin-interview, Communistische Internationale, maart-april 1936.)

Stalin verlangde geenszins naar de overwinning van de socialistische revolutie in Spanje, maar was doodsbang dat een succesvolle socialistische revolutie in Spanje de macht van zijn bureaucratie zou ondermijnen en tot haar omverwerping zou leiden. De arbeiders van Rusland waren enthousiast over de revolutie in Spanje, die hen meer in beroering bracht dan welke gebeurtenis dan ook sinds Stalins machtsovername. Het is geen toeval dat Stalin juist in deze periode de beruchte zuiveringsprocessen ontketende. De bloedige uitroeiing van iedereen die verbonden was met de democratische en internationalistische tradities van Lenin en de Oktoberrevolutie, was een eenzijdige burgeroorlog van de stalinistische bureaucratie tegen het bolsjewisme. Het was een preventieve aanval om het gevaar van een heropleving van een leninistische oppositie in Rusland, geïnspireerd door de Spaanse arbeidersbeweging, te voorkomen.

Onder Lenin en Trotski was het buitenlands beleid van de Sovjetstaat altijd ondergeschikt aan de belangen van de wereldwijde socialistische revolutie. Maar Stalin en de bureaucratische kaste die hij vertegenwoordigde, lieten zich leiden door puur nationalistische overwegingen. Ze wilden destijds de kapitalisten van Groot-Brittannië en Frankrijk tevreden stellen en een bondgenootschap tegen Duitsland smeden. Ze wilden dit niet verstoren met een revolutionaire uitbarsting die zich naar Frankrijk zou verspreiden en het wereldwijde politieke en sociale evenwicht volledig zou vernietigen. De zogenaamde democratieën van Groot-Brittannië en Frankrijk deden op hun beurt alles wat in hun macht lag om Franco te steunen, terwijl ze zich verscholen achter de hypocriete vlag van non-interventie. Stalins contrarevolutionaire beleid in Spanje overtuigde de Britse en Franse imperialisten er niet van om bondgenoten van de Sovjet-Unie te worden, maar bracht de USSR juist in groot gevaar.

Het onderdrukken van de Spaanse revolutie was bedoeld om Stalins “respectabiliteit” aan Londen en Parijs te bewijzen. Maar het had niet het gewenste effect. Het beleid van de Britse en Franse kapitalisten werd niet ingegeven door hun vermeende liefde voor ‘democratie’, maar door pure klassenbelangen en bovenal, angst voor de revolutie in Spanje. Verscholen achter het monsterlijke beleid van ‘non-interventie’ keken ze hypocriet de andere kant op bij de steun die fascistisch Duitsland en Italië aan Franco gaven. Stalin stuurde beperkte wapenleveringen naar Spanje – niet genoeg om Franco een beslissende militaire nederlaag toe te brengen, maar meer dan genoeg om de Republikeinen – in samenspraak met de Spaanse stalinisten – te helpen de versplinterde kapitalistische staatsmachine her op te bouwen.

Op bevel van Moskou liet de Spaanse Communistische Partij zonder uitleg de ultralinkse theorie van het ‘sociaal fascisme’ vallen. In plaats daarvan kozen ze voor een coalitie met de ‘liberale’ bourgeoisie, die Lenin altijd had veroordeeld. Om het contrarevolutionaire karakter van deze mensjewistische theorie van klassensamenwerking te verhullen, presenteerden ze die onder de noemer ‘Volksfront’. Na Lenins revolutionair-internationalistische beleid te hebben verlaten, dat de verdediging van de Sovjet-Unie fundamenteel baseerde op de steun van de wereldwijde arbeidersklasse en de internationale overwinning van het socialisme, probeerde de Russische bureaucratie de steun te verkrijgen van de “goede”, “democratische”, kapitalistische staten (Groot-Brittannië en Frankrijk) tegen Hitler. Op een gegeven moment steunden ze zelfs het “goede” Italiaanse fascisme tegen de “slechte” Duitse variant!

De leiders van de Spaanse “Communistische” Partij werden de meest fervente verdedigers van het kapitalistische “law en order”. Onder het motto “eerst de oorlog winnen, dan de revolutie” saboteerden ze systematisch alle onafhankelijke bewegingen van arbeiders en boeren.

Contrarevolutie

In Catalonië hielpen de stalinisten van de PSUC de Catalaanse burgerlijke nationalisten bij de wederopbouw van de oude kapitalistische staatsmachine, die in juli 1936 door de arbeiders was vernietigd. Om dit te bereiken moesten de anarchistische en POUM-arbeiders worden onderdrukt. De stalinisten droegen de hoofdverantwoordelijkheid voor dit vuile werk. Tegen het einde van 1936 begonnen ze te agiteren voor de ontbinding van de arbeiderscomités onder de leus: “Alle macht aan de Generalitat!” Geleidelijk aan werden de elementen van arbeiderscontrole uitgehold. De leiders van de CNT deden niets om de door Stalin geleide aanval te stoppen.

Na zes maanden lang een klimaat voor reactie te hebben voorbereid, sloegen de Stalinisten in mei 1937 toe. Ze probeerden de telefooncentrale in Barcelona, die onder controle van de CNT stond, in te nemen. Als reactie op deze provocatie organiseerden de anarchisten en POUM-leden in mei 1937 een opstand. Deze beweging genoot de overweldigende steun van de arbeiders van Barcelona, ook van de doorsnee communisten en socialisten. Vier dagen lang was de macht in handen van de arbeiders. Maar opnieuw weigerden de POUM en de CNT de macht over te nemen.

Dit was de laatste kans om de revolutie in Spanje te volbrengen. Met de juiste leiding hadden de meidagen in een overwinning voor de arbeiders kunnen eindigen. Hadden de POUM en de CNT de arbeiders opgeroepen om de macht te grijpen, dan had niets hen kunnen tegenhouden. Na afloop schreef de anarchistische krant Solidaridad Obrera: “Als we de macht hadden willen grijpen, hadden we dat in mei met zekerheid kunnen doen. Maar we zijn tegen dictatuur.” Een schandelijker bekentenis van faillissement is ondenkbaar.

Het voorbeeld van een revolutionaire arbeiders- en boerenregering in Catalonië zou zich als een lopend vuur over de rest van Spanje hebben verspreid. Maar de leiders van de CNT en de POUM schoten de kapitalistische staat telkens te hulp wanneer deze dreigde omvergeworpen te worden. De anarchistische leiders, García Olivier en Federica Montseny, destijds ministers in de Volksfrontregering, riepen de arbeiders op hun wapen neer te leggen en weer aan het werk te gaan. Het anarchistische centrum, Casa CNT, beval de arbeiders de barricades te verlaten. Met tegenzin gehoorzaamden de arbeiders.

Dit ontketende een orgie van contrarevolutie. Binnen de zes weken werd de POUM illegaal verklaard en werd de CNT ontwapend. Stalins GPU-agenten in Spanje begonnen anarchisten en POUM-leden op te pakken. Andrés Nin en andere leiders van de POUM werden vermoord in de geheime kerkers van de GPU. De arbeiderscomités en collectieven werden vernietigd. In zijn uitstekende film ‘Land and Freedom’ laat Ken Loach zien hoe de Stalinisten de arbeidersmilities ontwapenden en de boerencollectieven ontbonden. Het was ongeveer alsof iemand de boomtak waarop hij zit, doorzaagt.

Natuurlijk kunnen de gewone leden van de Communistische Partij en de Communistische Jeugd niet verantwoordelijk worden gehouden voor het beleid van hun leiders. Binnen de Communistische Partij bevonden zich vele moedige klassenstrijders wier enige wens was het fascisme te verslaan en de belangen van de arbeiders en boeren te verdedigen. Zij brachten grote offers en velen van hen verloren hun leven in deze bloedige strijd tegen de reactie. De tragedie van de Spaanse Communistische Partij was dat, zonder medeweten van de gewone arbeiders, de leiders blindelings de bevelen van Stalin en de Moskouse bureaucratie opvolgden. Deze bureaucratie streefde haar eigen belangen na met een cynische minachting voor de zaak van het wereldcommunisme en de socialistische revolutie. Uiteindelijk betaalden de arbeiders en de Communistische Partij zelf de prijs voor dit verraad.

De staatsgreep van Casado

De liquidatie van de revolutie leidde onvermijdelijk tot de ramp die Trotski had voorspeld. De PCE steunde de zogenaamde overwinningsregering van Negrin, de rechtse socialist, die de meest verschrikkelijke nederlagen leed. Dat was onvermijdelijk nadat de burgerlijke contrarevolutie achter de Republikeinse linies had gezegevierd. In een revolutie, meer nog dan in een oorlog, is het moreel de belangrijkste factor. Puur militair gezien kan een revolutie nooit zegevieren over een professioneel leger met getrainde officieren en militaire experts. Het veelgeprezen offensief aan de Ebro eindigde in een nederlaag, waardoor Catalonië aan de genade van Franco werd overgeleverd. De arbeidersklasse was gedesillusioneerd en gedemoraliseerd.

Nadat ze het vuile werk hadden gedaan, werden de stalinisten zonder pardon aan de kant geschoven. De slogan van de PCE was: “Win eerst de oorlog, voer dan de revolutie uit.” Maar de vernietiging van de revolutie leidde onvermijdelijk tot een nederlaag in de oorlog. De uiteindelijke ramp die voortvloeide uit het misleidende beleid van het volksfront vond plaats tussen 26 maart en 1 april 1939. De omverwerping van de volksfrontregering werd niet door Franco veroorzaakt, maar kwam van binnenuit, toen de “republikeinse” kolonel Segismundo Casado en de rechtse socialist Julian Besteiro een staatsgreep tegen de regering organiseerden en een militaire junta vormden onder leiding van kolonel Miaja. Hun doel was een vredesakkoord met Franco te sluiten en alle communisten uit de regering en de strijdkrachten te verwijderen. Casado verpletterde de communistische strijdkrachten. De krant Mundo Obrero van de PCE werd gesloten en Casado gaf opdracht tot massale arrestaties van communistische commissarissen en militanten. Dit was de

beloning van de Communistische Partij voor haar loyale samenwerking met de “progressieve” bourgeoisie.

Gedurende bijna drie jaar werd de Spaanse revolutie geleidelijk aan gewurgd. In de eerste fase oefenden de liberalen druk uit op de communisten om de linkervleugel (de anarchisten en de POUM) te verpletteren. Dit bereidde de weg voor de verplettering van de communisten door hun burgerlijke liberale bondgenoten, die op hun beurt door Franco werden verpletterd. Casado was met Franco in onderhandeling getreden in de overtuiging dat hij en zijn vrienden gespaard zouden blijven. De Britse regering had hem verzekerd dat Franco de levens van de republikeinen zou garanderen. De agent van de Vijfde Kolonne, kolonel José Cendaño, beloofde hem ook dat Franco de levens van de republikeinse officieren die “geen misdaden hadden begaan” zou garanderen. Maar vanuit het standpunt van de fascisten hadden alle republikeinen misdaden begaan. Franco was alleen geïnteresseerd in een onvoorwaardelijke overgave.

Er was nu niets meer dat Franco’s legers ervan weerhield de macht over te nemen. Negrín vluchtte naar Frankrijk, kort daarna gevolgd door La Pasionaria en de meeste andere leiders van de Communistische Partij. Honderdduizenden Republikeinen, Communisten en Socialisten werden gearresteerd en geïnterneerd in concentratiekampen, en talloze anderen werden vermoord of verdwenen in Franco’s gevangenissen. Op het middaguur van 27 maart 1939 bezetten Franco’s troepen Madrid vrijwel zonder weerstand. Op 1 april 1939 riep Franco de overwinning uit. Voor het Spaanse volk begon een lange nachtmerrie die bijna vier decennia duurde.

Contrarevolutie vermomd als democratie

De Spaanse arbeidersklasse betaalde een verschrikkelijke prijs voor het valse beleid, de lafheid en het regelrechte verraad van haar leiders. De fascisten namen vreselijke wraak op de arbeiders. Tot wel een miljoen mensen kwamen om in de burgeroorlog zelf. Duizenden anderen werden vermoord in de directe nasleep van de nederlaag. Ook de hele wereld betaalde een vreselijke prijs. Die nederlaag van de Spaanse arbeiders nam het laatste obstakel weg voor een nieuwe wereldoorlog die eindigde met de dood van 55 miljoen mensen.

Het duurde lang voordat het Spaanse proletariaat zich van het trauma kon herstellen. Maar ondanks de barre en gevaarlijke omstandigheden herwonnen de Spaanse arbeiders geleidelijk hun strijdlust. In de jaren zestig kondigden de eerste mijnwerkersstakingen in Asturië de heropleving van het proletariaat als revolutionaire kracht aan. Gedurende de hele periode die volgde, was het de arbeidersklasse die met buitengewone moed en vastberadenheid de strijd tegen de dictatuur leidde.

Toen Franco uiteindelijk op 20 november 1975 stierf, was Spanje opnieuw in de greep van een revolutionaire opleving. De meest vooruitstrevende arbeiders begrepen instinctief dat het niet genoeg zou zijn om de dictatuur van Franco omver te werpen, maar dat het nodig was om de wortels ervan te vernietigen. De beweging had een duidelijk antikapitalistisch karakter. De algemene staking in Vitoria in maart 1976, met de opkomst van elementen van duale macht, was het hoogtepunt van deze magnifieke beweging. Het bloedbad in maart, aangericht tegen arbeiders in Vitoria, had het signaal kunnen zijn voor een algehele algemene staking. Maar wederom gaven de leiders van de PCE voorrang aan hun zoektocht naar een pact met de bourgeoisie.

In januari 1977 veroorzaakte de brute moord op vijf advocaten van de Arbeiderscommissies, door een groep fascistische schutters in de Madrileense wijk Atocha, een golf van woede onder de arbeidersklasse. De stemming was extreem verhit. Maar wederom remde de PCE af. De begrafenis van de advocaten mondde uit in een massademonstratie die Madrid lamlegde. Het hele land zou gehoor hebben gegeven aan een oproep tot een algemene staking of zelfs een opstand. Maar de stewards van de CP brachten alle slogans, gezangen en spandoeken tot zwijgen en verhinderden het tonen van protestborden. De arbeiders werden gedwongen in stilte op te trekken, op hun tanden bijtend van woede.

De leiders van de PCE wilden de bourgeoisie graag laten zien dat ze te vertrouwen waren om de massa in toom te houden. Wat ze wilden was geen revolutie, maar een deal met de bourgeoisie. Ze hadden de “Democratische Junta” opgericht, waartoe voormalige fascisten behoorden. Om niet achter te blijven, richtten de leiders van de Socialistische Partij (PSOE) hun eigen Volksfront op, het “Democratisch Platform”. Achter de rug van de arbeidersklasse en de gewone leden van de CPE sloot Carrillo een deal met Adolfo Suárez, de leider van de fascistische Movimiento, die door koning Juan Carlos tot premier was benoemd.

Om de deal te bezegelen, stemden de arbeidersleiders er niet alleen mee in om de strijd tegen het kapitalisme op te geven. Ze lieten zelfs de meest elementaire democratische eisen varen, zoals de afschaffing van de monarchie. Dit alles was een gruwel voor de overgrote meerderheid van de arbeiders, zowel socialisten als communisten, die jarenlang hun leven hadden gewaagd in de strijd tegen het Franco-regime.

De “Overgang” – de fraude van de eeuw

Pacten, deals, consensus, coalities met de bourgeoisie: het was al decennialang dagelijkse kost voor de stalinisten. Natuurlijk hebben we het hier over de leiders. De gewone communisten hadden hun loyaliteit aan de klassenstrijd en het socialisme nooit opgegeven. Ze onderwierpen zich met tegenzin aan de dictaten van de leiders, zichzelf troostend met de gedachte dat deze verraderlijke acties slechts “tactisch” waren, dat ze ingegeven werden door noodzaak, maar dat de partij in de toekomst haar ware aard zou laten zien. Maar dat gebeurde nooit. Dit beginselloze opportunisme was niet tactisch, maar organisch.

Toen Santiago Carrillo stierf, publiceerde de liberale burgerlijke pers de meest vleiende eerbetuigingen aan de man die hen had gered. Een dankbare Juan Carlos bezocht hem slechts twee uur na zijn dood en zei dat de voormalige secretaris-generaal van de PCE een “fundamentele rol” had gespeeld in de vestiging van de democratie in Spanje. Dat is de pure waarheid. Carrillo en de andere leiders van de PCE speelden een cruciale rol in het ondermijnen van de revolutionaire arbeidersbeweging en hielpen de bourgeoisie de controle terug te winnen toen die hen was ontglipt. Natuurlijk waren de leiders van de PSOE niet beter, maar zij genoten niet dezelfde steun als de PCE en de arbeiderscommissies die zij destijds controleerden.

Het resultaat van deze paleisintriges was die afschuwelijke miskraam die de naam “Democratische Overgang” kreeg. Dit was de fraude van de eeuw. De zogenaamde Democratische Overgang was een verraad aan alles waar de Spaanse arbeiders voor hadden gestreden. Het oude regime bleef vrijwel intact, zij het nu gesmeerd met een vleugje ‘democratische’ olie. De oude repressieve instanties bleven bestaan. De Guardia Civil bleef demonstranten neerschieten, gevangenen martelen en vermoorden in de gevangenissen. De monsterlijke privileges van de Rooms-Katholieke Kerk, dat bolwerk van de fascistische contrarevolutie, zouden intact blijven, een ondraaglijke last voor het Spaanse volk. De enorme legers van nonnen en priesters zouden de leiding over hun scholen behouden, hun lonen betaald door de belastingbetaler.

Geen enkele persoon werd gestraft voor de misdaden, moorden en wreedheden van de dictatuur. De moordenaars en folteraars liepen vrij rond op straat, waar ze hun slachtoffers in het gezicht konden uitlachen. Het Spaanse volk moest het miljoen doden in de Burgeroorlog simpelweg vergeten. De geschiedenisboeken werden herschreven alsof dit alles nooit had plaatsgevonden. De massagraven, waar duizenden naamloze lijken onder olijfgaarden en bergpassen lagen, moesten ongemoeid gelaten worden om toeristen niet te belemmeren het uitzicht te bewonderen.

Het moeilijkst te accepteren voor de arbeiders was de erkenning van de monarchie. Er heerste een gevoel van bittere teleurstelling. Duizenden activisten die zoveel hadden opgeofferd, hun leven hadden geriskeerd, hun baan waren kwijtgeraakt, gevangenschap, mishandelingen en martelingen hadden ondergaan, stapten vol walging uit de socialistische en communistische partijen. Dit effende het pad voor een langdurige terugval in de arbeidersbeweging, die tot vrij recent heeft geduurd.

De wraak van de geschiedenis

Santiago Carrillo en de andere leiders van de PCE stonden voor een “historisch compromis” tussen conservatieven en communisten. In werkelijkheid waren het de eersten die alles wonnen, terwijl de communisten alles verloren. De PCE betaalde de prijs voor het opportunisme van haar leiders. Haar stemmenaandeel daalde sterk, terwijl dat van de Socialistische Partij steeg. Natuurlijk! Als er twee arbeiderspartijen zijn, een grote en een kleine, met vergelijkbaar beleid en programma’s, zullen de arbeiders op de grootste stemmen. In de jaren die volgden, zag de PCE haar invloed afnemen, haar ledenaantal en stemmen kelderden tot ze een schim van zichzelf is geworden. Deze eens zo machtige partij is vrijwel opgegaan in Verenigd Links (Izquierda Unida). Het is een tragisch lot voor een partij die werd opgebouwd door het heldendom en de zelfopoffering van een generatie militante arbeiders die hun leven riskeerden in de clandestiene strijd tegen de dictatuur van Franco.

Temidden van de huidige economische en sociale crisis in Spanje maken zowel de Communistische Partij als Verenigd Links echter een herstel door. Dat is volkomen normaal. De arbeiders en geradicaliseerde jongeren zoeken een uitweg uit de impasse van het kapitalisme. Ze zoeken naar de banier van het communisme – de banier van de socialistische revolutie. De Communistische Partij is vandaag de dag nog steeds verreweg de grootste partij binnen VerenigdLinks en heeft recentelijk tekenen vertoond van een verschuiving naar links, wat toe te juichen is. De gewone communisten staan steeds kritischer tegenover hun eigen verleden, met name de zogenaamde democratische transitie.

Ze voelen instinctief aan dat de bevoorrechte positie van de Kerk en de Monarchie een onverdraaglijke schending is van fundamentele democratische rechten, en ze streven naar een terugkeer naar de authentieke tradities van het communisme, naar de ideeën van Marx en Lenin. Ze zeggen: “Het regime van 1978 is voorbij”. Ja! Maar wat nodig is, is een grondig en eerlijk debat over het verleden en een analyse van de gemaakte fouten. Het is noodzakelijk om volledig te breken met het beleid van “consensus”, pacten en allianties met de bourgeoisie. De Communistische Partij moet een communistisch beleid verdedigen, een leninistisch beleid gebaseerd op volledige klassenonafhankelijkheid en een strijd tegen alle vormen van privilege, onderdrukking en klassenheerschappij. De Communistische Partij moet strijden voor het socialisme, niet in woorden maar in daden, niet in de verre toekomst, maar hier en nu.

Ruim drie decennia na het verraad van de Transitie is Spanje opnieuw op weg naar een revolutionaire opleving. Het land kampt nu met enorme werkloosheid en de diepste economische crisis in decennia. Na een lange periode van relatieve rust zijn er duidelijke tekenen van een heropleving van de klassenstrijd. In 2011 was er de indrukwekkende beweging van de revolutionaire jeugd, waarbij honderdduizenden indignados de belangrijkste pleinen van de Spaanse steden bezetten. Volgens een opiniepeiling van IPSOS gaven meer dan zes miljoen mensen aan op de een of andere manier aan de beweging te hebben deelgenomen.

Er waren massale protesten tegen de bezuinigingsmaatregelen van de regering-Rajoy, algemene stakingen en de indrukwekkende mijnwerkersbeweging, die de tradities van de jaren dertig in herinnering bracht. Alleen al in 2012 waren er twee 24-uurs algemene stakingen. Er zijn ook massale bewegingen geweest tegen bezuinigingen op het onderwijs, een succesvolle beweging tegen de privatisering van de gezondheidszorg in Madrid, grote demonstraties en directe acties om huisuitzettingen en onteigeningen tegen te gaan, de zegevierende beweging in Gamonal, Burgos, tegen stadsvernieuwing, de stakingen van leraren op de Balearen, de Coca-Cola-werknemers en de Panrico-werknemers.

Om succesvol te zijn, vereisen deze bewegingen echter een georganiseerde politieke uiting. De nieuwe generatie activisten is op zoek naar ideeën, een vaandel en een organisatie. Maar de leiders van de belangrijkste arbeiderspartijen hebben niets geleerd en zijn alles vergeten. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de jongeren wantrouwen en scepsis tonen jegens de leiders en partijen die geen duidelijk alternatief bieden voor de onrechtvaardigheid, chaos en criminaliteit van het kapitalisme. En ze zoeken naar antwoorden op de vele onbeantwoorde vragen uit het

verleden. De plotselinge opkomst van Podemos was een treffende illustratie hiervan. De partij bood een kanaal voor de uiting van alle woede en frustratie die zich al decennia in de Spaanse samenleving heeft opgebouwd.

De snelle opkomst van Podemos weerspiegelt het onvermogen van de oude leiders om een revolutionair programma te presenteren dat aantrekkelijk zou zijn voor de arbeiders en jongeren. De partij heeft veel van de meest actieve en energieke lagen van de samenleving aangetrokken en grote hoop gewekt. Maar er ontbreekt nog veel: een coherente democratische organisatie en een helder en ondubbelzinnig socialistisch programma. Er is een voortdurend debat gaande dat deze tekortkomingen wellicht kan verhelpen. Maar de voorwaarde hiervoor is een serieuze, eerlijke en kritische analyse van de fouten uit het verleden. De enige weg voor de Spaanse arbeiders om hun toekomstige overwinning te verzekeren, is het leren van de lessen van de Spaanse revolutie van 1931-1937 en de burgeroorlog. Zonder dit inzicht zullen ze gedoemd zijn dezelfde fouten te maken en hetzelfde lot te ondergaan als hun ouders en grootouders. Alle pogingen om het verleden te begraven zijn mislukt. In haar zoektocht naar het ‘historische geheugen’ graaft de nieuwe generatie de graven op en redt ze de stoffelijke resten van de slachtoffers van het fascisme. Daarmee strijden ze niet alleen voor gerechtigheid. Ze worstelen ook om de authentieke tradities van de vorige generaties te herstellen. Want welke hoop is er nog voor een natie die haar verleden kwijt is? Wanneer een man of vrouw aan geheugenverlies lijdt, gaat hij of zij naar een dokter voor een behandeling. Wanneer een heel volk lijdt aan collectief geheugenverlies, is een drastischer behandeling nodig. Machtige gevestigde belangen willen het verleden van Spanje hermetisch afsluiten. Maar de arbeidersklasse en alle levende krachten van Spanje eisen de waarheid en nemen met niets minder genoegen.

Een terugkeer naar de jaren 30 en 70 is aan de orde van de dag, maar dan op een kwalitatief hoger niveau. Na decennia in een leugen te hebben geleefd, stellen mensen de aard van de beruchte “Overgang naar democratie” ter discussie. Republikeinse vlaggen wapperen weer trots tijdens demonstraties. Ze worden door velen in de communistische beweging en in Verenigd Links gezien als een symbool van strijd tegen een failliet en reactionair regime dat aan het volk is opgedrongen als onderdeel van een “democratische” zwendel. En ze hebben volkomen gelijk. Er is geen verdere vooruitgang mogelijk totdat deze zwendel is ontmaskerd en omvergeworpen.

De Spaanse Revolutie blijft tot op de dag van vandaag een bron van immense inspiratie. Trotski zei dat de Spaanse arbeidersklasse niet één, maar tien revoluties kon ontketenen. Ze toonden enorme moed, initiatief en elan. Maar uiteindelijk faalden ze, en het Spaanse volk betaalde een vreselijke prijs voor die mislukking. Het is daarom essentieel dat de nieuwe generatie zorgvuldig aandacht besteedt aan de redenen voor die nederlaag. En er is geen betere manier om de lessen van de jaren dertig te begrijpen dan ‘Homage aan Catalonië’ van Felix Morrow te lezen.

Het is de taak van de Spaanse marxisten om de lessen uit het verleden over te brengen op de arbeidersklasse en de jeugd. De reformistische leiders hebben niet langer dezelfde verstikkende greep op de arbeidersklasse als vroeger, terwijl het anarchisme in Spanje slechts een schaduw is van wat het ooit was. De wereldwijde crisis van het kapitalisme zal de socialistische transformatie van de samenleving opnieuw op de agenda zetten. Het is de plicht van alle bewuste arbeiders om de lessen van de Spaanse revolutie te bestuderen, en het boek van Felix Morrow biedt de sleutel tot het inzicht dat dit een noodzakelijke voorwaarde is om de strijd tot een zegevierend einde te brengen. In de woorden van George Santayana:

“Wie niet leert van de geschiedenis, is gedoemd haar voor altijd te herhalen.”

Auteur

vorig artikel
volgend artikel