HomeActualiteitBelgische politiekRegeringscrisis – de onmogelijke zoektocht naar het ‘juiste evenwicht’

Regeringscrisis – de onmogelijke zoektocht naar het ‘juiste evenwicht’

Premier Bart De Wever heeft zijn ontslag aangeboden aan de koning, die heeft beslist zijn antwoord voorlopig in beraad te houden. Tot nu toe is het binnen de Arizona-coalitie onmogelijk gebleken om een akkoord te bereiken over de volgende besparingsronde. De crisis kristalliseert zich rond de zoektocht naar ‘evenwichtige’ maatregelen.

“U zult nog wat meemaken!” Dat was twee jaar geleden het voluntaristische motto van premier De Wever bij de voorstelling van het regeerakkoord. Voor het patronaat was Arizona de gedroomde coalitie: de meest rechtse regering in dertig jaar, met een meerderheid in beide landsdelen, gericht op sociaal-economische en financiële kwesties eerder dan op communautaire thema’s. Politiek was de coalitie bovendien bijna homogeen, met als enige uitzondering de kleine sociaaldemocratische partij Vooruit, die er alles aan deed om niet socialistisch over te komen en haar politieke toekomst nauw had verbonden met die van de N-VA.

Arizona zou beter presteren dan de vorige Vivaldi-coalitie: geen eindeloze interne ruzies en periodes van verlamming meer, maar daadkracht en politieke vastberadenheid, belichaamd door Bart De Wever, de Margaret Thatcher van de 21ste eeuw. De aangekondigde stabiliteit en cohesie moesten een sociale achteruitgang mogelijk maken zonder voorgaande in tachtig jaar. Bij het patronaat werd de champagne ontkurkt.

Toch is deze regering, zoals wij voorspelden, een crisiscoalitie. Sinds haar aantreden wordt ze regelmatig door crisissen getroffen. Ze slaagt er moeilijk in overeenstemming te bereiken over de uitvoering van haar programma. Bovenal zit ze verstrikt in de langdurige existentiële crisis van het Europese kapitalisme.

Dat blijkt onder meer uit de aanhoudende quasi-stagnatie van de Belgische economie, waarvan de groei de voorbije vier jaar niet boven 1% uitkwam. Vooral de industrie bevindt zich in een recessie. Ook een van haar speerpuntsectoren, de farmaceutische industrie, ondervindt de gevolgen van de internationale concurrentie. De collectieve ontslagen bij GSK zijn daar een illustratie van.

Een ander symptoom van deze crisis is de onderbenutting van de productiecapaciteit. Eén op de drie machines in de bedrijven staat stil. Het Belgische kapitalisme kwijnt weg. Onder druk van deze crisis, en vooral van de financiële markten, worden steeds diepere besparingen opgelegd: nog eens 10 miljard euro om het begrotingstekort terug te brengen van 5 naar 4 procent van het bbp, de overheidsschuld van meer dan 110 procent van het bbp te verminderen en de financiële wereld gerust te stellen.

De obligatiemarkten vormen een schaduwregering waarvan de leden nooit aan verkiezingen deelnemen, maar die ze wel altijd winnen. Die bijkomende 10 miljard euro betekent besparen bovenop eerdere besparingen. Dat creëert een reëel sociaal kruitvat. Het is de angst daarvoor die de spanningen binnen de regeringscoalitie veroorzaakt.

Een wind van verzet die angst inboezemt

Na twee jaar van historische vakbondsstrijd breekt 2025 alle records wat het aantal verloren stakingsdagen betreft. Tegelijk waait er een wind van verzet door heel Europa.

Hoewel de vakbondsstrijd in België bijzonder hevig was, heeft de vakbondsleiding nooit de intentie gehad om die tot het uiterste door te trekken met als doel Arizona terug te dringen of ten val te brengen. Die situatie kan echter veranderen door de golf van stakingen, blokkades, betogingen en confrontaties met de politie die zich vandaag ontwikkelt en die weinig gemeen heeft met de gebruikelijke vormen van toegelaten sociaal protest.

Vooral Frankrijk wordt geconfronteerd met een ware opstand van jongeren uit het secundair en hoger onderwijs, die de revolutie – we wegen onze woorden – opnieuw op de politieke agenda plaatst. In uiteenlopende vormen doet zich een gelijkaardige dynamiek voor onder jongeren in Italië, Spanje, Griekenland, Duitsland en Albanië.

Deze bewegingen vinden steeds meer weerklank binnen de werkende klasse. Er ontwikkelt zich een soort ‘Mei’68-mentaliteit’ die de gevestigde orde angst inboezemt. Ook in België heeft de sociale onrust een deel van de scholieren bereikt, vooral in Wallonië en Brussel. Voorlopig blijft dit een minderheidsverschijnsel, maar het wijst duidelijk op sociale, economische en politieke omstandigheden die snel kunnen ontbranden.

Dat blijkt bijvoorbeeld uit de groeiende woede onder werknemers die geconfronteerd worden met historisch hoge dieselprijzen, terwijl de Belgische petroleumsector sinds het begin van het jaar een overwinst van 1,26 miljard euro heeft geboekt, goed voor 5,4 miljoen euro per dag. De stijgende prijzen doen de winsten verder toenemen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het idee van een vermogensbelasting zo populair is geworden.

Een recente nota van ING onderstreept hoe moeilijk het sociale klimaat het maakt om in België een harde besparingspolitiek door te voeren:

‘Bovendien bemoeilijken de sociale spanningen die tal van Europese landen treffen het zoeken naar een consensus over besparingsmaatregelen. Elke uitgavenvermindering is moeilijk door te voeren, maar het is absoluut noodzakelijk om een zekere mate van sociale cohesie te bewaren en te vermijden dat de scherpe spanningen die we in Frankrijk hebben gezien, opnieuw in België opduiken. De uitdaging bestaat er dus in het juiste evenwicht te vinden, iets wat moeilijker te realiseren is dan in een periode van sterke economische groei.’

Evenwichtige inspanningen? Onmogelijk onder Arizona

De angst zit diep bij de regeringspartijen. Bij sommigen meer dan bij anderen. Ze vormt de kern van de huidige regeringscrisis: de angst voor de reactie op straat en de angst voor de kiezer.

Dat is wat Vooruit en Les Engagés ertoe aanzet te pleiten voor ‘evenwichtige’ begrotingsmaatregelen. Ze willen dat de breedste schouders meer bijdragen. Maar zoals Jef Maes, auteur van een boek over de sociale zekerheid en voormalig federaal verantwoordelijke van het ABVV, uiteenzet, zit het onevenwicht ingebakken in het regeerakkoord zelf. Het maakt deel uit van zijn DNA. Alle maatregelen van Arizona zijn volgens hem onevenwichtig. Dat kan ook moeilijk anders.

Maes wijst op de volgende cijfers:

“Laten we de belangrijkste besparingen ten koste van de werknemers bekijken: 11 miljard euro op de pensioenen, 2,5 miljard door de uitsluiting van langdurig werklozen, 2,8 miljard dankzij de opschorting van de wet die voorziet in aanpassingen van de uitkeringen in functie van de economische groei, 1,6 miljard door de indexering tot op de cent, 1,9 miljard op de langdurig zieken en 0,7 miljard op de mensen met een leefloon, aangevuld met kleinere besparingen in de gezondheidszorg en het uitstellen van indexeringen. Samen goed voor 21,3 miljard euro. Achter deze cijfers schuilen mensen, onder wie een kwart miljoen werklozen en leefloongerechtigden die hun inkomen verloren hebben.”

“Laten we nu kijken naar de bijdrage van de “breedste schouders”: 0,5 miljard afkomstig van de meerwaardebelasting, die de grote aandeelhouders ontziet en waarvan nog moet blijken of de rechtbank ze niet zal vernietigen, 0,4 miljard via de verhoging van de effectentaks en enkele kleinere maatregelen. Samen bedraagt de bijdrage van de meest vermogenden 2,2 miljard euro. Dat is nauwelijks 10,3 procent van wat op de kap van de gewone bevolking werd bespaard. Het bevestigt het fundamentele onevenwicht van het regeerakkoord.”

“Maar daar blijft het niet bij. Laten we ook kijken naar de cadeaus die Arizona aan diezelfde “brede schouders” heeft gegeven: 2,7 miljard euro via een vermindering van de werkgeversbijdragen, 1,5 miljard door de uitbreiding van flexi-jobs en studentenarbeid en 0,8 miljard dankzij de loonindexering. In totaal kregen de ondernemingen 4 miljard euro aan bijkomende subsidies, de goedkopere overuren nog niet meegerekend.”

Een regering van de rijken of een regering van de arbeiders?

Het ‘juiste evenwicht’ in de verdeling van de inspanningen bestaat dus niet en kan binnen Arizona niet worden bereikt. Het mag evenmin de politieke horizon vormen van de klassenstrijd, de vakbonden of de PVDA.  De kapitalisten moeten betalen voor hun eigen crisis, niet de werkende klasse, de arme middenklasse en de jongeren.

Hoe deze nieuwe crisis zal aflopen, valt niet te voorspellen. Als de manier waarop eerdere crisissen werden opgelost ons iets leert, dan is het wel dat de zogenaamd linkse partijen, Vooruit en Les Engagés, uiteindelijk telkens zwichten voor de druk van de MR, de N-VA en het patronaat.

Deze keer mengen ook de Belgische en internationale financiële markten zich nadrukkelijk in het debat. Zowel de OESO als het Planbureau dringen aan op een snelle sanering van de overheidsfinanciën. Tegelijk stijgt de rente op de Belgische staatsschuld sterk. Ze staat op het hoogste niveau in vijftien jaar, wat neerkomt op een bijkomende kost van 2,3 miljard euro. De boodschap is duidelijk.

Acht jaar geleden was het precies die druk van de markten die een einde maakte aan 541 dagen politieke onderhandelingen en de vorming van de regering-Di Rupo I mogelijk maakte.

Voor werknemers en jongeren biedt deze Arizona-regering geen perspectief. Binnen deze coalitie is volgens deze analyse geen enkele rechtvaardige maatregel mogelijk. Dat geldt evenzeer voor andere mogelijke coalities, of het nu gaat om een tripartite of een regering van nationale eenheid. Uiteindelijk vertegenwoordigen al deze regeringsformules de belangen van het kapitaal.

Onze toekomst ligt in de strijd om een regering van de werkende klasse. Dat moet de inzet zijn van onze strijd.

Auteur